
Het is wederom net gelukt: een vergelijking van tien uitvoeringen uit mijn eigen cd-verzameling van een Mahler-symfonie voordat ik naar de uitvoering in de Mahler-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest van dezelfde symfonie ga. Deze keer de Vijfde symfonie, die met die trompet-opening en het Dood in Venetië-Adagietto misschien soms een cultstatus had/heeft, maar verder eigenlijk een enorm doorwrocht en niet makkelijk toegankelijk werk is. De twee openingsdelen, en dan zeker het tweede deel, slaan je als luisteraar al bijna plat, waarna er een complex Scherzo van ruim een kwartier volgt. Het Adagietto biedt ademruimte, maar wel van de fraaiste en aangrijpendste soort, en het Rondo-Finale is een aaneenschakeling van herhaalde thema’s, langzaamaan culminerend in een stormachtige climax.
Eigenlijk hebben alle hier besproken opnames een bepaalde charme. Uiteindelijk was er maar één die al die charmes in zich weet te verenigen. Het was een boeiende als ook vermoeiende vergelijking.

De vergelijking begint met iets aparts: de opname uit 1927 van het Adagietto door het Concertgebouworkest onder leiding van
Willem Mengelberg. Deze opname staat op een EMI-cd die ik ooit eens kocht; volgens mij geldt dit als de eerste opname van Mahler-muziek. Een aparte opname: het deel duurt net 7 minuten, waar alle anderen er minimaal 2,5 minuut meer voor nodig hebben. Het aantal glissandi is niet te tellen, en dat maakt de uitvoering bijzonder gedateerd. Maar het blijft een te koesteren opname; van de cd kon ik op internet geen plaatje vinden. Daarom maar een foto van de maestro zelf.

De kracht van de uitvoering door
Sir John Barbirolli en het New Philharmonia Orchestra uit 1969 zit in de eerste twee delen. Die worden met een ongewoon dramatische lading gespeeld, in relatief behouden tempi. Het marstempo is dwingend en niet te weerstaan. Het Scherzo klinkt te zwoegend, en hier speelt ook de matige opname de gewenste speelsheid parten. Het Adagietto slaagt weer wel; het slotdeel is teveel een rommeltje. Ondanks de prachtige opening is moet deze opname het afleggen tegen andere in deze vergelijking.

Evenals bij zijn opname van de Vierde symfonie kenmerkt de uitvoering door het Chicago Symphony Orchestra onder leiding van
Georg Solti uit 1970 zich door ongepolijste rechtlijnigheid en een wat overspannen gehaastheid. Subtiel of emotioneel geladen is deze uitvoering geenszins. Het slotdeel laat hij in zo’n hoog tempo spelen dat je soms medelijden krijgt met de orkestleden. Solti biedt vooral kwantiteit in plaats van kwaliteit.

Met de eerste opname van
Bernard Haitink met het Concertgebouworkest uit 1970 leerde ik deze symfonie door en door kennen. De twee openingsdelen worden prachtig gespeeld, met grote transparantie en vol vuur. Helaas ontbreekt die passie in het Scherzo en het slotdeel; bovendien zijn het (wederom) de matige hoorns van het Concertgebouworkest uit die periode die geen fraaie klank voortbrengen, in deze delen juist essentiële instrumenten. Ondanks die openingsdelen en het gedragen gespeelde Adagietto geen ideale opname.

Bij mijn vergelijking van de Vierde schreef ik dat de opname van
Herbert von Karajan van die symfonie zijn eerste schreden op het Mahler-pad waren. Dat was onjuist: enkele jaren voordat hij de Vierde opname, maakte hij in 1973 met de Berliner Philharmoniker een opname van de Vijfde, die uiteindelijk geen stand houdt ten opzichte van andere opnames. In de openingsdelen wisselen prachtige passages en rommeligheden elkaar voortdurend af. Opvallend: Von Karajan laat het tweede gedeelte van de openingspassage (direct na het eerste fortissimoaccoord) door twee trompetten spelen. In het Scherzo raakt hij echter de juiste toon, met een fris-speelse benadering, feller dan je aanvankelijk bij Von Karajan zou verwachten. Het slot van dit Scherzo is overweldigend. In het Adagietto gaat het fout. Daar is door de technici (aangestuurd door Von Karajan zelf?) zodanig aan de knoppen gedraaid, dat er een soort science fiction-achtig filmmuziekgeluid uit de luidsprekers komt. Het slotdeel klinkt weer goed, maar het kwaad is dan al geschied. Een collectors item, deze opname. Niet meer dan dat.

Kerstmis 1986 verzorgden
Bernard Haitink en het Concertgebouworkest een meer dan grandioze uitvoering van deze symfonie. Bij deze enkele, direct opgenomen uitvoering is het orkestspel beter dan dat van de Berliner Philharmoniker en Von Karajan, waar in de studio flink geschaafd is aan het uiteindelijke resultaat. De opbouw is grandioos, soms iets te gehaast weliswaar, maar volstrekt natuurlijk, bezonken in zowel Scherzo als Adagietto. Het slotdeel kent een enerverende climax. Een hoogtepunt uit de Kerstmatinee-verzameling.
Leonard Bernstein nam met de Wiener Philharmoniker in 1987 deze Vijfde op in de Alte Oper in Frankfurt. Ik vind het resultaat niet helemaal overtuigend. In het openingsdeel is het tempo net iets te traag, ook al is het uiteindelijke effect opvallend. In het Scherzo werkt de analytische aanpak contraproductief: je hoort weliswaar alle details, maar de schwung ontbreekt. Het Adagietto en het slotdeel maken veel goed: er gebeurt veel fraais, wederom door de wat tragere tempi en het oog voor detail, maar nu inclusief een aangrijpend effect.
Pierre Boulez maakte zijn opname uit 1997 eveneens met de Wiener Philharmoniker, en wat een verschil met Bernstein. Orkestspel en opname gaan hier hand in hand: kraakhelder, rechtlijnig en voor zichzelf sprekend. Toch mis ik betrokkenheid en vervoering; ik vind de uitvoering te onderkoeld. Het slotdeel ontbeert bovendien een climax.
Riccardo Chailly levert met het Koninklijk Concertgebouworkest wederom een uitstekende uitvoering af, opgenomen in 1997. Het orkest speelt grandioos, de opname is prachtig en er is warmbloedigheid, ritmische perfectie, detailwerking en schwung. Die nadruk op die lage noten door de harp in het Adagietto zijn zo prachtig…! De enige kanttekening is diezelfde nadruk op de details. Deze is niet zo hinderlijk als in de opname van de Eerste, maar Chailly kon het ook hier niet laten om af en toe sommige details net iets meer accent te geven dan vanzelfsprekend is. Ik kan me van de uitvoeringen in het Concertgebouw herinneren dat de hoornist voor het Scherzo een plek vlak voor de lessenaar van Chailly betrok; bij de opname zit deze zowat naast je op de bank. Fraai gerealiseerd, maar net iets te overdreven.

Over
Gustavo Dudamel gaan alweer wat minder positieve verhalen de wereld rond, maar zijn opname van de Vijfde met het Simón Bolívar Youth Orchestra of Venezuela uit 2006 is er een die gehoord moet worden en die bepaald niet onderdoet voor die van de grote jongens Bernstein, Boulez, Chailly, om over Von Karajan en Solti maar te zwijgen. De twee openingsdelen zijn een regelrechte sensatie: wat een energie! Het tweede deel is absoluut subliem; aan het slot daarvan stapelt Mahler climax op climax en Dudamel realiseert dit grandioos. Het Scherzo mist in de doorwerking de diepgang van Jansons en Chailly, maar ook met dit deel weet Dudamel raad. Het Adagietto en het slotdeel klinken eveneens prima; de climax is wederom groots. Een opvallend goede uitvoering!

De live-opname van
Mariss Jansons met het Koninklijk Concertgebouworkest uit 2007/8 grijpt je vanaf het begin bij de lurven en laat je pas bij het wegsterven van het slotapplaus weer los. Aan deze opname is goed te horen dat het orkest zelf een enorme kwaliteitsontwikkeling heeft doorgemaakt, maar ook ten opzichte van de andere orkesten in deze vergelijking tot de buitencategorie behoort. De analytische, bezonken en tegelijkertijd aangrijpende interpretatie van Jansons doen vervolgens de rest. Waar andere dirigenten in bepaalde delen de nadruk leggen op een specifiek aspect (frisheid, drama, accentuering, tempo etc.) is de balans tussen al deze aspecten bij Jansons precies goed. Dat maakt deze opname verbluffend: dat er een dirigent is die dat allemaal in een als vanzelfsprekend klinkende balans op een orkest weet over te brengen. En geen geschaaf in aparte opnamesessies, maar gewoon tijdens reguliere abonnementsconcerten…
ConclusieJansons is de absolute winnaar van deze vergelijking. Zijn opname verenigt alle kwaliteiten van de anderen, en biedt het meeste inzicht in de partituur, een prachtige opname en het beste orkestspel. De opname van Dudamel is verrassend goed en zal ik nog vaak beluisteren. Dat geldt ook voor de Kerstmatinee-uitvoering van Haitink; de bezonkenheid en het grootse orkestspel maken dit evenzeer een geweldige uitvoering. Chailly en Bernstein hebben eveneens hun kwaliteiten, maar leggen het op punten toch af tegen Jansons, Dudamel en de Kerstmatinee-Haitink. Boulez is interessant vanwege de rechtlijnigheid en helderheid, maar voldoet niet wie eens lekker meegesleept wil worden door deze symfonie. De eerste opname van Haitink is te onevenwichtig, evenals die van Barbirolli, ofschoon ik die nog wel eens uit de kast zal halen om diens verbluffende marstempo in de eerste twee delen te bewonderen. Solti breng ik naar de lommerd.