31 oktober 2010

Concert 21 oktober 2010


Donderdag 21 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Lorin Maazel

Mahler: Symfonie nr. 6

Dit is de derde keer dat ik Maazel bij het KCO hoorde optreden, en ofschoon ook de vorige twee optredens (met R. Strauss en een eigen bewerking van Wagners Ring) erg goed bevielen, was dit onbetwist zijn overtuigendste. Maazel geldt als een (te) zelfbewuste dirigent, en van zijn vele plaatopnamen zijn er slechts weinige die de toets der kritiek kunnen doorstaan. Maar hij liet tijdens dit concert met Mahlers ontoegankelijkste en tevens boeiendste symfonie ook blijken over een eigenzinnige en pakkende visie te beschikken en die overtuigend op het orkest (ook niet weinig zelfbewust) over te kunnen dragen. In relatief langzame tempi verleidde hij het orkest tot geweldig spel en schaafde hij voortdurend tot nog beter en nog meer... Aan het begin van het vierde deel vielen de slagwerkers uit de maat, wat hen tijdens het slotapplaus op een duidelijk zichtbare reprimande van Maazel kwam te staan. Een perfecte, ultieme Mahler 6 was het geenszins, want de langzame tempi vond ik uiteindelijk te eigenzinnig, maar het werkelijk geweldige orkestspel deed me ruim anderhalf uur in volle concentratie naar deze uitvoering luisteren, en dan heb ik een geslaagd concert bijgewoond. Maazel is een man voor exuberant repertoire. Daar is veel van, dus graag wederom engageren, deze exuberante icoon.

23 oktober 2010

Mahler 6


Mahlers Zesde symfonie vind ik zijn ontoegankelijkste symfonie, maar bepaald niet minder boeiend dan de andere. Dit werk slingert je voortdurend tussen hoop en vrees. Uiteindelijk blijf je verdwaasd achter: de klagende koperpassage aan het slot, gevolgd door die ultieme uitbarsting geven je als luisteraar de genadeslag, waarna het moeilijk applaudisseren is voor de uitvoering die je hebt gehoord. Een ‘unheimischer’ slot is in de klassieke muziek nauwelijks aan te wijzen. In de delen ervoor is het gelukkig niet overal unheimisch, maar een emotioneel gemakkelijke symfonie is deze Zesde allerminst. Het openingsdeel opent met een marsthema, maar bevat als tegenhanger een liefdesthema. Het Scherzo bevat zowel lieflijke en landelijke momenten als schrille thema’s die vooruitwijzen naar het slotdeel. Het Andante is evenzeer een bron van tegenstellingen; een fraaie behaaglijk openingsthema, maar in weinig Mahlermuziek klinken de klagende houtblazers later in dit deel zo schrijnend. Het slotdeel gooit alle remmen los. Al vanaf het begin wordt de luisteraar geen enkel behaaglijk moment gegund. Je moet er hier aan geloven, of je het wilt of niet: de componist leidt je hier onverbiddelijk naar het zwarte gat.


In de vergelijking dit keer geen Haitink en Chailly. Van de eerste heb ik geen Mahler 6 in mijn collectie, en de uitvoering van Chailly bleef net als die van Tennstedt uit tijdgebrek achterwege. Ook die van Barbirolli beluisterde ik niet helemaal; daarvan hoorde ik alleen het eerste deel. Het begin daarvan maakt de opname van Barbirolli uit augustus 1967 met het New Philharmonia Orchestra tot eentje die je eens gehoord moet hebben. Barbirolli neemt het tempo hier klemmend laag, de cello-accenten klinken als mokerslagen. Barbirolli negeert het herhalingsteken na de expositie, en toch duurt het eerste deel bij hem bijna even lang als bij Gergiev, die wél de expositie herhaalt. Dat langzame tempo verwordt uiteindelijk tot een slopend geheel, maar die opening: die moet je gehoord hebben!


Van de opnamen van Mahlersymfonieën (nr. 4, 5, 6 en 9) van Von Karajan is de zesde bepaald niet de slechtste. In tegenstelling tot in nr. 4 en 5 gaat Von Karajan met zijn Berliner Philharmoniker nergens over de top. De uitvoering is zelfs relatief licht en wordt door het orkest prachtig gespeeld. Het laatste deel is helaas te onderkoeld: het grijpt je niet bij de keel en dat hoort hier toch zeker te gebeuren. desondanks een zeer fraaie opname, die tijdens twee opnamesessies (in januari/februari 1975 en februari/maart 1977!) tot stand kwam.


Met de opname van Eliahu Inbal met zijn Radio-synfonieorchester Frankfurt uit april 1986 leerde ik dit stuk kennen. Ik had de twee cd’s al heel lang niet meer gehoord, en de uitvoering viel me alleszins mee. Van Von Karajan net iets tekort komt, krijg je er bij Inbal gratis bij: scherpte en venijn en een slotdeel dat pakt. Een nergens overdreven uitvoering, verrassend goed.


Bernstein verrast altijd, en zo ook zijn opname van de Zesde uit september1988. Af en toe zit de uitvoering op het randje van gemaniëreerdheid, maar Bernstein heeft duidelijk wat te vertellen met zijn uitvoering en hij laat geen detail onbenadrukt. En je wordt als luisteraar voortdurend gegrepen; dat gebeurt helemaal in het slotdeel, het hoogtepunt van de uitvoering.


In mei 1994 opende Pierre Boulez, evenals Bernstein met de Wiener Philharmoniker, zijn opmerkelijke Mahlercyclus met een kraakhelder gespeelde opgenomen Zesde. Ik ken niet alle opnamen van deze cyclus, maar van de uitvoeringen die ik heb is deze opname de beste. De reden: Boulez is hierin het minst afstandelijk; Mahler componeerde toch door en door emotionele muziek, en daar haalde Boulez in sommige opnamen soms flink de stofdoek door heen. Nog niet zoveel in deze uitvoering, maar vergeleken met Bernstein en Jansons (zie hierna) moet Boulez het toch afleggen. Het is vooral een bijzonder subliem gespeelde en opgenomen uitvoering. Maar deze symfonie heeft toch net iets meer te bieden.


Dat alles is in (voor zover mogelijk) volledige perfectie aanwezig bij de live-uitvoering uit september 2005 door het KCO o.l.v. Mariss Jansons. Net als bij de Vijfde combineert Jansons het beste van alle werelden: orkestrale schoonheid en een voorzichzelfsprekende muzikale inhoud. De symfonie klinkt lyrisch én aangrijpend, vloeiend én bijtend. Wederom zit je je bij beluistering af te vragen hoe het toch mogelijk is dat een dirigent dat allemaal weet over te brengen op een orkest, en dat zonder studio-remakes gewoon tijdens reguliere abonnementsconcerten laat horen.


In november 2007 speelden het London Symphony Orchestra o.l.v. Valery Gergiev de Zesde tijdens een optreden in het Concertgebouw (zie hier de weblog daarvan). Diezelfde week werd in Londen deze live-opname gemaakt. De onverbiddelijkheid werkt verpletterend, maar bij nadere beluistering ook wat dwangmatig. De middendelen zijn goed maar niet bijzonder, en het slotdeel wederom verbazingwekkend; helaas niet helemaal bevredigend door de iets te gehaaste benadering. Uiteindelijk is dit geen volledig geslaagde uitvoering, maar zeker boeiend.

Conclusie
Wederom biedt Jansons met het KCO de meest geslaagde uitvoering; eigenlijk laat deze combinatie geen wens onvervuld. Bernstein is een aantrekkelijke tweede; Inbal en Von Karajan bieden goede gemiddelde uitvoeringen. Boulez en Gergiev zijn beide aantrekkelijk door hun eigen aanpak (respectievelijk analytisch-helder en onverbiddelijk). Barbirolli moet het van de beginmaten hebben.

17 oktober 2010

Concert 15 oktober 2010


Vrijdag 15 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.lv. Tugan Sokhiev
Yefim Bronfman, piano

Dvorák: Ouverture Carnaval
Bartók: Pianoconcert nr. 2
Rachmaninov: Symfonische dansen


De jonge Russische (of Noord-Ossetische/Osseetse?) dirigent Tugan Sokhiev hoorde ik ook al bij zijn debuut bij het KCO in 2006, maar dat was vlak voor ik deze weblog startte. Toen dirigeerde hij een fraaie Zevende van Prokofiev. Bij Sokhiev staat de preciezie centraal. Het orkest speelde uitermate precies, helemaal uitgebalanceerd en zonder overdreven pathos. Het mag mij allemaal wat losser, maar dat lijkt me bij Sokhiev een kwestie van tijd. De prachtige Symfonische dansen van Rachmaninov klonken als een klok; met het Dodeneiland en de Tweede symfonie zijn beste orkestwerk. Voor de pauze liet Yefim Bronfman weer eens horen dat hij tot de onbetwiste top behoort. In fijnzinnig samenspel met het orkest hield hij de aandacht van het publiek bij het welhaast ondoorgrondelijke Tweede pianoconcert van Bartók volledig gevangen; het tweede deel was een openbaring, en hoe subtiel gespeeld. Nadien speelde Bronfman een toegift dat ik niet kende (ergens tweede helft 19e eeuw?) en dat aan virtuositeit niet onderdeed voor het pianoconcert. Een fraai concert.

12 oktober 2010

Opera 10 oktober 2010


Zondag 10 oktober 2010, Opernhaus Zürich
Opern Zürich

Wagner: Tristan und Isolde

Isolde - Barbara Schneider-Hofstetter
Tristan - Peter Seiffert
Brangäne - Michelle Breedt
König Marke - Matti Salminen
Kurwenal - Martin Gantner
Melot - Volker Vogel
Zusatzchor der Oper Zürich
Orchester der Oper Zürich o.l.v. Bernard Haitink

De wens om ook de Tristan door Haitink gedirigeerd te zien en horen is in vervulling gegaan, en een weekendje Zürich is daarbij een fraaie bijkomstigheid. Maar het werd vooral een memorabele voorstelling door de zangersproblemen, zowel voor als tijdens de voorstelling. De aanvankelijk als Isolde bestelde Waltraud Meier kreeg tijdens de repetities onenigheid met Haitink over de interpretatie, en zij trok zich terug. Het schijnt dat ook Haitink dat overwogen heeft, maar gelukkig stond hij fier op de bok in de orkestbak deze avond. Dit was de tweede voorstelling in een serie van zes, en tijdens de eerste voorstelling is Haitink vanwege die ruzie met Meier uitgeboehoed. Er stond zelfs een YouTube-filmpje van op internet, maar die is door de maker alweer verwijderd. Er werd flink boegeroepen toen Haitink bij het slotapplaus opkwam. Afgelopen zondag was daar niks van te merken, Haitink kreeg flinke bijval. Maar wat er wel tijdens deze voorstelling gebeurde: het totale vocale instorten van Peter Seiffert als Tristan. Voor aanvang werd aangekondigd dat hij een verkoudheid had opgelopen en misschien niet alle noten zou treffen. De schade hield hij tijdens het eerste en tweede bedrijf flink beperkt, en aanvankelijk leek ook in de derde akte (waar Tristan flink aan de bak moet) geen vuiltje aan de lucht. Het leek zelfs of Seiffert zich helemaal hersteld had. Maar opeens ging het mis; een hapering in de stem, en een poging om die weg te hoesten. Zonder resultaat. Binnen een kwartier kon Seiffert nauwelijks nog geluid voortbrengen. En hij moest nog zeker 20 minuten... Zelfs de saaie Zwitsers voor mij zagen hoofdschuddend en medelijdend het geworstel van Seiffert gade. En terecht: dit was puur lijden. Alleen voor zijn afsluitende 'Isolde' raapte hij alles bij elkaar om dat er nog fraai uit te krijgen; als er ooit een Tristan zich vocaal doodgezongen heeft en die dood als een ultieme opluchting heeft ervaren, was het deze avond Seiffert wel. Op de website van het Züricher operahuis zag ik dat voor de volgende voorstelling Seiffert wordt vervangen door Stig Andersen; de voorstelling daarna staat hij weer wel geprogrammeerd. Seiffert is een grootse tenor; af en toe slingerde hij geweldig krachige klanken de kleine operazaal in. De overige zangers waren goed, maar niet uitzonderlijk. Barbara Schneider-Hofstetter was volledig opgewassen tegen haar rol, en tot aan de Liebestod zong ze vol kracht en overtuiging. Maar echt pakkend was haar stem niet. Matti Salminen hoore ik eens als Mephistopheles in Berlioz La damnation de faust, maar zijn stem lijkt over zijn hoogtepunt heen; desondanks blijft hij een imposante bas. Michelle Breedt en Martin Gantner voldeden prima als Brangäne en Kurwenal. Tja, en dan Haitink. De kritiek die je op internet over deze uitvoering leest (zoals hier bijvoorbeeld) snijdt wel hout: het was allemaal wel erg luid wat er uit de orkestbak kwam. Geweldig orkestspel, een vurig liefdesduet en een zeldzaam gedetailleerd 'Habet acht'. Maar soms overstemde het orkest flink de zangers. Ik heb intens van dat orkestspel zitten genieten, en eigenlijk was ik daar ook voor gekomen, maar uiteraard had het allemaal wat meer in evenwicht mogen zijn. De enscenering was een boeiende: een draaiplateau met drie of vier buhnebeelden, niet heel erg volgens het verhaal, maar wel voorstelbaar. Het was een rare voorstelling, maar tjonge, ik zal die nooit vergeten.

Concert 3 oktober 2010


Zondag 3 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
Yuja Wang, piano

Brahms: Tragische ouverture
Prokofiev: Pianoconcert nr. 3
R. Strauss: Don Juan
R. Strauss: Till Eulenspiegels lustige Streiche


Alle media-aandacht ging uit naar het Chinese schaarsgeklede wonderpoppetje op hoge hakken dat inderdaad geweldig muzikaal dat gruwelijk moeilijke Derde pianoconcert van Prokofiev speelde, in een welhaast ideale balans met het orkest. Een klavierleeuwin is ze (nog) niet, maar ze stond haar mannetje, en in de eregalerij van pianisten die ik dit concert al eerder hoorde spelen (waaronder Argerich en Bronfman) slaat ze geen slecht figuur. Daarvoor speelde het orkest al prachtig Brahms' Tragische ouverture, een van mijn meest favoriete muziekstukken; Gatti kent zijn klassieken. Na de pauze twee relatief korte symfonische gedichten van Herr Doktor Strauss, en ook hier liet Gatti het KCO klinken zoals je graag hoort: volbloedig, gedetailleerd en in de prachtigste klank. Dit was zo'n concert waar je iedere gespeelde noot kent, en lekker met je armen over elkaar geniet van mooi, mooier, mooist. Ik ken geen betere zondagmiddagbesteding.

27 september 2010

Opera 26 september 2010


Zondag 26 september 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Verdi: Les vêpres siciliennes

Hélène - Barbara Haveman
Henri - Burkhard Fritz
Guy de Montfort - Alejandro Marco-Buhrmeister
Ninetta - Lívia Ághová
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Paolo Carignani

Als deze opera van Verdi iets duidelijk maakt, dan is het wel dat al die bekendere opera's van hem zo ongelooflijk goed zijn en dat het componeren van zulke vloeiende muziek gewoon heel erg moeilijk is. In deze Franse versie van de Siciliaanse vespers zit soms geweldige muziek (met name gespeeld door het orkest), maar ook heel veel muziek die nog eens goed tegen het licht gehouden had mogen worden en dan door de wat oudere Verdi zeker afgekeurd zou worden. Je hoort ook in de niet-gelukte muziek vlagen van de latere, geniale Verdi, maar meer dan slechts een doorkijkje daarnaar is die muziek echter niet. Als luisteraar word je soms flink op de proef gesteld, de beloning is er dan ook af en toe, maar niet heel erg vaak. De enscenering is weinig interessant. Alles is in een moderne jas gegoten, maar had evengoed ook klassieker kunnen (en moeten) zijn. Als er al een diepere betekenis in de enscenering heeft gezeten: ik heb hem er niet uitgehaald. De zangers zijn redelijk tot goed, nergens uitmuntend. Haveman en Fritz zijn overtuigend, maar nergens echt groots. Marco-Buhrmeister klinkt wel erg eendimensionaal en nergens stralend. De ster van de middag was de dirigent; de kale Italiaan leek iets aan zijn rechterarm te hebben en dirigeerde vooral met zijn linkerhand, en net als zijn eerdere gastdirecties blonk het orkest nu uit in klankschoonheid en detailwerking. Het was goed om deze opera eens gehoord te hebben, maar het mag hierbij blijven wat mij betreft. En tja, ik blijf het programmatisch vreemd vinden dat we wel deze onevenwichtige Verdi aangereikt krijgen, terwijl Il trovatore en La forza del destino nog niet in het Muziektheater bij DNO te horen waren.

25 september 2010

Concert 15 september 2010


Woensdag 15 september 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink
Till Fellner, piano

Beethoven: Pianoconcert nr. 3
Bruckner: Symfonie nr. 7


Geen Jansons, geen Pollini, maar met Haitink een perfecte vervanger op de bok. De combinatie Haitink-Pollini zou een spannende zijn geweest, maar de jonge Till Fellner ging eveneens een fraaie dialoog met Haitink aan. Die zorgde voor een afgewogen en blinkende begeleiding in het Derde pianococert van Beethoven, waarbij Fellner een frisse eigenzinnigheid tegenover stelde. De vervanging door Haitink van natuurlijk meer dan perfect, want een buitenkans om hem nog eens een keertje met de Zevende Bruckner te horen. Van al zijn geweldige Bruckner-opnamen is die van de Zevende van eind jaren zeventig toch wel het meest evenwichtig, natuurlijk en 'precies goed'. Enkele jaren geleden dirigeerde Haitink bij het KCO ook een Zevende, en de geplande live-opname voor het eigen label werd door Haitink naar de prullenbak verwezen: bij nader inzien te gedragen, te langzaam, te zwaar. Deze uitvoering was vederlicht, door en door transparant en tot op het kleinste niveau volledig in balans. Zoals ook Blomstedt bewees: Bruckner vaart wel bij relatief lichte, vloeiende en niet te langzaam gespeelde uitvoeringen. Het KCO met Haitink ervoor en dan Bruckner 7: tja, meer vanzelfsprekendheid bestaat er eigenlijk niet.

06 september 2010

Concert 31 augustus 2010


Dinsdag 31 augustus 2010, Concertgebouw Amsterdam
Gustav Mahler Jugendorchester o.l.v. Herbert Blomstedt
Christian Gerhaher, bariton

Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
Bruckner: Symfonie nr. 9


Tja, Mahler en Bruckner in één programma, hoe heerlijk. En dan nog met deze meer dan uitstekende uitvoerenden. Christian Gerhaher geldt als dé Mahler-bariton van deze tijd, en dat bewees hij in de vier vroege Mahler-liederen met verve. Het zijn veeleisende liederen; er moet een verhaal worden verteld, emotie worden getoond en ook gewoon erg mooi, soms flink hoog, worden gezongen. En dat deed Gerhaher allemaal, fraai ingetogen begeleid door Blomstedt en zijn jeugdorkest. Die gingen in de Negende van Bruckner daarentegen lekker voluit. Presenteerde Blomstedt eerder dit jaar een relatief lichte Vijfde van Bruckner bij het KCO, nu was de uitvoering flink zwaarder: er stonden 12 contrabassen van links naar rechts achter het orkest. Tja, dan trillen die fortissimi lekker tot in je lever en nieren. Maar ook nu hield Blomstedt hoge tempi aan, met verrassend efect wederom. Misschien moet Bruckner wel sneller dan we gewend zijn? Met zo'n jeugdorkest op tournee moet iedereen ook mee, dus er zat een flink uitgebreid orkest op het podium, maar dit beste jeugdorkest dat er is speelde een geweldige Bruckner 9, waarin me vooral de nadruk op het vernieuwende in het Adagio opviel. Hier is Bruckner een modernist; de ene na de andere disharmonie maakt de sfeer van het deel extra wrang. Ondanks alle Mahlers die later dit jaar nog volgen, blijft een goede Bruckner toch altijd weer extra verrukkelijk. Binnenkort Haitink met de Zevende, het kan niet op.

Concert 25 augustus 2010


Woensdag 25 augustus 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Ferrucio Furlanetto, bas

Bartók: Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta
Moessorgski: Liederen en dansen van de dood
Strawinsky: De vuurvogel, suite 1945


Jansons wordt meer en meer een onzekere factor voor het KCO - zijn concerten in september heeft hij moeten overdragen aan Bernard Haitink, geen straf overigens - maar áls hij voor het orkest staat ben je als luisteraar meer dan ooit gezegend. Dit concert was wederom een bewijs dat Jansons en het KCO een unieke combinatie vormen die zijn weerga niet kent. De subtiliteiten, perfectie en het van nature muziekmaken dringen zich als onweerstaanbare entiteiten aan je op, en je legt je er door zulke ongebruikelijke vanzelfsperkendheid verbluft bij neer. De Muziek van Bartók hoorde ik ook al eens erg fraai onder leiding van Iván Fischer (zie hier de weblog), maar ook nu was de uitvoering prachtig. De suite uit 1945 uit De vuurvogel is een paradepaardje van dit orkest en deze dirigent; in 2007 hoorde ik dit stuk door deze combinatie ook al eens (zie hier), en nu even perfect. Hoogtepunt van de avond (voor zover mogelijk) was het optreden van de Italiaanse bas Ferrucio Furlanetto. Hij gedroeg zich als een heldentenor: bij zijn aantreden een minzaam knikje naar de concertmeester, en na afloop kushandjes naar het publiek. Maar wat een uitvoering, wat een geweldige imposante stem en voordracht! De zaal was muisstil, platgeslagen door zo'n volle stem die naar het leek deze Russische muziek ten volle beheerste. Tja, prachtig allemaal!

21 augustus 2010

Concert 19 augustus 2010


Donderdag 19 augustus 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Ton Koopman
Kristian Bezuidenhout, piano

Bach: Orkestsuite nr. 3
Mozart: Pianoconcert nr. 22 KV 482
Haydn: Symfonie nr. 98


Het fijne van de zomer is dat het dan (doorgaans) zomer is, maar als je aan het einde daarvan na twee maanden afwezigheid weer naar het KCO gaat, vraag je je af wat nu eigenlijk de voorkeur verdient. Enfin, het concertseizoen is weer begonnen; er staat veel prachtigs op het programma het komend jaar. Dit eerste concert kreeg echter helaas niet helemaal de invulling waar ik bij dit heerlijke programma op gehoopt had. De orkestsuite van Bach werd fraai gespeeld, en de verschillende muzikale lijnen werden door Koopman en het KCO mooi helder getekend. De Air deed alles heel eventjes zweven. Het 22ste pianoconcert van Mozart is een favoriet van mij, vooral vanwege dat onstellend prachtige middendeel. Ik heb meerdere uitvoeringen op cd, maar geen vind ik ideaal. Malcolm Bolson en John Eliot Gardiner komen nog het dichtst in de buurt. Bezuidenhout en Koopman lukte het helaas ook niet. Ondanks de afwijkende positie van de piano (midden tussen het orkest) en het enthousiasmerende spel van Bezuidenhout, vond ik de uitvoering te licht en te vlak. Bezuidenhout bracht voortdurend versieringen aan, waar soms de originele muzikale lijn al voldoende diepgang bezit. En de soms wat te strenge en voortvarende tempi deden veel details ondergesneeuwd raken. Dat gebeurde ook in de Haydn-symfonie. Een iets lager tempo in het openings- en slotdeel had de uitvoering veel meer body kunnen geven. Koopman dirigeerde staand voor een clavecimbel, waar hij zelf aan het einde van het slotdeel de geste van Haydn aan zijn Londense opdrachtgever speelde. Door het hoge tempo ging het effect daarvan echter volledig verloren. Geweldige muziek allemaal deze avond, maar te weinig uitgewerkt gespeeld.

31 juli 2010

Driemaal is scheepsrecht...


Wie deze weblog vanaf het begin heeft bijgehouden, kent mijn diepste wens die ik in juni 2007 voor het eerst uitte (lees hier), namelijk om ooit nog eens Debussy's Pelléas et Mélisande en Wagners Parsifal en Tristan und Isolde door Bernard Haitink gedirigeerd te horen worden. Enfin, in juni 2007 was daar dus die Pelléas, en een half jaar later plotseling de Parsifal in London (dit is de weblog van die uitvoering). De verzuchting die ik aan het einde van die weblog slaakte wordt nu na tweeënhalfjaar bewaarheid! In oktober a.s. dirigeert de 81-jarige maestro zes keer de Tristan in Zürich. Ik heb geen seconde hoeven na te denken, er bleken nog kaarten zat. Op zondag 10 oktober zit ik er eerste rang!

Concert 14 juli 2010


Woensdag 14 juli 2010, Concertgebouw Amsterdam
Lars Vogt, piano
Katherine Gowers, viool
Marianne Thorsen, viool
Rachel Roberts, altviool
Tanja Tetzlaff, cello
Koenraad Hofman, contrabas

Schumann: Pianokwintet op. 44
Schubert: Forellenkwintet


Twee prachtige pianokwartetten die ik nooit eerder life hoorde, maar die ik thuis vaak beluister. Het was gewoon om dit programma te doen, dit enige concert in juli. En ik kreeg er geen spijt van. In de grote zaal klinkt zo'n kamermuziekensemble te weinig direct, maar het publiek was muisstil; er werd hoorbaar genoten van deze prachtstukken. Het zijn twee meesterwerken, waarbij die van Schubert opvalt door de aparte bezetting (een vondst!): een contrabas in de plaats van de tweede viool. Het is bijna een reden om contrabas te gaan studeren: om ooit dit stuk te mogen spelen. Je staat (als enige) daar lekker een beetje jazzy Schubert te spelen... verrukkelijk! Deze avond was duidelijk een gelegenheidsensemble aan het werk, maar iedere afzonderlijke musicus speelde uitstekend, en onder de bezielende leiding van vakman Lars Vogt klonk het allemaal prima. Gewoon een erg fijne kamermuziekavond in de grote zaal.

26 juli 2010

Anthony Rolfe Johnson


Opeens een bericht in de krant: vorige week, op 21 juli, overleed Anthony Rolfe Johnson, op 69-jarige leeftijd. Hij was een van mijn meest favoriete zangers. Vooral zijn stralende hoogte vond ik verrukkelijk, maar eigenlijk herkende je zijn stem per definitie uit duizenden. Er zijn enkele opnames die ik voor altijd zal koesteren, juist vanwege zijn aandeel daarin: Mozarts Requiem o.l.v. Christopher Hogwood, Mozarts Mis in c o.l.v. Gardiner (het Benedictus...!), onder leiding van dezelfde Gardiner Monteverdi's Orfeo (Rosa del ciel!) en Mozarts Idomeneo. De meest dierbare opname is Rolfe Johnsons bijdrage aan de Hyperion Schubert-cyclus. Daarop staat een zelden opgenomen lied dat ik verrukkelijk vind: eenvoudig, lieflijk, typisch Schubert, en ongeëvenaard fraai gezongen door Anthony Rolfe Johnson: Der Knabe in der Wiege... Er staan trouwens meer parels op deze prachtige cd.
Ik heb Anthony Rolfe Johnson een paar keer live gehoord. Uiteraard in zijn glansrol bij De Nederlandse Opera als Ulysses in Monteverdi's Il ritorno d'Ulysse in patria - ik zag die uitvoering zeker een keer of vier; ook was ik bij de concertante uitvoering in het Concertgebouw van Mozarts Idomeneo; dat was in 1989 geloof ik. Tijdens een van de series uitvoeringen van Il ritorno fietste ik de Magere Brug af en reed bijna tegen hem op - hij was kennelijk op weg naar een repetitie in het Muziektheater. Wat een spijt had en heb ik nog dat ik niet even stopte en tegen hem heb gezegd hoe fantastisch ik het vond dat juist hij deze rol zong.
Een tenor om nooit te vergeten!

04 juli 2010

Opera 30 juni 2010


Woensdag 30 juni 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Donizetti: L'elisir d'amore

Adina - Valentina Farcas
Nemorino - Dmitry Korchak
Belcore - Tommi Hakala
Dulcamara - Renato Girolami
Koor van de Nederlanse Opera
Nederlands Kamerorkest o.l.v. Riccardo Frizza

Deze feestelijke productie zag ik al tijdens de eerste voorstellingenreeks in 2002, toen met Bryn Terfel als Dulcamara. Eigenlijk herinnerde ik me vooral de glamour & glitter, en ik genoot er deze keer zeker weer van. Gewoon een erg leuke en als spontaan gepresenteerde uitbeelding (tot en met het applaus toe) van dit au fond suffe liefdesverhaaltje. Het eerste bedrijf is niet de helft zo aanstekelijk als het tweede, maar daarin wordt alles helemaal goedgemaakt. De uitvoering wordt aanvankelijk wat onbeholpen gebracht, ondanks die grappige zingende wijnflessen, maar gaandeweg krijg je waardering voor de prima zingende en acterende hoofdrolzangers, die gevieren samen met het koor eigenlijk alles zingen wat er te zingen valt. Meest grappige detail tot twee keer toe was het subtiele Tristan und Isolde-citaat door het recitativo secco; dat kan Donizetti nooit geschreven hebben. Maar aangezien alles aan deze productie retro was, mocht dat best. Een bijzonder plezierige opera-avond.

03 juli 2010

Concert 25 juni 2010


Vrijdag 25 juni 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti

Wagner: Siegfried-Idyll
Mahler: Symfonie nr. 5


De Vijfde van Mahler is te kort om als enige werk op het programma te zetten, maar te lang en te veeleisend om voor de pauze nog een groot ander te werk te spelen. Tennstedt dirigeerde eind jaren tachtig eerst Schönbergs A survivor from Warsaw, waarna zonder pauze-onderbreking de Vijfde op de lessenaars kwam; Chailly bracht eerst iets onduidelijks-onbekends van Puccini. Jansons had een prachtige combinatie met Don Juan van Strauss, en ook de Siegfried-Idyll bleek een prima koppeling. Uiteindelijk vond ik de uitvoering van de Siegfried-Idyll het hoogtepunt van het concert. De uitvoering van Mahler 5 werk na afloop luid toegejuicht, en ook de orkestleden leken verrukt van de verrichtingen van Gatti, maar ik was niet helemaal tevreden. Gatti dirigeerde naar mijn smaak te inconsistent wat tempi betreft, en de afwerking was hier en daar rommelig. Het orkest speelde weliswaar prima, maar niet op topniveau zoals tegenwoordig bijna altijd. Kleine haperingetjes zijn in principe niet erg, als de uitvoering je maar naar de keel grijpt. En dat deed deze niet. Het Adagietto slaagde het best; het relatieve hoge tempo werkt eigenlijk bijna altijd goed in dit deel. De uitvoering van de Siegfried-Idyll was daarentegen weergaloos mooi. Prachtig lyrisch, ingetogen, en door met name de strijkers bijzonder intens gespeeld.