22 november 2009

Concert 20 november 2009


Vrijdag 20 november 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mark Elder
Jonathan Biss, piano

Mozart: Pianoconcert nr. 21, KV 467
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 4


Het verschil met het concert van de Wiener Philharmoniker kon niet groter zijn. Nu zat er een orkest op het podium dat een transparante klankschoonheid voortbracht, en daarnaast vooral deed waarvoor het er zat: muziek maken en de componist de beste eer bewijzen. Voor de pauze werd mijn adem al ontnomen door een volledig vloeiende en harmonische uitvoering van Mozarts 21ste pioanoconcert. Jonathan Biss lijkt inderdaad een meesterpianist. Het tweede deel heb ik nog nooit zo muzikaal-vloeiend horen spelen. Ook door het orkest: waar de hoofdmelodie door de strijkers een tegenstem in de fagot krijgt, ontstond er een nieuwe, gemengde klank. Tja, dan staat de tijd even stil. Na de pauze de Vierde van Sjostakovitsj, die ik eerder hoorde tijdens het Gergiev-festival in 2001 (toen onder leiding van Maxim Sjostakovitsj) en vorig jaar door Hatink met het Chicago Symphony. Deze uitvoering door het KCO en Mark Elder maakte de diepste indruk. In zijn toelichting vooraf maakte Elder een vergelijking tussen dit werk en Mahler, en ook in Preludium wordt Sjostakovitsj met Mahler in verband gebracht. Ik vind het werk van beide componisten op één essentieel punt van elkaar verschillen. Mahlers muziek is psychisch van aard en doet een beroep op het innerlijk van de luisteraar. Bij Sjostakovitsj, en zeker bij deze expressieve Vierde symfonie, speelt de invloed van de buitenwereld op componist en luisteraar een even grote, zo niet grotere rol. Het stuk is samengeperste dreiging, een emotie die je als luisteraar op het randje van je bevattingsvermogen brengt. Dat maakt dat je na afloop nog minstens een uur nodig hebt om tot de normale stand terug te keren. Een uitvoering die dat voor elkaar krijgt is per definitie geslaagd. Dat het orkest ondertussen het beste van zichzelf gaf, maakte de impact alleen maar groter.
Tenslotte: de jaargang 29 speelde tijdens dit concert een centrale rol: zowel Mozart als Sjostakovitsj componeerden/voltooiden hun werk dat op dit programma stond op 29-jarige leeftijd; en ook pianist Jonathan Biss is 29 jaar oud. Aardige coïncidentie, meer ook niet denk ik.

Concert 19 november 2009


Donderdag 19 november 2009, Concertgebouw Amsterdam
Wiener Philharmoniker o.l.v. Christian Thielemann

Beethoven: Ouverture Coriolan
Beethoven: Symfonie nr. 8
Beethoven: Symfonie nr. 7
Beethoven: Ouverture Egmont (toegift)


Het jaarlijkse optreden van de Wiener Philharmoniker in de serie Wereldberoemde symfonieorkesten is steevast het snoepje hiervan. Wat ze ook spelen, er valt eigenlijk altijd wel te genieten. Dit concert pakte echter uit als een bittere pil; ik heb zelden zo'n teleurstellend concert meegemaakt. Thielemann en de Wiener speelden enkele jaren terug een prima Bruckner 8, maar deze Beethovens leken werkelijk helemaal nergens naar. Ik heb eigenlijk alleen strijkers gehoord, en dan slechts in de modi hard, harder, hardst. Daar waar de strijkers de boventoon voeren, zoals in de opening van het Allegretto uit Beethovens Zevende, of in het 'trio' uit het Presto van dezelfde symfonie, dan hoor je geweldige klanken; de celli en contrabassen van de Wiener brengen een uniek geluid voort. Maar ik heb nauwelijks houtblazers gehoord, en waar het KCO onder leiding van Haitink met de Zevende eerder dit jaar uitblonk in verfijnd samenspel tussen strijkers en houtblazers, en Fischer bij het KCO eveneens eerder dit jaar met de Achtste een puntig en subtiel kleurenpalet voorschotelde, verbleekte Beethoven bij Thielemann en de Wiener tot eendimensionaal strijkersgeweld. Er zaten meer strijkers op het podium dan normaliter bij een uitvoering van een Bruckner-symfonie. Ik telde 9 contrabassen; eentje méér dan bij Sjostakovitsj 4 de avond hierna (zie hierboven). Als een derde van de strijkers thuis was gebleven, had dat winst voor zowel het orkest als de luisteraar opgeleverd. De Wiener Philharmoniker is een groots orkest, en ze kunnen alles. Maar met een onbezonnen dirigent kunnen ze dus ook de plank finaal misslaan.

16 november 2009

Opera 16 november 2009


Maandag 16 november 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

R. Strauss: Salome

Salome - Annalena Persson
Jochanaan - Albert Dohmen
Herodes - Gabriel Sadé
Herodias - Doris Soffel
Narraboth - Marcel Reijans
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Stefan Soltesz

Wie ervan uitgaat dat dit – zoals normaliter wel de bedoeling is – een afgewogen beoordeling is van deze nieuwe productie van Salome, die kan maar beter stoppen met lezen en elders zijn heil zoeken. Want voor zover het al mijn intentie is een afgewogen oordeel te geven, het is zeker nu en misschien ook later onmogelijk om dat te doen. Ik schrijf deze regels nog geen drie kwartier nadat de laatste noot in de zaal geklonken heeft, en ik ben volledig ‘artistiek gedesoriënteerd’ (die term bedacht ik op de fiets om mijn gemoedstoestand weer te geven). Wat vaststaat: Richard Strauss componeerde een werkelijk sublieme opera! Toen ik dit stuk ruim 20 jaar geleden leerde kennen (ongeveer gelijktijdig met de eerste uitvoeringen van de Kupfer-enscenering) door aanschaf van de onvolprezen Solti/Nilsson-opname, ging mijn aandacht vooral uit naar de tweede cd: Salome’s dans en wat daarop volgt. Het gedeelte ervoor vond ik maar rommelig en ‘gedoe’. Maar nu was ik meteen vanaf de eerste maat geboeid door wat ik hoorde; wat een geweldige muziek en hoe rijk. Maar goed, mijn desoriëntatie betreft natuurlijk wat je als toeschouwer te zien krijgt. Ik snap er eigenlijk alles van, en ook helemaal niks. Want als je eendimensionaal uitgaat van het het verhaal van Salome zoals die in het programmaboekje staat, dan snap je er als toeschouwer dus helemaal niks van wat Peter Konwitschny je voorschotelt en ga je (zoals vanavond gebeurde) keihard ‘boe’ roepen terwijl de laatste klank nauwelijks uitgestorven is, of zeg je (zoals ik opving) dat deze productie de ‘grootste bullshit’ is die je ooit hebt gezien; nog nooit eerder zo’n vertwijfeld applaus gehoord trouwens. Maar wanneer je een minuutje nadenkt over de betekenis van de laatste zin van Salome’s monoloog (Und das Geheimnis der Liebe ist grösser als das Geheimnis des Todes) dan snap je nog steeds niks van deze enscenering, maar wordt deze enscenering op zijn minst toch erg interessant. Want waar bij de gekwadrateerde degeneratie van de hofhouding van tetrarch Herodes de dood cq het einde eigenlijk het enige antwoord kan zijn, streeft juist het ultieme product van deze degeneratie (Salome) naar de ultieme liefde. Nou, stof tot nadenken dus. Verder: ik heb erg moeten lachen om enkele grollen van met name Herodias (leve Doris Soffel!). Prachtig moment: Herodes poogt Salome van haar verlangen naar dat hoofd af te helpen, en Herodias houdt alvast een zilveren schaal voor de nek van Jochanaan. Maar ook Salome’s dans is een genot om te bekijken (van laatste-avondmaaltafereel tot dansorgie). Of het allemaal klopt zal me nu even een zorg zijn. Kunst is geslaagd wanneer deze tot piekeren, twijfelen en nadenken aanzet, los van de vraag of je tot oplossing komt. En dit is de eerste opera-enscenering die dit bij mij zo sterk voor elkaar krijgt. Ik ga aan het eind van de uitvoeringscyclus nog een tweede keer, dus wellicht dan iets coherenters…?

08 november 2009

Concert 4 november 2009


Woensdag 4 november 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer
Maria Joao Pires, piano

Mozart: Ouverture Die Zauberflöte
Mozart: Pianoconcert nr. 23, KV 488
Mozart: Adagio en fuga
Mozart: Symfonie nr. 41 'Jupiter'


Iván Fischer mag zich bij het KCO uitleven in allerlei repertoire. Zijn Matthäus heb ik gemist, maar zijn andere programma's bij het KCO van de afgelopen jaren heb ik allemaal gehoord. Na een volledig Beethoven-programma in het voorjaar nu een compleet Mozart-programma. Hij benadert ook Mozart duidelijk niet-traditioneel; toch is zijn aanpak minder markant als die van zijn leermeester Harnoncourt. Transparantie en relatieve kleinschaligheid staan bij hem voorop, en dan hoor je fraaie Mozarts! In de Jupiter had ik wat meer lyriek willen horen, en het overslaan van de herhaling van de expositie in het eerste deel vind ik gewoon een rotstreek. En waarom dan wel de herhaling van de expositie in het slotdeel? Toch nog even een bijspijkercursusje van een uurtje bij Harnoncourt, stel ik voor. Maar goed, verder blijft Fischer mijn favoriete kandidaat voor een chefdirigentschap, ook al mag Jansons nog lang blijven wat mij betreft. Fischer keert over een half jaar terug met Mahler 4; ik ben benieuwd of hij de bijzondere larmoyante sfeer in het Ruhevoll die zijn cd-opname met zijn Boedapester orkest zo subliem maakt ook live bij het KCO weet te realiseren.
Voor de pauze een hoogtepunt in Mozart-spel met Maria Joao Pires, die met het jaar kleiner van gestalte lijkt te worden. Maar Mozart speelt ze als geen ander: licht, virtuoos maar precies met de juiste emotionele lading. Het te korte Adagio werd haarfijn getroffen. En de toegift uit het Bach-concert in f was eveneens een fraai staaltje verfijning. Gewoon lekker zo'n Mozart-concert.

30 oktober 2009

Concert 28 oktober 2009


Woensdag 28 oktober 2009, Concertgebouw Amsterdam
WDR Sinfonieorchester Köln o.l.v. Semyon Bychkov
Yefim Bronfman, piano

Brahms: Pianoconcert nr. 2
R. Strauss: Eine Alpensinfonie


Bychkov hoorde ik eind jaren tachtig bij het KCO; hij gold toen als een belofte en werd enige tijd als de kandidaat voor opvolging van Von Karajan beschouwd. Uiteindelijk bleek hij toch te licht. Nu dan na lange tijd terug in het Concertgebouw met zijn eigen Keulse orkest in een onweerstaanbaar programma met één van mijn favoriete pianisten als solist; dit kon ik niet voorbij laten gaan. Ik hoorde Bronfman eens een prachtige uitvoering van Brahms' Eerste pianoconcert geven, met het KCO o.l.v. Chailly. Zo intens als die uitvoering was deze uitvoering van het Tweede pianoconcert niet. Daarvoor was de verhouding tussen solist en orkest te weinig hecht, en bracht Bychkov te weinig diepgang in de orkestbegeleiding aan. In het derde deel etaleerde Bronfman zijn grootheid door een perfecte samenwerking met de cellist; ook Brahms laat zich trouwens in dit deel van zijn beste kant zien. Het vierde deel vind ik altijd wat vreemd: na het geweld van de eerste twee delen en daarna dat poëtische derde verwacht je een flinke uitsmijter, maar Brahms had andere gedachten. Na de pauze de Alpensinfonie. Een goed Duits middenklasse-orkest, dat moest wel slagen. En inderdaad: onder leiding van Bychkov speelde het een prima uitvoering. Relatief langzaam, maar zonder verslapping en lekker warmbloedig. De Alpensinfonie wordt wel eens als edelkitsch weggezet, maar wat mij betreft is het een meesterwerk. Goed gecomponeerd en geïnstrumenteerd, gevarieerd en voor de luisteraar immer een belevenis. Een toporkest had stellig een grootsere uitvoering gegeven, maar ik verliet om half elf voldaan de zaal.

25 oktober 2009

Concert 24 oktober 2009


Zaterdag 24 oktober 2009, Concertgebouw Amsterdam
The Cleveland Orchestra o.l.v. Frans Welser-Möst

Debussy: uit Nocturnes: Nuages & Fêtes
Widmann: Chor
Beethoven: Symfonie nr. 5


Van de grote en illustere Amerikaanse orkesten had ik alleen het Cleveland Orchestra nog niet eerder gehoord. Tot deze avond dus. Of het aan het opbouwwerk van Georg Szell ligt, of aan de kwaliteiten van Welser-Möst, of aan een combinatie: het orkest speelde bijzonder goed. Kenmerkend aan hun spel was de enorme transparantie en het achterwege blijven van de bij zoveel Amerikaanse orkesten gebruikelijke welluidendheid. Er werd vooral subtiel gespeeld, en soms zelfs fluisterzacht. Voor de pauze heersten de ijle sferen van Debussy en Widmann; ik kan me vergissen, maar volgens mij heb ik Widmanns Chor eens eerder gehoord in de A-serie. Een boeiend stuk, dat in karakter goed past bij de twee voorafgaande twee delen uit de Nocturnes van Debussy. Na de pauze met de beide benen op de grond met een klassiek gespeelde Vijfde Beethoven, in relatief hoge tempi, maar technisch nagenoeg perfect gespeeld. Welser-Möst hield de fermates in het openingsdeel erg kort, en dat gaf het deel extra kracht. De lang niet uitverkochte zaal kreeg meteen een toegift. Met de wat rechtlijnig maar wederom technisch perfect en bijzonder doorzichtig gespeeld Vorspiel tot de eerste akte Lohengrin (wat een meesterwerk is dat toch) keerden we weer terug naar de ijle speren van voor de pauze. Een fraai concert door een uitstekend orkest. Op hun website was de dag erna al een fotoslideshow op YouTube te zien. Klik hier om het te bekijken (zo lang als het online staat).

07 oktober 2009

Opera 6 oktober 2009


Dinsdag 6 oktober 2009, Stadsschouwburg Amsterdam
De Nederlandse Opera

Purcell: Dido and Aeneas

Dido - Malena Ernman
Aeneas - Luca Pisaroni
Belinda - Judith van Wanroij
Sorceress - Hilary Summers
Les Arts Florissants o.l.v. Jonathan Cohen

Het verhaal van Dido en Aeneas is eigenlijk het omgekeerde van (de derde akte van) Tristan en Isolde: Dido maakt er een einde aan door het vertrek van Aeneas; Tristan door de komst van zijn geliefde. In de Dido vertrekt Aeneas naar zee; in de Tristan komt juist Isolde aangezeild. Ik kwam hierop door de gedachte dat ook Dido en Aeneas best aardige thematiek voor Wagner was geweest: ultieme liefde, zeilboten en zeelui, een hof aan zee, mytische achtergronden...
Enfin, bij Wagner moet je om vijf uur gereed zitten en sta je pas tegen elf uur goed en wel op straat. Bij Purcell kun je tussen het aperitief en diner even op de fiets op en neer naar de Stadsschouwburg voor zijn opera. Maar het uurtje dat je in de zaal zit beleef je wel uiterst intens. De handeling is volledig ingekookt tot de ultieme essentie, en welhaast iedere minuut vindt er een stemmingswisseling plaats. Deze productie doet een beroep op al je zintuigen: er gebeurt zoveel voor oog en oor, dat je na afloop volledig voldaan bent. Het begint al ruim voor de eerste noot klinkt: op het toneel wordt zogenaamd nog aan het decor gebouwd, spelen de kinderen alvast hun spelletjes en maken de acrobaten hun spieren los. Ook tijdens de eigenlijke opera is er voortduderende beweging; zelfs de hoge bomen op het achtertoneel komen halverwege even van hun plaats. Maar goed, je kijkt je ogen uit bij deze schitterende toneelbeelden. Er wordt intens gezongen door Ernman, Pisaroni, Van Wanroij en Summers; het slot van de opera grijpt je naar de keel - wat is dat 'When I am laid' toch subliem. Zeker wanneer het als een heuse sterfscene is geënsceneerd.

03 oktober 2009

Concert 2 oktober 2009


Vrijdag 2 oktober 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniel Harding

Janácek: Lachische dansen
Mahler: Symfonie nr. 1


Na de relatief lichtvoetige, en warmbloedig gespeelde Lachische dansen van Janácek de start van het tot juni 2011 durende Mahler-project van het KCO. De jonge Daniel Harding is de relatieve lichtgewicht van deze serie, maar hij logenstrafte enige gedachte over een daardoor minder interessante uitvoering. Want ik vond deze Eerste Mahler bijzonder goed. Harding koos relatief langzame tempi, liet het orkest uitermate doorzichtig spelen (in de tutti van het vierde deel bijvoorbeeld waren de klarinetten soms goed te horen) en bracht tegelijkertijd een muzikaal-vloeiende uitvoering. Waar op cd de kerstmatinee-Haitink, Abbado, Bernstein en Jansons vooral de contrasten benadrukken, legde Harding de nadruk op de intieme en dromerige aspecten van deze symfonie. Dit was vooral een introverte benadering, en met zulk fraaie afgewerkt orkestspel als deze avond leverde dat een mooie uitvoering op. De zwierigheid in het tweede en derde deel waren exemplarisch en klonken zeer weens. Goed dat ook de harp alle nadruk kreeg. Ja, gewoon erg fraai deze Eerste Mahler.

01 oktober 2009

Mahler 1


Ik heb mezelf getrakteerd op een abonnement op de Mahler-serie van het KCO. Tot juni 2011 speelt het orkest alle symfonieën en Das Lied von der Erde. In de keuze van de dirigenten speelt het orkest niet louter op safe. Met Jansons (2, 3 en 8), Haitink (9), Boulez (7) en Inbal (10) staan gelouterde Mahler-dirigenten voor het orkest. Maar met Harding (1), Gatti (5) en Maazel (6) kan het alle kanten op. Ik kijk het meest uit naar de Jansons-concerten en naar Boulez en Fischer (4). Maar eigenlijk naar de hele serie, want die vormt een mooie aanleiding om het symfonische werk van Mahler gefaseerd opnieuw te doorgronden.
Ik ben van plan analoog aan de concerten een vergelijkende discografie van mijn Mahler-cd-collectie te doen. Van alle symfonieën heb ik meerdere uitvoeringen in de kast staan; boeiend om die eens te vergelijken. Hoe aardig het idee ook, het is geen licht werk. Van de Eerste symfonie heb ik op de één of andere manier in de loop der tijd tien uitvoeringen op cd weten te verzamelen. Die draai je niet zomaar op een zondagmiddag… En bij de Zesde (ik geloof negen uitvoeringen op cd) moet ik oppassen dat ik halverwege niet aan de Prozac moet.

De Eerste Mahler was ook mijn eerste kennismaking met zijn muziek. Het is voor de ongeoefende luisteraar, met zijn Vierde, zijn meest toegankelijke symfonie. Opvallend is de relatieve hoge kwaliteit van deze Eerste. Waar veel andere grote componisten met hun eerste symfonie nog aan het opwarmen zijn, leverde Mahler op zijn 28ste meteen een origineel, eigenzinnig en groots werk af. Het eerste deel vind ik erg intens, zeker de ijl klinkende vogeltjes-passage na de (herhaalde) expositie: origineel, briljant georkestreerd, dreigend. Het tweede en derde deel zijn relatieve rustpunten, maar ook daarin zijn er dreigende elementen. Alles komt in het slotdeel tot uitbarsting, in een fraaie afwisseling van hard en zacht, storm en rust, kakafonie en lyriek.

Zoals gezegd: er staan 10 opnames in mijn cd-kast. Daarvan laat ik drie opnames buiten deze vergelijking: Tennstedt, Muti en Bernstein uit de RCO-live Anthology box. Deze laatste betreft een opname van één concert uit een serie van meerdere, waaruit DG een commerciële opname samenstelde; deze DG-opname doet wel mee aan deze vergelijking. Er ontbreken natuurlijk ook opnames die hier misschien wel thuis hadden gehoord (Boulez, Solti, Walter). Maar je kunt niet alles hebben. Dat geldt ook voor ons allen: het blijft een raadsel waarom Von Karajan nooit een opname van deze symfonie heeft gemaakt; dat had zeker tot een interessant resultaat geleid.
De zeven opnames van deze Eerste Mahler die ik de afgelopen twee weken heb beluisterd bieden allemaal voldoende kwaliteit. Een slechte opname zit er eigenlijk niet tussen. De verschillen zijn soms minimaal, zeker in het slotdeel. Daar weten alle dirigenten wel raad mee: blijkbaar een deel dat nauwelijks ruimte voor interpretatie laat. Het blijkt bovendien lastig precies de verschillen tussen de opnames onder woorden te brengen. Die zijn soms zo minimaal, dat het benoemen daarvan de verschillen meer nadruk geven dan ze verdienen.


De oudste opname in deze vergelijking is van Carlo Maria Giulini en het Chicago Symphony Orchestra, dateert uit 1971 en neemt een bijzonder positie in de collectie in: Carlo Maria Giulini maakte slechts drie Mahler-opnames en geldt niet als een Mahler-dirigent. Enkele jaren later zou hij met hetzelfde orkest de Negende opnemen, en weer later in Berlijn Das Lied von der Erde, en daar bleef het bij. Maar deze Eerste bevestigt de grootheids van Giulini’s stijl. Het eerste deel sleept teveel en klinkt te hoekig en bonkig, maar in het tweede en derde deel verricht hij grootse daden. Het trio in het Scherzo klinkt neo-Brahms, en geen andere dirigent onderscheidt zich zo met het gedragen tempo van het derde deel. Het middendeel klinkt kamermuzikaal en ontroerend intiem. De finale wordt groots, breed, warmbloedig, maar uiterst secuur gespeeld.

Vrijwel gelijktijdig maakte Bernard Haitink met het Concertgebouworkest zijn tweede opname van dit stuk. Kort na zijn benoeming als chefdirigent werd al een opname gemaakt (ik geloof in 1961), maar deze werd door Haitink als jeugdzonde verworpen. Voor de in opbouw zijnde serie Mahler-opnamen werd in 1972 opnieuw deze Eerste op de lessenaars gezet. Het is een typische ‘vroege’ Haitink: relatief licht, vloeiend en vooral voor zichzelf sprekend. De uitvoering staat als een huis, is coherent en krachtig.

Vier jaar later startte Haitink de Mahler-Kerstmatinees, te beginnen met deze Eerste. De uitvoering vormt – hoe bijzonder! – in stijl een eenheid met de andere Kerstmatinee-Mahlers van de tien jaar hierna: dreigend, fel, dikwijls sneller dan gebruikelijk, dramatisch, en in deze Eerste soms zelfs overrompelend (Finale). De enorme intrinsieke kracht, passie en gedrevenheid zijn verbluffend; zo kan dit stuk dus óók klinken.

In oktober 1987 stond tijdens een regulier concert in de D-serie waar ik op geabonneerd was Leonard Bernstein voor het orkest. DG fabriceerde van de serie concerten een commerciële opname als onderdeel van de Mahler-serie die Bernstein maakte met de drie orkesten die Mahler zelf ooit gedirigeerd heeft: de New York Philharmonic, de Wiener Philharmoniker en het Concertgebouworkest. Deze opname heeft voor mij een bijzondere lading omdat ik zelf in het publiek zat, maar los van dat: dit is de beste van deze vergelijking. Het eerste deel is gedetailleerd, spannend en toch ook vloeiend; de glissandi zijn erg fraai gerealiseerd. Het tweede deel is relatief langzaam, maar zowel analytisch als muzikaal. Het derde deel wordt dan weer wat vlotter genomen; hoe fraai spelen de viool en hobo die prachtige passage in het middengedeelte. De finale is flitsend en groots. Van de live-uitvoering herinner ik me vooral het moment waarop de hoorns gingen staan, precies volgens de aanwijzingen in de partituur! Bij Bernstein denk je dan eigenlijk aan overdrijving, maar dat is hier geenszins het geval. Wel interpreteert hij de aanwijzingen van Mahler in de partituur soms wat letterlijker dan andere dirigenten, maar wat is daarop tegen? Dit is de meest coherente en idiomatische uitvoering van dit zevental.


Twee jaar later maakte DG ook in Berlijn een live-opname, van de Berliner Philharmoniker onder leiding van Claudio Abbado. Tijdens de periode Von Karajan waren de symfoniën van Mahler geen standaard-repertoire, en dat hoor je in deze opname. Het orkest is nog niet volledig vertrouwd met deze muziek, en ook Abbado dwingt geen coherente lezing af. Maar het geweldige orkestspel en het feit dat je Abbado hoort schaven aan de uitvoering maakt dit wel een spannende opname. En Abbado is een verhalenverteller, en haalt hier het onderste uit de kan.

Tijdens het Mahlerfeest in 1995 betekende de uitvoering van Mahlers Eerste de doorbraak van Riccardo Chailly als Mahlerdirigent. De opname valt echter in deze vergelijking fors tegen. Het KCO speelt weliswaar prachtig, maar Chailly dirigeert gemaniëreerd. Hij legt de nadruk op nagenoeg alle details; vermoeiend en betweterig. Alsof hij wil zeggen: kijk mij eens alles doorhebben van deze muziek. De grote lijn wordt volledig opgeofferd aan alle details; dat is prettig om die allemaal eens gepresenteerd te krijgen, maar erg idiomatisch is het niet. Helaas!

In augustus 2006 speelde het KCO o.l.v. Mariss Jansons de Eerste tijdens een zomerconcert, en ook later dat najaar nog een paar keer. Van al die concerten werd een RCO-live opname gemaakt, die in deze vergelijking hoge ogen gooit en wat mij betreft alleen Bernstein voor moet laten gaan. Jansons ontlokt in elk geval aan het KCO het beste orkestspel, maar daarnaast is zijn opvatting evenwichtig, gedreven, markant. Hij overdrijft nergens, maar drukt wel een eigen pulserende stempel op het stuk.

Samenvattend: de oudere opnames van Giulini en Haitink zijn interessant voor wie deze grote dirigenten een warm hart toedraagt. Ze bieden beide prima uitvoeringen. Interessanter zijn de live-opnames van Haitink tijdens de Kerstmatinee en van Abbado: hier regeren de kracht van het live-moment. Chailly valt tegen door zijn overbelichting van de details. De beste, krachtigste, evenwichtigste en meest gedreven uitvoeringen komen van Bernstein en Jansons, beide met het (Koninklijk) Concertgebouworkest; beide opnames zijn samengesteld uit meerdere live-opnames, en bij allebei zit ik bij een van die uitvoeringen in de zaal. Bernstein trekt bij mij uiteindelijk aan het langste eind: hij legt net iets meer persoonlijkheid en diepte in de uitvoering, zonder te overdrijven.

Opera 30 september 2009


Woensdag 30 september 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Halévy: La Juive

Rachel - Angeles Blacas Gulín
Eléazar - Dennis O'Neill
Léopold - John Osborn
Eudoxie - Annick Massis
Cardinal de Brogni - Alastair Miles
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Carlo Rizzi

Tweede keer naar La Juive, en geen spijt. Er zijn vele zwakke momenten in deze lange opera, maar de spaarzamere sterke momenten vergoeden alles. Al die overgangen middels pizzicati.... En de finale van het eerste en tweede bedrijf lijken inhoudelijk sterk op elkaar; steeds voortdurend roepen dat de situatie verwarrend is (á la Rossini); tja, dat schiet niet echt op. Maar zoals opgemerkt bij mijn vorige log: naarmate de opera vordert neemt de kracht ervan toe. La Juive is overigens een van de weinige opera's waarvan het verhaal ijzersterk en tijdloos is. De thematiek is actueel, en ook sterk invoelbaar. De confrontatie van wereldlijke en religieuze krachten: bijzonder scherp allemaal. Die confrontatie vormt ook de kern van de enscenering, wat een schitterend toneelbeeld steeds. En wat een dubbele gelaagdheid in de verhaallijn. Iedereen is gevangene van zijn eigen situatie en halsstarrigheid, en hoe begrijpelijk die ook zijn: ze vallen er allemaal aan ten prooi. De virtuoze aria's van prinses Eudoxie worden door Annick Massis uitstekend gezongen; Angeles Blacas Gulín behoudt de gehele voorstelling kracht van stem en Dennis O"Neill grijpt je in zijn aria aan het slot van het vierde bedrijf naar de strot. En het orkest speelde onberispelijk. Rizzi dirigeert ogenschijnlijk achteloos, maar hij heeft de boel volledig onder controle. Toch weer een mooie avond.

27 september 2009

Concert 26 september 2009


Zaterdag 26 september 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Neeme Järvi
Alban Gerhardt, cello

Tüür: Aditus
Prokofiev: Sinfonia concertante
Von Weber: Ouverture en mars uit 'Turandot'
Hindemith: Symfonische metamorfosen


De D-serie van het nieuwe seizoen begon met dit wat bonte repertoire, waarin de Sinfonia concertante van Prokofiev en de Symfonische metamorfosen van Hindemtih de hoofdschotel vormden. Als aperitief een stevig klankvol stuk van de Estse componist Erkki-Sven Tüür, waarschijnlijk een goede bekende van landgenoot Järvi. De Sinfonia concertante van Prokofiev had ik nog nooit eerder gehoord, en bleek een prachtig virtuoos en hondsmoeilijk stuk, dat door de mij even onbekende als geweldig spelende cellist Alban Gerhardt technisch nagegoeg perfect werd gespeeld. Bovendien was het samenspel met het orkest bijzonder fraai: ook in de luidere passages bleef je de cello horen; goed gedirigeerd door Järvi derhalve. De Turandot-ouverture van Von Weber was een programmatische opmaat voor de Symfonische metamorfosen van Hindemith: in het tweede deel daarvan heeft Hindemith zich op het Von Weber-stuk gebaseerd. Die hele Symfonische metamorfosen vormen een lekker stuk: beetje modern, beetje jazz, beetje boersigheid, beetje mooispelerij - alles bij elkaar een goed orkestwerk. Het KCO speelde het meer op routine dan op het scherpst van de snede, maar dan nog voldoende goed om ervan te kunnen genieten. Om het publiek na afloop toch nog tot de gebruikelijke staande ovatie uit te nodigen werd de mars uit het Von Weber-stuk herhaald: Jarvi dirigeerde met in zijn linkerhand de bos bloemen en in de rechter zijn dirigeerstok. Thuis moest ik andere muziek opzetten om dat steeds herhaalde thema uit mijn hoofd te krijgen.

09 september 2009

Opera 8 september 2009


Dinsdag 8 september 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Halévy: La Juive

Rachel - Angeles Blacas Gulín
Eléazar - Dennis O'Neill
Léopold - John Osborn
Eudoxie - Annick Massis
Cardinal de Brogni - Alastair Miles
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Carlo Rizzi

La Juive is een specimen van de grand opéra, maar opvallend zijn de vele intieme en breekbare scenes en passages. Bij de term grand opéra denk je aan golven geluid, maar dat blijkt een misvatting. Een muzikaal meesterwerk is dit werk uit 1835 zeker niet; met name in de eerste en tweede akte komt de muzikale handeling maar niet uit zijn cocon - ik zat tijdens deze twee bedrijven enkele keren stevig te verlangen naar een opzwellende melodie of interessante muzikale gedachte. Dat wil niet zeggen dat die eerste twee aktes slecht zijn; het openingsensemble aan het begin van het tweede bedrijf is bijzonder sfeervol. In de derde akte bloeit de muziek opeens op - het leek wel alsof Halévy een bijzondere voorkeur voor de rol van prinses Eudoxie had, want de scenes waarin zij optreedt zijn muzikaal erg fraai gecomponeerd. Maar goed, tot zover de kanttekeningen. Want ik heb een uitermate interessante opera gehoord, waarin vijf prima tot uitstekende zangers de centrale handeling vertolken, het orkest onder leiding van Rizzi uiterst verzorgd en subtiel begeleidde, en die - ik kan niet anders zeggen - subliem geënsceneerd is. Het toneelbeeld behoort tot de fraaiste die ik ooit zag. Evenals bij Carmen worden de bedrijven die op verschillende plaatsen afspelen door hetzelfde materiaal uitgebeeld. En laat de tandem Audi-Tsypin maar zijn gang gaan! Wat was het mooi en effectief. Hoogtepunt: de ononderbroken overgang van het vierde naar het vijfde bedrijf.
Interessante overweging: zonder Halévy een muzikale grootheid te willen noemen, heeft hij met deze opera toch zeker een stap in de operageschiedenis gezet. Het stuk dateert uit 1835; welke grootse romantische voorgangers in dit genre waren er toen al eigenlijk? Met Guillaume Tell van Rossini en de opera's van Von Weber heb je het dan wel eigenlijk gehad (ik laat de andere opera's van Halévy en Meyerbeer even buiten beschouwing - want je kunt jezelf niet als lichtend voorbeeld gebruiken. Of was Meyerbeer dan de baanbreker?). Daar heeft de muziek in La Juive soms wel het midden van: een beetje Rossini- en Von Weber-achtige riedeltjes. Maar La Juive is zeker niet in Rossini- of Von Weberstijl geschreven. Enfin, om verder over te piekeren. Dat ga ik zeker doen in de aanloop naar en tijdens mijn tweede bezoek aan deze opera, aan het einde van de voorstellingenreeks. En een componist die een aria orkestraal inleidt door een solo door twee cors anglais was zeker geen gemakzuchtige luiaard.

27 augustus 2009

Concert 26 augustus 2009


Woensdag 26 augustus 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Magdalena Kozená, mezzo-sopraan

Sibelius: Symfonie nr. 1
Duparc: L'invitation au voyage
Duparc: Extase
Duparc: Le manoir de Rosemonde
Duparc: Chanson triste
Duparc: Phidylé
Ravel: Daphinis et Chloé - Suite nr. 2


Na het stevig-wellluidende Duits-Russische programma van afgelopen zaterdag vanavond de fijnzinnige Fins-Franse tegenhanger. Jazeker, ook dit concert was weer een geweldige onderstreping van het feit dat er tien minuten fietsen van mijn huis (ik hoef slechts de hoek om en dan gewoon rechtdoor) een gebouw staat met een huisorkest erin dat een verwende muzikale gehoorfreak haast iedere keer opnieuw uitdaagt om nieuwe superlatieven te bedenken. En was in de tijd van Haitink en daarna ook met Chailly de chef op de bok de regel, nu is dat met Jansons een uitzondering en staat het orkest (uit zichzelf al een toporkest) met deze topdirigent 'am Pult' bij voorbaat op scherp. Wanneer het orkest zich daarbij volledig vertrouwt voelt met de uit te voeren muziek, dan is 1 plus 1 per definitie minstens 3, zoals afgelopen zaterdag in Sjostakovitsj, en deze avond in Ravel. Die Tweede suite uit Daphinis et Chloé vind ik een raar geval. Bij een complete uitvoering van de Daphnis et Chloé zit je eigenlijk ruim een half uur te wachten op het moment waarop juist deze suite begint: het Lever du jour is zo ongelooflijk prachtig dat mij eens bij een volledige uitvoering onder Haitink op dat climaxmoment spontaan de tranen in de ogen sprongen. De KCO-opname van Chailly is juist in dat Lever du jour ongeëvenaard mooi (de fluiten!). Maar: met deze Tweede suite op het programma val je als luisteraar meteen, maar dan ook direct in dit sublieme moment. Tja, daar is in de muziek niet voor niks de langzame inleiding of de opmaat voor uitgevonden. Seks die meteen met een orgasme begint is ook niet alles... In deze Tweede suite wordt dus het zwaartepunt verlegd naar die fluitsolo en naar de extatische finale. Tja, daarin waren Emily Beynon, de rest van het KCO en Jansons in hun element. In het programma na de pauze klonken daarvoor vijf liederen van Duparc, die ik alleen in hun oorspronkelijke versie met piano ken. Met orkest zijn deze liederen nog fraaier, zeker wanneer ze gezongen worden door Kozená, die twee jaar geleden onder Haitink bij mij diepe indruk maakte als Mélisande en een half jaar geleden samen met Rattle in liederen van Berg de Rotterdamse Doelen de adem ontnam. Ik zat vanavond op het zijbalkon, en daar vond ik de verhouding tussen haar stem en het orkest niet helemaal ideaal. Het orkest was net iets te overheersend. Ondanks dat: wat een prachtmuziek en wat een subtiliteiten in klank; Phidylé bracht me even los van het hier en nu. De toegift kon en kan ik niet thuisbrengen. Ik heb een cd van alle Duparc-liederen gezongen door José van Dam, maar daarop geen lied dat ik met die toegift kan associëren. Of was het toch 'Le galop'? Voor de pauze de Eerste van Sibelius. Daarover heb ik me zowel tijdens als na de uitvoering voortdurend zitten afvragen wat er toch mee aan de hand was. Het KCO is geknipt voor deze geweldige muziek, maar speelt het simpelweg te weinig. Jansons hanteerde relatief langzame tempi en dan komt het bij deze subtiele en eigenaardige muziek aan op volledige beheersing. En hoe fraai het orkest ook klonk, en hoeveel geweldige nieuwe details ik hoorde, ik vond het orkest ontzettend onzeker klinken; alsof het ieder moment uit de bocht kon vliegen. Enkele hout- en koperblazers en ook de paukenist zaten er allemaal wel ergens net een tikkie naast, en dat leek me uitsluitend te wijten aan de onbekendheid met dit stuk. In Preludium staat gewoonlijk de uitvoeringshistorie van gespeelde stukken, maar die informatie ontbrak nu in de Robeco-kraak-papieren. Volgens mij is het lang geleden dat het KCO deze Eerste Sibelius op de lessenaars had staan; ik heb het ze nog nooit eerder horen spelen. Tja, Sibelius is net als Bruckner en Mahler: die moet je op/in je genen hebben zitten. En dat heeft het KCO helaas (nog) niet. Jansons is de eerste KCO-chefdirigent sinds tijden die Sibelius bij zijn orkest dirigeert, maar de Finse meester is echt dé blinde vlek van het KCO. Goed, een lang verhaal, maar het concert van deze avond bezorgde me nogal wat hoofdbrekens. Het was allemaal ontzettend mooi, ik zou haast zeggen: subliem. Maar volledig perfect vond ik het als verwende gehoorfreak niet. Wel memorabel, vandaar deze log. (De afbeelding hieronder is een ets van Marcel Vertes uit 1951: Daphnis et Chloe.)

25 augustus 2009

Concert 22 augustus 2009


Zaterdag 22 augustus 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons

Schnittke: Ritual
Haydn: Symfonie nr. 100
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 10


Van 6 tot 11 juni 1995 vonden er in het Concertgebouw zes bijzondere concerten plaats. Het Orkest van de 18e eeuw o.l.v. Frans Brüggen speelde toen alle Londense symfonieën, tijdens ieder concert twee, van elkaar gescheiden door een aria gezongen door Charlotte Margiono. Deze concerten begonnen om 23.00 uur, hadden geen pauze en waren een uurtje later, dus rond middernacht, weer afgelopen. De zaal zat hooguit halfvol, en vlakbij mijn mooie plaats in het midden van de zaal zat tijdens enkele van deze zes concerten Mariss Jansons, die die dagen bij het KCO dirigeerde. Ik moest hieraan denken toen aan het slot van de Militaire van Haydn de trom en bellen van achteruit de zaal in kwamen en het slot van deze verrukkelijke symfonie een nog vrolijker karakter gaven. Want tijdens de uitvoering o.l.v. Frans Brüggen op 6 juni 1995 gebeurde iets vergelijkbaars. Zou Jansons het idee toen opgedaan hebben? Enfin, het effect was groots, maar daarvoor had al een weliswaar relatief traditionele, maar uiterst transparant gespeelde uitvoering van dit meesterwerk geklonken. Werkelijk iedere orkestgroep bleef voortdurend hoorbaar; wat speelde het orkest groots. Zo ook in de Tiende van Sjostakovitsj, die ik eigenlijk altijd al een wat overgewaardeerde symfonie vond. Het stuk kwam regelmatig voorbij, maar echt overtuigend heb ik het nooit gevonden. Tot deze avond. Zo overweldigend en spetterend kan dit stuk dus ook klinken; Jansons is toch echt een tovenaar. Het is bij Sjostakovitsj soms wel meer van hetzelfde, maar boeiend is zijn muziek bijna altijd. En wanneer deze zo glansrijk, krachtig en gedetailleerd-pulserend wordt gespeeld als tijdens dit concert zit je op het puntje van je stoel. Het concert opende al fraai door het welluidende Ritual van Schnittke, dat fraai wegstierf. Het orkestseizoen kon niet beter beginnen!

22 augustus 2009

Opera 20 augustus 2009


Donderdag 20 augustus 2009, Weststellingwerf
Opera Spanga

R. Strauss: Elektra

Elektra - Francis van Broekhuizen
Klytemnestra - Klara Uleman
Chrysothemis - Maaike Widdershoven
Orest - Anthony Heidweiller
Spanga Festival Orkest o.l.v. David Levi

Toen vrienden vertelden dat ze naar een uitvoering van de Elektra in het Weststellingwerfse boerenland zouden gaan en mij vroegen 'Ga je mee?' bestelde ik enkele dagen voor de voorstelling via de website een kaartje voor deze donderdagavond. Het werd een gedenkwaardige avond! Uiteraard door de uitvoering en enscenering van deze heftigste aller Strauss-opera's. Een gelegenheidsorkest van zo'n 35 man (waar normaal een orkest van drie keer zo groot aantreedt), en zangers die nooit op de grote podia te zien zullen zijn. Maar desondanks: een bijzonder overtuigende en pakkende Elektra. Francis van Broekhuizen zong zeer behoorlijk en ook de twee andere damesrollen waren voldoende krachtig bezet. Je gaat niet naar Opera Spanga voor een eersteklas topuitvoering, maar dit was een derderangs topuitvoering! De enscenering had wél zo op de grote podia gekund. Wanneer Elektra en Orest na hun hereniging op de wip gaan zitten, is een regelrechte vondst; beiden keren dan even weer terug naar de tijd waarin ze van elkaar werden gescheiden. De kracht van de voorstelling werd door de natuur subliem ondersteund. Op het moment dat de voorstelling zou beginnen barstte net het onweer los waarvoor het KNMI een weeralarm had afgegeven. Gelukkig viel het allemaal mee en omdat door een blessure bij de dirigent het geheel toch al een half uur later kon beginnen, was het ergste bij aanvang van de muziek alweer achter de rug. Maar het eerste uur werd het bühnebeeld door prachtige weerlichten omlijst. Tijdens de monoloog van Elektra een paar keer op de juiste momenten. Ik nam bovenstaande foto met mijn mobiele telefoon, een halfuurtje voor aanvang vanaf mijn zitplaats. Dan valt voor te stellen hoe zo'n onweer dan kan meehelpen (als je erop klikt komt-i wat groter op je scherm). De scenefoto hieronder is van de website van Francis van Broekhuizen (fotograaf Maarten van de Velde).
Op YouTube is een opname van de de laatste twee minuten te horen en te zien - klik hier.

13 augustus 2009

Concert 9 augustus 2009


Zondag 9 augustus 2009, Concertgebouw Kleine Zaal Amsterdam
Ronald Brautigam, fortepiano

Beethoven: Pianosonate nr. 27
Beethoven: Pianosonate nr. 28
Beethoven: Pianosonate nr. 30
Beethoven: Pianosonate nr. 31
Beethoven: Pianosonate nr. 32


Met de Hammerklaviersonate vormen de vier sonates 28 en 30-32 van deze avond de 'late pianosonates' van Beethoven, waarin de eigenzinnigheid en onnavolgbaarheid hoogtij vieren. Het zijn stukken die je nooit zomaar even beluistert, maar die je altijd tot concentratie dwingen. Zo'n concert in die intieme Kleine Zaal vol stille aandachtige luisteraars is dan een intense happening, zeker ook door het uitdagende spel van Brautigam. In de Sonate nr. 28 op. 101 en met name het middendeel van nr. 31 op. 110 leidde dat tot de nodige missertjes, maar die meesterlijke Thema en variaties uit nr. 30 op. 109 en de Arietta uit nr. 32 op. 111 slaagden wonderwel. Maar missertjes of niet: Brautigam is een uitstekend pianist die het grillige karakter van deze stukken haarfijn trof. Hij is geen Pollini, Goode of Gilels van wie ik prachtige cd-opnames in mijn kast en op mijn iPod heb staan, maar hij verzorgde wel twee mooie recitals.

12 augustus 2009

Concert 7 augustus 2009


Vrijdag 7 augustus 2009, Concertgebouw Kleine Zaal Amsterdam
Ronald Brautigam, fortepiano

Beethoven: Pianosonate nr. 24 'Für Therese'
Beethoven: Pianosonate nr. 25
Beethoven: Pianosonate nr. 22
Beethoven: Pianosonate nr. 26 'Les adieux'
Beethoven: Pianosonate nr. 29 'Hammerklavier'


Ik kom gemiddeld iedere anderhalf à twee weken in het Concertgebouw, maar de laatste keer dat ik een concert in de Kleine zaal bezocht is al zeker enkele jaren geleden; volgens mij is dit de eerste muzieklog van een concert in de Kleine Zaal (en deze log is nu bijna drie jaar oud). Enfin, beter laat dan nooit, en dit en het hiernavolgende concert pasten perfect juist in die Kleine Zaal. Ronald Brautigam speelde in zes concerten alle pianosonates van Beethoven; ik kocht een los kaartje van de laatste twee concerten met de late sonates. Het zijn de sonates waarin Beethoven de al eerder in gang gezette ontworsteling aan de vaste sonatevorm omzet in een geheel persoonlijke vorm, even grillig als onnavolgbaar. Maar altijd meesterlijk. Het is dit inzicht die juist deze twee concerten - anders dan thuis op cd of bij uitvoering van een losse sonate als onderdele van een recital - zo speciaal maakten. Want die ogenschijnlijk zo braaf ingezette sonate nr. 22 op. 54 kent een tweede deel waarna pianist en luisteraar met tong op de knieën achterblijven. Maar goed, hoe fraai die andere sonates nr. 24-26 ook zijn, bij de Hammerklavier verbleekt eigenlijk alles - het Adagio is voor mij het ultieme pianostuk. Brautigam speelde prima. Niet feilloos, maar gedurfd en stevig aangezet. En om de Hammerklavier op een Hammerklavier te horen door zo'n goede pianist die zelf ook een beetje aan Beethoven doet denken...

27 juli 2009

Concert 26 juli 2009


Zondag 26 juli 2009, Concertgebouw Amsterdam
Pieter Wispelwey, cello

Bach: 6 Suites voor cello

Bij pianorecitals in de Grote Zaal vind ik het al zo'n fascinerend gezicht: louter een piano op het podium en dan opeens een meneer die daarachter plaatsneemt en dan het toegestroomde publiek in zijn ban houdt. Deze avond een nog fascinerender aanblik: slechts de kleine verhoging en een kruk, en dan Pieter Wispelwey die met zijn gezicht recht naar de Grote Zaal van half acht tot tegen elf uur uit zijn hoofd (!!) de zes suites voor cello speelt; 36 afzonderlijke delen louter subliem, subliemer, subliemst. Wat ik met Bachs Sonates en Partita's voor viool niet heb, heb ik in overvloedige mate juist wel met zijn Suites voor cello: het gevoel van ultieme muzikale essentie. Zegt Bach in deze Suites eigenijk niet alles wat er via klanken gezegd kan worden...? Daarmee wil ik alle overige muziek bepaald niet declasseren, maar deze Suites zijn zo rijk als muziek maar rijk kan zijn. En Wispelwey speelde prachtig, uitdagend, volbloedig en eigenzinnig. En zijn cello vulde de Grote Zaal alsof die zaal ervoor ontworpen was. Tja, een uitmuntende cellist in die prachtige zaal, en dan die cellosuites van Bach...

07 juli 2009

Concert 28 juni 2009


Zondag 28 juni 2009, Concertgebouw Amsterdam
Viktoria Mullova, viool
Pieter Wispelwey, cello
Kristian Bezuidenhout, fortepiano

Haydn: Pianotrio in E, Hob.XV:28
Haydn: Pianotrio in C, Hob.XV:27
Schubert: Pianotrio nr 2, D929


Een ruim halfvolle Grote Zaal voor drie verrukkelijke pianotrio's, gespeeld door drie meer dan uitstekende instrumentalisten. Dit was geloof ik de eerste keer dat ik naar een pianotrio-concert ging, wat een heerlijkheid deze avond! Van Haydn heb ik weliswaar de doos met complete pianotrio's gespeeld door het Beaux Arts Trio, waarvan ik enkele stukken via mijn iPod regelmatig beluister, maar deze twee in E en C had ik nog niet eerder opgezet. Ze staan inmiddels op mijn iPod - het is prachtige muziek waarin Haydn (meer nog dan met zijn symfonieën) de ware wegbereider van Beethoven blijkt. En waarmee je moeiteloos een hele avond kan vullen; doe er nog maar eentje als het stuk uit is. Na de pauze misschien wel het grootste pianotrio uit de muziekliteratuur: het dramatische Pianotrio in Es van Schubert. Ook daarvan bezit ik een opname van het Beaux Arts Trio, dat ik meer dan regelmatig draai - het is een onbetwist meesterwerk. Naast de sublieme melodie van het Andante - en wat een ontwikkeling in dit deel! - zijn het ook de tweede thema's van het openings- en slotdeel die je bij je lurven grijpen. Maar ook als bouwwerk is het stuk meer dan groots: met zijn ruim 40 minuten is het van symfonische lengte. Mullova, Wispelwey en Bezuidenhout zijn ieder grootheden op hun instrument, echter ook als ensemble klonk alles bijzonder homogeen. De klank van de fortepiano moest het in de climax van het Andante uit het Schubert-trio afleggen tegen de cello en de viool, maar verder klonken hier drie uitstekende uitvoeringen. Twee aparte afbeeldingen van de vader en de grootmeester van het pianotrio...

28 juni 2009

Opera 22 juni 2009


Maandag 22 juni 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Bizet: Carmen

Carmen - Nadia Krasteva
Don José - Yonghoon Lee
Escamillo - Kyle Ketelsen
Micaëla - Genia Kühmeier
Koor van de Nederlanse Opera
Koninklijk Concdertgebouworkest o.l.v. Marc Albrecht

Tweede keer Carmen. Inmiddels bekend dat de recensenten niet onverdeeld positief waren, maar mij niet goed konden aantonen waarom ze het geen succesvolle productie vonden. Ook schijnt Albrecht niet goed te liggen bij het KCO, wat geen negatief effect op het klinkend resultaat blijkt te hebben. Ik blijf het een geweldige productie vinden, waarin de zangprestaties van Lee en Kühmeier opmerkelijk zijn: twee jonge zangers die in de jeugd van hun carrière staan maar juist daardoor zo overtuigen. Krasteva is een natuurlijke Carmen, niet in de laatste plaats door haar acteerkunst. En de enscenering is eenvoudig doch geniaal. Met eenzelfde decor als basis vier verschillende situaties neerzetten die er geloofwaardig uitzien: alleen dat al is erg goed gedaan. Het volle podium in de vierde akte (of is het eigenlijk het tweede tableau van de derde akte?) blijft een lust voor het oog. Mijn hoogtepunt van de voorstelling: de Air Je dis que rien ne m'épouvante van Micaëla in de derde akte: schitterend gezongen door Kühmeire, geweldig doorzichtig en zijdezacht begeleid door het KCO en ook Bizet is hier op zijn best: dit is Ravel in de dop (die overigens vier dagen na de première van Carmen werd geboren).

16 juni 2009

Opera 15 juni 2009


Maandag 15 juni 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Bizet: Carmen

Carmen - Nadia Krasteva
Don José - Yonghoon Lee
Escamillo - Kyle Ketelsen
Micaëla - Genia Kühmeier
Koor van de Nederlanse Opera
Koninklijk Concdertgebouworkest o.l.v. Marc Albrecht

Laat ik maar eens de recensies voor zijn en eigengereid 'the morning after' mijn mening geven over deze nieuwe productie van Carmen. Ik had het allerlaatste losse kaartje van deze première kunnen bemachtigen; volgende week volgt nog mijn reguliere abonnementsvoorstelling. Ik verheug me er nu al op want deze Carmen staat op gelijk niveau met de succesproducties van Die Frau ohne Schatten en La traviata, eerder dit seizoen: enscenering, zangers, koor en orkest zijn in perfecte harmonie. De enscenering van Robert Carsten is prachtig. De ronde tribune met stoeltjes wordt in het derde bedrijf treffend omgebouwd tot een kloof waar de vrijbuiters hun kamp hebben opgeslagen, en in het vierde bedrijf zit de tribune vol met koorleden en de vele figuranten, allen in zomerse dracht en dito gedrag. In alle situaties is er sowieso de boodschap dat daarvóór, in het brandpunt van de tribune cq de arena van de liefde, de centrale handeling plaatsvindt: de strijd tussen Carmen en Don José. De Bulgaarse Krasteva is een fraaie mezzo, die echter nog fraaier acteert; ontdekking van de avond is de jonge Koreaan Yonhoon Lee, die zowel uiterlijk als vocaal perfect bij zijn rol past. Uitdagende personenregie: Carsten laat Carmen en Don José tijdens het tweede bedrijf alles bij elkaar een minutje of twee vrijen op een verder leeg podium. Genia Kühmeier zingt gewoon mooi, mooier, mooist. Haar aria in het derde bedrijf was subliem, al even geweldig begeleid door het Koninklijk Concertgebouworkest onder Marc Albrecht, die hier lieten horen dat Bizet een voorloper van Ravel is. Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe Jansons Carmen gedirigeerd had, maar Albrecht leek hier de ideale dirigent. Het orkest speelde op zijn best; het is altijd goud wat er klinkt wanneer het KCO in de orkestbak van het Muziektheater zit, maar vanavond zat daar nog een extra schittering aan. De opera klonk ragfijn en transparant; nergens overdreven pathetisch, eerder subtiel; is dat het typisch Franse eraan? Carmen is een wat rare opera: er zitten prachtige muzikale vondsten in, en je hoort naast de meezingers een voortdurend dreigende ondertoon, maar de spreekteksten halen toch ook de vaart en eenheid uit de muziek, terwijl deze niet overal even consistent is opgebouwd. Maar ik denk dat deze muziek niet beter had kunnen klinken dan ik gisterenavond gehoord heb, en dan valt er verder niks te klagen. Integendeel!

31 mei 2009

Concert 26 mei 2009


Dinsdag 26 mei 2009, Concertgebouw Amsterdam
Orchestre des Champs-Elysées o.l.v. Philippe Herreweghe
Patricia Kopatchinskaya, viool

Beethoven: Vioolconcert
Beethoven: Symfonie nr. 3

Violiste Patricia Kopatchinskaya maakte er voor de pauze een visuele en interpretatieve show van. Het Vioolconcert van Beethoven voorzag ze van allerlei improvisatorische motieven, die eigenlijk best interessant waren. De cadens van het eerste deel was een een-tweetje met de paukenist, en ook in de overgang van het tweede deel naar het slotdeel speelde Kopatchinskaya een uitgebreide cadens. Naast deze noviteiten was er verder een prima vertolking van het Beethoven-concert, waarin de nadruk lag op de uitersten. Zacht was hier fluisterzacht (het langzame deel klonk werkelijk bijzonder fraai), en hard was bijzonder krachtig. Van mij mocht het wel zo, zeker ook vanwege de fraaie harmonie met het orkest van Herreweghe. Kopatchinskaya bediende het publiek na het concert nog van enkele Bartok-stukjes, deels samen met de concertmeester gespeeld, en deels voorzien van mondelinge klanken: erg grappig. De uitvoering van de Eroïca na de pauze vond ik echter het werkelijke hoogtepunt van het concert. Het Orchestre des Champs-Elysées van Herreweghe behoort tot de beste die er zijn. De muziek klinkt bij Herreweghe immer natuurlijk en beheerst, maar nergens vanzelfsprekend. Het Scherzo hoorde ik nog nooit zo subliem gespeeld; de transparantie die authentieke orkesten kenmerkt werd hier perfect uitgebuit. Een heerlijke uitvoering van de Eroïca. Als toegift nog het tweede deel uit de Paukenslag-symfonie van Haydn; dat smaakte naar meer!
Als ik me niet in mijn agenda vergis was dit mijn laatste geplande concert in het Concertgebouw van dit seizoen. Pas eind augustus heb ik weer de eerste concerten gepland staan. Drie maanden zonder Concertgebouwbezoek komt mij als onoverbrugbaar lang over. Ik ga maar eens kijken welke interessante concerten in de tussentijd gegeven worden.

25 mei 2009

Concert 22 mei 2009


Vrijdag 22 mei 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Gustavo Dudamel
Jean-Yves Thibaudet, piano

Chávez: Sinfonia india
Grieg: Pianoconcert
Prokofiev: Symfonie nr.
5

Een overrompelend, extatisch, uniek en sensationeel debuut van de pas 28-jarige Dudamel bij het KCO. Dudamel lijkt wel de Obama van de klassieke muziek: hij overtuigt meteen en op alle fronten, iedere reserve verdwijnt als sneeuw voor de zon. Wat vooral duidelijk was: Dudamel had het KCO niet alleen volledig in zijn greep maar de orkestleden straalden van begin tot eind een bovenmatig speelplezier uit. En dat vertaalde zich in een spetterende uitvoering van de inhoudelijk wat eendimensionale, maar ritmisch onweerstaanbare Tweede symfonie van de mexicaanse componist Carlos Chávez. Het stuk werd geweldig gespeeld, en knalde de zaal in. Het Pianoconcert van Grieg hoorde ik ooit eens fijnzinniger gespeeld door Leif Ove Andsnes, maar deze uitvoering was spannend, had grandeur en had in het tweede deel een bijzonder intieme sfeer. Hier liet Dudamel zich kennen als een uitstekend begeleider. In de Vijfde van Prokofiev zijn het vooral het tweede en vierde deel die me kunnen bekoren, en met name dat Allegro marcato werd werkelijk subliem gespeeld: bijtend, scherp, virtuoos. Maar ook in de meer lyrische delen 1 en 3 speelde het orkest prachtig en gedreven. Dudamel straalt een enorme energie uit die bij de orkestleden als vanzelf tot ontbranding lijkt te komen. Die jongen dirigeert met zijn hele ziel en zaligheid, maar tegelijkertijd ook met autoriteit. Enfin, inderdaad het natuurtalent waar iedereen hem voor houdt; hij heeft mij, de rest van het publiek en zeker ook het KCO daarvan in één klap overtuigd. Snel vastlegen voor een volgende keer!

24 mei 2009

Opera 18 mei 2009


Maandag 18 mei 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Janácek: De zaak Makropulos

Emilia Marty - Cheryl Barker
Albert Gregor - Raymond Very
Vítek - Guy de Mey
Kristina - Marisca Mulder
Jaroslav Prus - Dale Duesing
Janek - Andrew Tortise
Kolenatý - François Le Roux
Koor van De Nederlandse Opera
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin

Goed om deze productie die in 2002 in premiere ging nog eens terug te zien. Maar ik moet bekennen dat ik eventuele volgende reprises aan mij voorbij zal laten gaan. Dat ligt niet aan de prima enscenering van Ivo van Hove, of de meer dan uitstekende uitvoerenden. Maar vooral aan Janacék en mij; ofwel: ik houd niet zo van deze componist in het algemeen, en deze opera in het bijzonder. De muziek is geenszins modern, overwegend lyrisch (zeker bij Nézet-Séguin), maar deze bestaat uit kleine fragiele brokstukjes die nergens uitgroeien tot lange meeslepende bouwwerken. De dramatiek (ook in het verhaal) wordt pas in het laatste kwartier indringend, maar daarvoor had ik wel al bijna anderhalf uur moeten vechten tegen de slaap, en erg nadrukkelijk de aftellende televisie in de gaten gehouden. Er werd prachtig gezongen, overtuigend geacteerd, gloedvol gespeeld door het Rotterdams Philharmonisch onder leiding van hun sterk dirigerende chef, maar het leverde mij geen onvergetelijke operavoorstelling op. Ach ja, je kunt niet van alles houden.

19 mei 2009

Concert 15 mei 2009


Vrijdag 15 mei 2009, Concertgebouw Amsterdam
Wiener Philharmoniker o.l.v. Daniele Gatti
Xavier de Maistre, harp

Rossini: Ouverture Il barbiere di Siviglia
Strawinsky: Jeu de cartes
Previn: Harpconcert
Mendelssohn: Symfonie nr. 4


Het venijn van dit condert zat 'm in de kop en in de staart; in de Barbier-ouverture van Rossini en het slotdeel, de Saltarello, van Mendelssohns Italiaanse. Hier hoorde ik de Wiener waarop ik me bij hun jaarlijkse bezoek iedere keer weer verheug en die dit orkest zo onweerstaanbaar maakt: een vanuit alle poriën grandioos-muzikaal spelend orkest, met een volle diepe klank en technisch ongelooflijk geweldig. In deze delen was ieder detail een feest en kloppend met het geheel. Je hebt oren tekort om alles te horen en hersencellen te weinig om het allemaal in één keer te bevatten. Dat is de verslavende magie van muziek: het is meteen weer vervlogen. Het geheugen probeert de indrukken te vangen en op te slaan, maar dat mislukt (gelukkig) steeds weer. Tussen beide stukken van ieder zo'n zeven minuten een gemiddeld goed maar raar concert. Strawinsky's Jeu des cartes is een onderhoudend stuk, maar geen meesterwerk. Het Harpconcert van André Previn boeiend vanwege zijn ongebruikelijkheid; typisch Amerikaans, neo-Bernstein. En in Mendelssohn dirigeerde Gatti aanvankelijk te vrijblijvend, met iets te veel lyriek en ongelijkheden tot gevolg. Maar goed, in het slotdeel kwam alles weer helemaal goed, en werd de cirkel gesloten die met die geweldig precies en subtiel gespeelde Barbier-ouverture geopend was.

07 mei 2009

Opera 1 mei 2009


Vrijdag 1 mei 2009, Deutsche Oper Berlijn
Deutsche Oper Berlin

Verdi: La traviata

Violetta - Carmen Giannattasio
Alfredo Germont - James Valenti
Giorgio Germont - Lado Ataneli
Chor & Orchester der Deutsche Oper Berlin o.l.v. Marco Armiliato

De Deutsche Oper Berlin is de opera van het vroegere West-Berlijn, en concurreert nu met de Deutsche Staatsoper Berlin dat in een prachtig klassiek, opnieuw opgebouwd theater aan de Bebelplatz gehuisvest is. De Deutsche Oper aan de Bismarckstrasse (dat overigens aan dezelfde rechte streep van west naar oost vv ligt) zit in een aftands gebouw dat in 1961 werd opgeleverd en kenmerkend is voor de wederopbouwarchitectuur (zie boven - als je op de foto klikt komt-i wat groter op je scherm; ik nam de foto daags na de uitvoering toen we fietsend vanaf het nabij gelegen Schloss Charlottenburg de hele rechte streep naar Alexanderplatz reden). Binnen is het al niet veel beter: in de foyers hangen papieren bollampen die je voor enkele euro's bij de ikea kunt kopen, de voering van het toneeldoek is deels kapot en hangt rafelig over de rand van de orkestbak en de stoelen bieden stalinistisch comfort. Maar goed, het gaat om de artistieke kwaliteit en die was deze avond erg hoog. Mevrouw Gheorghiu musste leider krnakheitsbedingt (sic) absagen. Zij werd vervangen door Carmen Giannattasio die de Hauptpartie van Violetta ook al eerder bij de concurrent aan Unter den Linden had gezonden, en dat meer dan uitstekend deed. Wanneer zij in plaats van Marina Poplavskaya in Amsterdam de Traviata had gezonden, was ze als een even grote ster toegejuicht. James Valenti zong adequaat maar niet groots, Lado Atanelli heeft minder karakter dan Andrzej Dobber, maar stal de show met zijn krachtig en met autoriteit gezongen aria's. Marco Armiliato dirigeerde nogal recht-door-zee, maar het orkest van de Deutsche Oper is duidelijk een ervaren operaorkest. De traditionele enscenering van Götz Friedrich haalde het niet bij die van Willy Decker (maar welke überhaupt ooit nog wel?) Alles bij elkaar een Traviata die me minder beroerde dan de uitvoering in Amsterdam begin april, maar die toch gewoon erg goed was.

05 mei 2009

Concert 22 april 2009


Woensdag 22 april 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt
Julia Kleiter, sopraan
Elisabeth von Magnus, alt
Gerd Böckmann, spreekstem
Nederlands Kamerkoor

Mendelssohn: Der 42. Psalm
Mendelssohn: Ein Sommernachtstraum


Een verrukkelijk concert. Het begon voor de pauze al zeer fijnzinnig door die prachtige 42ste psalm. Wanneer zo'n lekker zoet, typisch burgerlijk-romantisch Mendelssohn-stuk zo fijnzinnig en afgewogen wordt uitgevoerd als door Julia Kleiter, het Nederlands Kamerkoor en het KCO, dan kun je de typering burgerlijk-romantisch alleen maar als voordeel beschouwen. Aan het einde van de pauze werd duidelijk dat er iets bijzonders te gebeuren stond. De orkestleden hadden zich omgekleed in zomerse kledij: zo zien we de dames en heren orkestleden zelden of nooit nog eens. Naast alle vrolijke kleding droegen sommige orkestleden een zonnebril in het haar, of zelfs gewoon op, hadden enkelen een petje op (eentje achterstevoren), en had die ene violiste haar haar jeugdig los. Nog voordat het orkest aan stemmen toekwam hing er al een vrolijke stemming in de zaal. En toen daar opeens de bijna tachtigjarige Harnoncourt in gekleurd hemd, kakibroek met hoogwater en een wit petje op het hoofd de trap afkwam, kon de avond al niet meer stuk. De complete Midzomernachtsdroom is eigenlijk geen werk om compleet uit te voeren. De lange spreekteksten halen de vaart uit de muziek en bieden geen extra drama. Tussen al dat geklets echter wel enkele sublieme stukken muziek, die de Midzomernachtsdroom tot een geweldige werk maken. Alleen al die meesterlijk Ouverture! Harnoncourt gaf de best denkbare uitvoering: contrastrijk en dramatisch. In het 'Lied met elfenkoor' zong Julia Kleiter meer dan prachtig. Ze trof het vier keer op hoge noten te zingen woord 'Nacht' subtiel en loepzuiver. En ja, het KCO voluit in de Bruiloftsmars, daar wordt ieder mens vrolijk van.

20 april 2009

Concert 17 april 2009


Vrijdag 17 april 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Sakari Oramo
Janine Jansen, viool

Lindberg: Chorale
Janácek: Taras Bulba
Sjostakovitsj: Vioolconcert nr. 1


De rondborstige Chorale van Lindberg en de bonte en dramatische verklanking van het Gogol-verhaal door Janácek werden prima gespeeld, maar nagenoeg iedereen in de zaal kwam voor het gedeelte na de pauze. En we werden bepaald niet teleurgesteld. Bij velen is Janine Jansen bekend van haar Vivaldi-, Bruch- en Mendelssohn-opnamen, maar ik hoorde haar alleen eerder tijdens eveneens een A-concert met een overrompelende uitvoering van het vioolconcert van Britten. En nu dan met dat prachtige Eerste vioolconcert van Sjostakovitsj. In preludium staat dat het KCO dit concert voor het eerst uitvoerde in december 1985, gedirigeerd door Haitink en met de toenmalige concertmeester Viktor Liberman als solist. Dat concert was mijn tweede bezoek aan het Concertgebouw(orkest), en mijn eerste keer Haitink. Ik schreef er al een weblog over, zie hier. Enfin, nu dan gespeeld door Janine Jansen, en deze uitvoering zal evenzeer als memorabel in mijn geheugen worden opgeslagen. Want wie dacht dat Jansen het zoveelste vioolsterretje is, werd tijdens dit concert gelogenstraft. Ze is een rasmuzikante, die haar Stradivarius prachtig laat klinken, maar het instrument geenszins ontziet. Technisch perfect, emotioneel geladen, en geweldig in balans met het orkest. Van begin tot eind hield de zaal zijn adem in, want dit was muziekmaken op het hoogst denkbare niveau. Een prachtige vertolking.

13 april 2009

Opera 9 april 2009


Donderdag 9 april 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Verdi: La traviata

Violetta - Marina Poplavskaya
Alfredo Germont - Ismael Jordi
Giorgio Germont - Andrzej Dobber
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Paolo Carignani

De enscenering van Willy Decker kende ik een klein beetje van de foto's bij de cd's van de Salzburger uitvoering uit 2005 met Netrebko en Villazon. Nu dan in het echt; wat een meesterlijke enscenering. In zijn veelzeggendheid en treffendheid staat deze gelijk aan die van Homoki van Die Frau ohne Schatten, eerder dit seizoen. En muzikaal was deze Traviata even overrompelend en prachtig. Er waren drie prima tot perfecte hoofdrol-zangers en het orkest speelde onder Carignani zuiver, scherp en glansvol. Het optreden van Poplavskaya was een regelrechte sensatie. In het boekje staat het citaat dat je voor een Traviata eigenlijk drie verschillende sopranen nodig hebt: een coloratuursopraan voor de eerste, een lyrische sopraan voor de tweede en een vertolker van karakterrollen voor de derde. Echte goede sopranen halen deze stelling onderuit, en dat dééd Poplavskaja, ofschoon ze in de tweede en derde akte het meest overrompelde. Maar die eerste feestakte zal zelden zo goed geklonken hebben, vooral ook door het wederom perfect ingestudeerde koor en door de scherpe directie van de kale dirigerende Italiaan. Ismael Jordi heeft een wat kleine stem, maar vond ik prima passen bij de sterke aanwezigheid van Poplavskaya. En ja, Dobber is voor mij dé Verdi-bariton. Moge hij nog vaak terugkeren, zijn stem is zo prachtig. Mooiste moment van de opera: de overgang van de tweede naar de derde akte, zonder applaus meteen overgaand naar die vergeleken met de ouverture nog dramatischer prélude. Op 1 mei ga ik in naar de Deutsche Oper in Berlijn wederom naar een Traviata, dan met mevrouw Gheorghiu; dat kan mee- of enorm tegenvallen. Het zal niet eenvoudig zijn de prestatie van Poplavskaya te evenaren...

10 april 2009

Concert 8 april 2009


Woensdag 8 april 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer
Radu Lupu, piano

Beethoven: Ouverture Coriolan
Beethoven: Pianoconcert nr. 4
Beethoven: Ouverture Die Geschöpfe des Prometheus
Beethoven: Symfonie nr. 8


Het lukt me nooit om op het net een foto voor mijn weblog te vinden waar dirigent en solist samen op staan. Tot nu dus. Nog meer bijzonder was hun samenwerking op het podium van het Concertgebouw tijdens dit concert. Ik hoorde het Vierde pianoconcert niet eerder zo fraai. Fischer zorgde voor een perfect gespeelde en spannende begeleiding, Lupu voor magisch pianospel. De subtiliteiten buitelden over elkaar heen. Het sublieme middendeel was nu niet, zoals gewoonlijk, het muzikale hoogtepunt van dit concert; dat waren alle drie de delen. Fraai gezicht: Lupu speelde een vituose passage, maar keek al die tijd opzij naar het orkest om ook op die manier in direct contact met de orkestleden te staan. Ik had mijn losse kaartje echter gekocht voor Fischer, die de laatste jaren louter uitstekende concerten verzorgt. Zijn stijl in Beethoven is transparant en uitdagend, ofschoon minder hoekig als die van Harnoncourt. De uitstervende harteklop in de Corioloan-ouverture werd prachtig gespeeld. De Achtste symfonie staat zelden op de concertprogramma's, maar doet aan kwaliteit niet voor de andere symfonieën onder. Fischer schotelde een boeiende interpretatie voor, met felle tegenstellingen tussen de vele motieven. En terecht liet hij de hoornist en klarinettist extra meedelen in het applaus, want zij speelden het Trio van het derde deel subliem. Trouwens, ook de componist laat zich hier van zijn meesterlijkste kant zien. Een prachtig Beethoven-concert!