30 oktober 2009

Concert 28 oktober 2009


Woensdag 28 oktober 2009, Concertgebouw Amsterdam
WDR Sinfonieorchester Köln o.l.v. Semyon Bychkov
Yefim Bronfman, piano

Brahms: Pianoconcert nr. 2
R. Strauss: Eine Alpensinfonie


Bychkov hoorde ik eind jaren tachtig bij het KCO; hij gold toen als een belofte en werd enige tijd als de kandidaat voor opvolging van Von Karajan beschouwd. Uiteindelijk bleek hij toch te licht. Nu dan na lange tijd terug in het Concertgebouw met zijn eigen Keulse orkest in een onweerstaanbaar programma met één van mijn favoriete pianisten als solist; dit kon ik niet voorbij laten gaan. Ik hoorde Bronfman eens een prachtige uitvoering van Brahms' Eerste pianoconcert geven, met het KCO o.l.v. Chailly. Zo intens als die uitvoering was deze uitvoering van het Tweede pianoconcert niet. Daarvoor was de verhouding tussen solist en orkest te weinig hecht, en bracht Bychkov te weinig diepgang in de orkestbegeleiding aan. In het derde deel etaleerde Bronfman zijn grootheid door een perfecte samenwerking met de cellist; ook Brahms laat zich trouwens in dit deel van zijn beste kant zien. Het vierde deel vind ik altijd wat vreemd: na het geweld van de eerste twee delen en daarna dat poëtische derde verwacht je een flinke uitsmijter, maar Brahms had andere gedachten. Na de pauze de Alpensinfonie. Een goed Duits middenklasse-orkest, dat moest wel slagen. En inderdaad: onder leiding van Bychkov speelde het een prima uitvoering. Relatief langzaam, maar zonder verslapping en lekker warmbloedig. De Alpensinfonie wordt wel eens als edelkitsch weggezet, maar wat mij betreft is het een meesterwerk. Goed gecomponeerd en geïnstrumenteerd, gevarieerd en voor de luisteraar immer een belevenis. Een toporkest had stellig een grootsere uitvoering gegeven, maar ik verliet om half elf voldaan de zaal.

25 oktober 2009

Concert 24 oktober 2009


Zaterdag 24 oktober 2009, Concertgebouw Amsterdam
The Cleveland Orchestra o.l.v. Frans Welser-Möst

Debussy: uit Nocturnes: Nuages & Fêtes
Widmann: Chor
Beethoven: Symfonie nr. 5


Van de grote en illustere Amerikaanse orkesten had ik alleen het Cleveland Orchestra nog niet eerder gehoord. Tot deze avond dus. Of het aan het opbouwwerk van Georg Szell ligt, of aan de kwaliteiten van Welser-Möst, of aan een combinatie: het orkest speelde bijzonder goed. Kenmerkend aan hun spel was de enorme transparantie en het achterwege blijven van de bij zoveel Amerikaanse orkesten gebruikelijke welluidendheid. Er werd vooral subtiel gespeeld, en soms zelfs fluisterzacht. Voor de pauze heersten de ijle sferen van Debussy en Widmann; ik kan me vergissen, maar volgens mij heb ik Widmanns Chor eens eerder gehoord in de A-serie. Een boeiend stuk, dat in karakter goed past bij de twee voorafgaande twee delen uit de Nocturnes van Debussy. Na de pauze met de beide benen op de grond met een klassiek gespeelde Vijfde Beethoven, in relatief hoge tempi, maar technisch nagenoeg perfect gespeeld. Welser-Möst hield de fermates in het openingsdeel erg kort, en dat gaf het deel extra kracht. De lang niet uitverkochte zaal kreeg meteen een toegift. Met de wat rechtlijnig maar wederom technisch perfect en bijzonder doorzichtig gespeeld Vorspiel tot de eerste akte Lohengrin (wat een meesterwerk is dat toch) keerden we weer terug naar de ijle speren van voor de pauze. Een fraai concert door een uitstekend orkest. Op hun website was de dag erna al een fotoslideshow op YouTube te zien. Klik hier om het te bekijken (zo lang als het online staat).

07 oktober 2009

Opera 6 oktober 2009


Dinsdag 6 oktober 2009, Stadsschouwburg Amsterdam
De Nederlandse Opera

Purcell: Dido and Aeneas

Dido - Malena Ernman
Aeneas - Luca Pisaroni
Belinda - Judith van Wanroij
Sorceress - Hilary Summers
Les Arts Florissants o.l.v. Jonathan Cohen

Het verhaal van Dido en Aeneas is eigenlijk het omgekeerde van (de derde akte van) Tristan en Isolde: Dido maakt er een einde aan door het vertrek van Aeneas; Tristan door de komst van zijn geliefde. In de Dido vertrekt Aeneas naar zee; in de Tristan komt juist Isolde aangezeild. Ik kwam hierop door de gedachte dat ook Dido en Aeneas best aardige thematiek voor Wagner was geweest: ultieme liefde, zeilboten en zeelui, een hof aan zee, mytische achtergronden...
Enfin, bij Wagner moet je om vijf uur gereed zitten en sta je pas tegen elf uur goed en wel op straat. Bij Purcell kun je tussen het aperitief en diner even op de fiets op en neer naar de Stadsschouwburg voor zijn opera. Maar het uurtje dat je in de zaal zit beleef je wel uiterst intens. De handeling is volledig ingekookt tot de ultieme essentie, en welhaast iedere minuut vindt er een stemmingswisseling plaats. Deze productie doet een beroep op al je zintuigen: er gebeurt zoveel voor oog en oor, dat je na afloop volledig voldaan bent. Het begint al ruim voor de eerste noot klinkt: op het toneel wordt zogenaamd nog aan het decor gebouwd, spelen de kinderen alvast hun spelletjes en maken de acrobaten hun spieren los. Ook tijdens de eigenlijke opera is er voortduderende beweging; zelfs de hoge bomen op het achtertoneel komen halverwege even van hun plaats. Maar goed, je kijkt je ogen uit bij deze schitterende toneelbeelden. Er wordt intens gezongen door Ernman, Pisaroni, Van Wanroij en Summers; het slot van de opera grijpt je naar de keel - wat is dat 'When I am laid' toch subliem. Zeker wanneer het als een heuse sterfscene is geënsceneerd.

03 oktober 2009

Concert 2 oktober 2009


Vrijdag 2 oktober 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniel Harding

Janácek: Lachische dansen
Mahler: Symfonie nr. 1


Na de relatief lichtvoetige, en warmbloedig gespeelde Lachische dansen van Janácek de start van het tot juni 2011 durende Mahler-project van het KCO. De jonge Daniel Harding is de relatieve lichtgewicht van deze serie, maar hij logenstrafte enige gedachte over een daardoor minder interessante uitvoering. Want ik vond deze Eerste Mahler bijzonder goed. Harding koos relatief langzame tempi, liet het orkest uitermate doorzichtig spelen (in de tutti van het vierde deel bijvoorbeeld waren de klarinetten soms goed te horen) en bracht tegelijkertijd een muzikaal-vloeiende uitvoering. Waar op cd de kerstmatinee-Haitink, Abbado, Bernstein en Jansons vooral de contrasten benadrukken, legde Harding de nadruk op de intieme en dromerige aspecten van deze symfonie. Dit was vooral een introverte benadering, en met zulk fraaie afgewerkt orkestspel als deze avond leverde dat een mooie uitvoering op. De zwierigheid in het tweede en derde deel waren exemplarisch en klonken zeer weens. Goed dat ook de harp alle nadruk kreeg. Ja, gewoon erg fraai deze Eerste Mahler.

01 oktober 2009

Mahler 1


Ik heb mezelf getrakteerd op een abonnement op de Mahler-serie van het KCO. Tot juni 2011 speelt het orkest alle symfonieën en Das Lied von der Erde. In de keuze van de dirigenten speelt het orkest niet louter op safe. Met Jansons (2, 3 en 8), Haitink (9), Boulez (7) en Inbal (10) staan gelouterde Mahler-dirigenten voor het orkest. Maar met Harding (1), Gatti (5) en Maazel (6) kan het alle kanten op. Ik kijk het meest uit naar de Jansons-concerten en naar Boulez en Fischer (4). Maar eigenlijk naar de hele serie, want die vormt een mooie aanleiding om het symfonische werk van Mahler gefaseerd opnieuw te doorgronden.
Ik ben van plan analoog aan de concerten een vergelijkende discografie van mijn Mahler-cd-collectie te doen. Van alle symfonieën heb ik meerdere uitvoeringen in de kast staan; boeiend om die eens te vergelijken. Hoe aardig het idee ook, het is geen licht werk. Van de Eerste symfonie heb ik op de één of andere manier in de loop der tijd tien uitvoeringen op cd weten te verzamelen. Die draai je niet zomaar op een zondagmiddag… En bij de Zesde (ik geloof negen uitvoeringen op cd) moet ik oppassen dat ik halverwege niet aan de Prozac moet.

De Eerste Mahler was ook mijn eerste kennismaking met zijn muziek. Het is voor de ongeoefende luisteraar, met zijn Vierde, zijn meest toegankelijke symfonie. Opvallend is de relatieve hoge kwaliteit van deze Eerste. Waar veel andere grote componisten met hun eerste symfonie nog aan het opwarmen zijn, leverde Mahler op zijn 28ste meteen een origineel, eigenzinnig en groots werk af. Het eerste deel vind ik erg intens, zeker de ijl klinkende vogeltjes-passage na de (herhaalde) expositie: origineel, briljant georkestreerd, dreigend. Het tweede en derde deel zijn relatieve rustpunten, maar ook daarin zijn er dreigende elementen. Alles komt in het slotdeel tot uitbarsting, in een fraaie afwisseling van hard en zacht, storm en rust, kakafonie en lyriek.

Zoals gezegd: er staan 10 opnames in mijn cd-kast. Daarvan laat ik drie opnames buiten deze vergelijking: Tennstedt, Muti en Bernstein uit de RCO-live Anthology box. Deze laatste betreft een opname van één concert uit een serie van meerdere, waaruit DG een commerciële opname samenstelde; deze DG-opname doet wel mee aan deze vergelijking. Er ontbreken natuurlijk ook opnames die hier misschien wel thuis hadden gehoord (Boulez, Solti, Walter). Maar je kunt niet alles hebben. Dat geldt ook voor ons allen: het blijft een raadsel waarom Von Karajan nooit een opname van deze symfonie heeft gemaakt; dat had zeker tot een interessant resultaat geleid.
De zeven opnames van deze Eerste Mahler die ik de afgelopen twee weken heb beluisterd bieden allemaal voldoende kwaliteit. Een slechte opname zit er eigenlijk niet tussen. De verschillen zijn soms minimaal, zeker in het slotdeel. Daar weten alle dirigenten wel raad mee: blijkbaar een deel dat nauwelijks ruimte voor interpretatie laat. Het blijkt bovendien lastig precies de verschillen tussen de opnames onder woorden te brengen. Die zijn soms zo minimaal, dat het benoemen daarvan de verschillen meer nadruk geven dan ze verdienen.


De oudste opname in deze vergelijking is van Carlo Maria Giulini en het Chicago Symphony Orchestra, dateert uit 1971 en neemt een bijzonder positie in de collectie in: Carlo Maria Giulini maakte slechts drie Mahler-opnames en geldt niet als een Mahler-dirigent. Enkele jaren later zou hij met hetzelfde orkest de Negende opnemen, en weer later in Berlijn Das Lied von der Erde, en daar bleef het bij. Maar deze Eerste bevestigt de grootheids van Giulini’s stijl. Het eerste deel sleept teveel en klinkt te hoekig en bonkig, maar in het tweede en derde deel verricht hij grootse daden. Het trio in het Scherzo klinkt neo-Brahms, en geen andere dirigent onderscheidt zich zo met het gedragen tempo van het derde deel. Het middendeel klinkt kamermuzikaal en ontroerend intiem. De finale wordt groots, breed, warmbloedig, maar uiterst secuur gespeeld.

Vrijwel gelijktijdig maakte Bernard Haitink met het Concertgebouworkest zijn tweede opname van dit stuk. Kort na zijn benoeming als chefdirigent werd al een opname gemaakt (ik geloof in 1961), maar deze werd door Haitink als jeugdzonde verworpen. Voor de in opbouw zijnde serie Mahler-opnamen werd in 1972 opnieuw deze Eerste op de lessenaars gezet. Het is een typische ‘vroege’ Haitink: relatief licht, vloeiend en vooral voor zichzelf sprekend. De uitvoering staat als een huis, is coherent en krachtig.

Vier jaar later startte Haitink de Mahler-Kerstmatinees, te beginnen met deze Eerste. De uitvoering vormt – hoe bijzonder! – in stijl een eenheid met de andere Kerstmatinee-Mahlers van de tien jaar hierna: dreigend, fel, dikwijls sneller dan gebruikelijk, dramatisch, en in deze Eerste soms zelfs overrompelend (Finale). De enorme intrinsieke kracht, passie en gedrevenheid zijn verbluffend; zo kan dit stuk dus óók klinken.

In oktober 1987 stond tijdens een regulier concert in de D-serie waar ik op geabonneerd was Leonard Bernstein voor het orkest. DG fabriceerde van de serie concerten een commerciële opname als onderdeel van de Mahler-serie die Bernstein maakte met de drie orkesten die Mahler zelf ooit gedirigeerd heeft: de New York Philharmonic, de Wiener Philharmoniker en het Concertgebouworkest. Deze opname heeft voor mij een bijzondere lading omdat ik zelf in het publiek zat, maar los van dat: dit is de beste van deze vergelijking. Het eerste deel is gedetailleerd, spannend en toch ook vloeiend; de glissandi zijn erg fraai gerealiseerd. Het tweede deel is relatief langzaam, maar zowel analytisch als muzikaal. Het derde deel wordt dan weer wat vlotter genomen; hoe fraai spelen de viool en hobo die prachtige passage in het middengedeelte. De finale is flitsend en groots. Van de live-uitvoering herinner ik me vooral het moment waarop de hoorns gingen staan, precies volgens de aanwijzingen in de partituur! Bij Bernstein denk je dan eigenlijk aan overdrijving, maar dat is hier geenszins het geval. Wel interpreteert hij de aanwijzingen van Mahler in de partituur soms wat letterlijker dan andere dirigenten, maar wat is daarop tegen? Dit is de meest coherente en idiomatische uitvoering van dit zevental.


Twee jaar later maakte DG ook in Berlijn een live-opname, van de Berliner Philharmoniker onder leiding van Claudio Abbado. Tijdens de periode Von Karajan waren de symfoniën van Mahler geen standaard-repertoire, en dat hoor je in deze opname. Het orkest is nog niet volledig vertrouwd met deze muziek, en ook Abbado dwingt geen coherente lezing af. Maar het geweldige orkestspel en het feit dat je Abbado hoort schaven aan de uitvoering maakt dit wel een spannende opname. En Abbado is een verhalenverteller, en haalt hier het onderste uit de kan.

Tijdens het Mahlerfeest in 1995 betekende de uitvoering van Mahlers Eerste de doorbraak van Riccardo Chailly als Mahlerdirigent. De opname valt echter in deze vergelijking fors tegen. Het KCO speelt weliswaar prachtig, maar Chailly dirigeert gemaniëreerd. Hij legt de nadruk op nagenoeg alle details; vermoeiend en betweterig. Alsof hij wil zeggen: kijk mij eens alles doorhebben van deze muziek. De grote lijn wordt volledig opgeofferd aan alle details; dat is prettig om die allemaal eens gepresenteerd te krijgen, maar erg idiomatisch is het niet. Helaas!

In augustus 2006 speelde het KCO o.l.v. Mariss Jansons de Eerste tijdens een zomerconcert, en ook later dat najaar nog een paar keer. Van al die concerten werd een RCO-live opname gemaakt, die in deze vergelijking hoge ogen gooit en wat mij betreft alleen Bernstein voor moet laten gaan. Jansons ontlokt in elk geval aan het KCO het beste orkestspel, maar daarnaast is zijn opvatting evenwichtig, gedreven, markant. Hij overdrijft nergens, maar drukt wel een eigen pulserende stempel op het stuk.

Samenvattend: de oudere opnames van Giulini en Haitink zijn interessant voor wie deze grote dirigenten een warm hart toedraagt. Ze bieden beide prima uitvoeringen. Interessanter zijn de live-opnames van Haitink tijdens de Kerstmatinee en van Abbado: hier regeren de kracht van het live-moment. Chailly valt tegen door zijn overbelichting van de details. De beste, krachtigste, evenwichtigste en meest gedreven uitvoeringen komen van Bernstein en Jansons, beide met het (Koninklijk) Concertgebouworkest; beide opnames zijn samengesteld uit meerdere live-opnames, en bij allebei zit ik bij een van die uitvoeringen in de zaal. Bernstein trekt bij mij uiteindelijk aan het langste eind: hij legt net iets meer persoonlijkheid en diepte in de uitvoering, zonder te overdrijven.

Opera 30 september 2009


Woensdag 30 september 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Halévy: La Juive

Rachel - Angeles Blacas Gulín
Eléazar - Dennis O'Neill
Léopold - John Osborn
Eudoxie - Annick Massis
Cardinal de Brogni - Alastair Miles
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Carlo Rizzi

Tweede keer naar La Juive, en geen spijt. Er zijn vele zwakke momenten in deze lange opera, maar de spaarzamere sterke momenten vergoeden alles. Al die overgangen middels pizzicati.... En de finale van het eerste en tweede bedrijf lijken inhoudelijk sterk op elkaar; steeds voortdurend roepen dat de situatie verwarrend is (á la Rossini); tja, dat schiet niet echt op. Maar zoals opgemerkt bij mijn vorige log: naarmate de opera vordert neemt de kracht ervan toe. La Juive is overigens een van de weinige opera's waarvan het verhaal ijzersterk en tijdloos is. De thematiek is actueel, en ook sterk invoelbaar. De confrontatie van wereldlijke en religieuze krachten: bijzonder scherp allemaal. Die confrontatie vormt ook de kern van de enscenering, wat een schitterend toneelbeeld steeds. En wat een dubbele gelaagdheid in de verhaallijn. Iedereen is gevangene van zijn eigen situatie en halsstarrigheid, en hoe begrijpelijk die ook zijn: ze vallen er allemaal aan ten prooi. De virtuoze aria's van prinses Eudoxie worden door Annick Massis uitstekend gezongen; Angeles Blacas Gulín behoudt de gehele voorstelling kracht van stem en Dennis O"Neill grijpt je in zijn aria aan het slot van het vierde bedrijf naar de strot. En het orkest speelde onberispelijk. Rizzi dirigeert ogenschijnlijk achteloos, maar hij heeft de boel volledig onder controle. Toch weer een mooie avond.

27 september 2009

Concert 26 september 2009


Zaterdag 26 september 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Neeme Järvi
Alban Gerhardt, cello

Tüür: Aditus
Prokofiev: Sinfonia concertante
Von Weber: Ouverture en mars uit 'Turandot'
Hindemith: Symfonische metamorfosen


De D-serie van het nieuwe seizoen begon met dit wat bonte repertoire, waarin de Sinfonia concertante van Prokofiev en de Symfonische metamorfosen van Hindemtih de hoofdschotel vormden. Als aperitief een stevig klankvol stuk van de Estse componist Erkki-Sven Tüür, waarschijnlijk een goede bekende van landgenoot Järvi. De Sinfonia concertante van Prokofiev had ik nog nooit eerder gehoord, en bleek een prachtig virtuoos en hondsmoeilijk stuk, dat door de mij even onbekende als geweldig spelende cellist Alban Gerhardt technisch nagegoeg perfect werd gespeeld. Bovendien was het samenspel met het orkest bijzonder fraai: ook in de luidere passages bleef je de cello horen; goed gedirigeerd door Järvi derhalve. De Turandot-ouverture van Von Weber was een programmatische opmaat voor de Symfonische metamorfosen van Hindemith: in het tweede deel daarvan heeft Hindemith zich op het Von Weber-stuk gebaseerd. Die hele Symfonische metamorfosen vormen een lekker stuk: beetje modern, beetje jazz, beetje boersigheid, beetje mooispelerij - alles bij elkaar een goed orkestwerk. Het KCO speelde het meer op routine dan op het scherpst van de snede, maar dan nog voldoende goed om ervan te kunnen genieten. Om het publiek na afloop toch nog tot de gebruikelijke staande ovatie uit te nodigen werd de mars uit het Von Weber-stuk herhaald: Jarvi dirigeerde met in zijn linkerhand de bos bloemen en in de rechter zijn dirigeerstok. Thuis moest ik andere muziek opzetten om dat steeds herhaalde thema uit mijn hoofd te krijgen.

09 september 2009

Opera 8 september 2009


Dinsdag 8 september 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Halévy: La Juive

Rachel - Angeles Blacas Gulín
Eléazar - Dennis O'Neill
Léopold - John Osborn
Eudoxie - Annick Massis
Cardinal de Brogni - Alastair Miles
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Carlo Rizzi

La Juive is een specimen van de grand opéra, maar opvallend zijn de vele intieme en breekbare scenes en passages. Bij de term grand opéra denk je aan golven geluid, maar dat blijkt een misvatting. Een muzikaal meesterwerk is dit werk uit 1835 zeker niet; met name in de eerste en tweede akte komt de muzikale handeling maar niet uit zijn cocon - ik zat tijdens deze twee bedrijven enkele keren stevig te verlangen naar een opzwellende melodie of interessante muzikale gedachte. Dat wil niet zeggen dat die eerste twee aktes slecht zijn; het openingsensemble aan het begin van het tweede bedrijf is bijzonder sfeervol. In de derde akte bloeit de muziek opeens op - het leek wel alsof Halévy een bijzondere voorkeur voor de rol van prinses Eudoxie had, want de scenes waarin zij optreedt zijn muzikaal erg fraai gecomponeerd. Maar goed, tot zover de kanttekeningen. Want ik heb een uitermate interessante opera gehoord, waarin vijf prima tot uitstekende zangers de centrale handeling vertolken, het orkest onder leiding van Rizzi uiterst verzorgd en subtiel begeleidde, en die - ik kan niet anders zeggen - subliem geënsceneerd is. Het toneelbeeld behoort tot de fraaiste die ik ooit zag. Evenals bij Carmen worden de bedrijven die op verschillende plaatsen afspelen door hetzelfde materiaal uitgebeeld. En laat de tandem Audi-Tsypin maar zijn gang gaan! Wat was het mooi en effectief. Hoogtepunt: de ononderbroken overgang van het vierde naar het vijfde bedrijf.
Interessante overweging: zonder Halévy een muzikale grootheid te willen noemen, heeft hij met deze opera toch zeker een stap in de operageschiedenis gezet. Het stuk dateert uit 1835; welke grootse romantische voorgangers in dit genre waren er toen al eigenlijk? Met Guillaume Tell van Rossini en de opera's van Von Weber heb je het dan wel eigenlijk gehad (ik laat de andere opera's van Halévy en Meyerbeer even buiten beschouwing - want je kunt jezelf niet als lichtend voorbeeld gebruiken. Of was Meyerbeer dan de baanbreker?). Daar heeft de muziek in La Juive soms wel het midden van: een beetje Rossini- en Von Weber-achtige riedeltjes. Maar La Juive is zeker niet in Rossini- of Von Weberstijl geschreven. Enfin, om verder over te piekeren. Dat ga ik zeker doen in de aanloop naar en tijdens mijn tweede bezoek aan deze opera, aan het einde van de voorstellingenreeks. En een componist die een aria orkestraal inleidt door een solo door twee cors anglais was zeker geen gemakzuchtige luiaard.

27 augustus 2009

Concert 26 augustus 2009


Woensdag 26 augustus 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Magdalena Kozená, mezzo-sopraan

Sibelius: Symfonie nr. 1
Duparc: L'invitation au voyage
Duparc: Extase
Duparc: Le manoir de Rosemonde
Duparc: Chanson triste
Duparc: Phidylé
Ravel: Daphinis et Chloé - Suite nr. 2


Na het stevig-wellluidende Duits-Russische programma van afgelopen zaterdag vanavond de fijnzinnige Fins-Franse tegenhanger. Jazeker, ook dit concert was weer een geweldige onderstreping van het feit dat er tien minuten fietsen van mijn huis (ik hoef slechts de hoek om en dan gewoon rechtdoor) een gebouw staat met een huisorkest erin dat een verwende muzikale gehoorfreak haast iedere keer opnieuw uitdaagt om nieuwe superlatieven te bedenken. En was in de tijd van Haitink en daarna ook met Chailly de chef op de bok de regel, nu is dat met Jansons een uitzondering en staat het orkest (uit zichzelf al een toporkest) met deze topdirigent 'am Pult' bij voorbaat op scherp. Wanneer het orkest zich daarbij volledig vertrouwt voelt met de uit te voeren muziek, dan is 1 plus 1 per definitie minstens 3, zoals afgelopen zaterdag in Sjostakovitsj, en deze avond in Ravel. Die Tweede suite uit Daphinis et Chloé vind ik een raar geval. Bij een complete uitvoering van de Daphnis et Chloé zit je eigenlijk ruim een half uur te wachten op het moment waarop juist deze suite begint: het Lever du jour is zo ongelooflijk prachtig dat mij eens bij een volledige uitvoering onder Haitink op dat climaxmoment spontaan de tranen in de ogen sprongen. De KCO-opname van Chailly is juist in dat Lever du jour ongeëvenaard mooi (de fluiten!). Maar: met deze Tweede suite op het programma val je als luisteraar meteen, maar dan ook direct in dit sublieme moment. Tja, daar is in de muziek niet voor niks de langzame inleiding of de opmaat voor uitgevonden. Seks die meteen met een orgasme begint is ook niet alles... In deze Tweede suite wordt dus het zwaartepunt verlegd naar die fluitsolo en naar de extatische finale. Tja, daarin waren Emily Beynon, de rest van het KCO en Jansons in hun element. In het programma na de pauze klonken daarvoor vijf liederen van Duparc, die ik alleen in hun oorspronkelijke versie met piano ken. Met orkest zijn deze liederen nog fraaier, zeker wanneer ze gezongen worden door Kozená, die twee jaar geleden onder Haitink bij mij diepe indruk maakte als Mélisande en een half jaar geleden samen met Rattle in liederen van Berg de Rotterdamse Doelen de adem ontnam. Ik zat vanavond op het zijbalkon, en daar vond ik de verhouding tussen haar stem en het orkest niet helemaal ideaal. Het orkest was net iets te overheersend. Ondanks dat: wat een prachtmuziek en wat een subtiliteiten in klank; Phidylé bracht me even los van het hier en nu. De toegift kon en kan ik niet thuisbrengen. Ik heb een cd van alle Duparc-liederen gezongen door José van Dam, maar daarop geen lied dat ik met die toegift kan associëren. Of was het toch 'Le galop'? Voor de pauze de Eerste van Sibelius. Daarover heb ik me zowel tijdens als na de uitvoering voortdurend zitten afvragen wat er toch mee aan de hand was. Het KCO is geknipt voor deze geweldige muziek, maar speelt het simpelweg te weinig. Jansons hanteerde relatief langzame tempi en dan komt het bij deze subtiele en eigenaardige muziek aan op volledige beheersing. En hoe fraai het orkest ook klonk, en hoeveel geweldige nieuwe details ik hoorde, ik vond het orkest ontzettend onzeker klinken; alsof het ieder moment uit de bocht kon vliegen. Enkele hout- en koperblazers en ook de paukenist zaten er allemaal wel ergens net een tikkie naast, en dat leek me uitsluitend te wijten aan de onbekendheid met dit stuk. In Preludium staat gewoonlijk de uitvoeringshistorie van gespeelde stukken, maar die informatie ontbrak nu in de Robeco-kraak-papieren. Volgens mij is het lang geleden dat het KCO deze Eerste Sibelius op de lessenaars had staan; ik heb het ze nog nooit eerder horen spelen. Tja, Sibelius is net als Bruckner en Mahler: die moet je op/in je genen hebben zitten. En dat heeft het KCO helaas (nog) niet. Jansons is de eerste KCO-chefdirigent sinds tijden die Sibelius bij zijn orkest dirigeert, maar de Finse meester is echt dé blinde vlek van het KCO. Goed, een lang verhaal, maar het concert van deze avond bezorgde me nogal wat hoofdbrekens. Het was allemaal ontzettend mooi, ik zou haast zeggen: subliem. Maar volledig perfect vond ik het als verwende gehoorfreak niet. Wel memorabel, vandaar deze log. (De afbeelding hieronder is een ets van Marcel Vertes uit 1951: Daphnis et Chloe.)

25 augustus 2009

Concert 22 augustus 2009


Zaterdag 22 augustus 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons

Schnittke: Ritual
Haydn: Symfonie nr. 100
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 10


Van 6 tot 11 juni 1995 vonden er in het Concertgebouw zes bijzondere concerten plaats. Het Orkest van de 18e eeuw o.l.v. Frans Brüggen speelde toen alle Londense symfonieën, tijdens ieder concert twee, van elkaar gescheiden door een aria gezongen door Charlotte Margiono. Deze concerten begonnen om 23.00 uur, hadden geen pauze en waren een uurtje later, dus rond middernacht, weer afgelopen. De zaal zat hooguit halfvol, en vlakbij mijn mooie plaats in het midden van de zaal zat tijdens enkele van deze zes concerten Mariss Jansons, die die dagen bij het KCO dirigeerde. Ik moest hieraan denken toen aan het slot van de Militaire van Haydn de trom en bellen van achteruit de zaal in kwamen en het slot van deze verrukkelijke symfonie een nog vrolijker karakter gaven. Want tijdens de uitvoering o.l.v. Frans Brüggen op 6 juni 1995 gebeurde iets vergelijkbaars. Zou Jansons het idee toen opgedaan hebben? Enfin, het effect was groots, maar daarvoor had al een weliswaar relatief traditionele, maar uiterst transparant gespeelde uitvoering van dit meesterwerk geklonken. Werkelijk iedere orkestgroep bleef voortdurend hoorbaar; wat speelde het orkest groots. Zo ook in de Tiende van Sjostakovitsj, die ik eigenlijk altijd al een wat overgewaardeerde symfonie vond. Het stuk kwam regelmatig voorbij, maar echt overtuigend heb ik het nooit gevonden. Tot deze avond. Zo overweldigend en spetterend kan dit stuk dus ook klinken; Jansons is toch echt een tovenaar. Het is bij Sjostakovitsj soms wel meer van hetzelfde, maar boeiend is zijn muziek bijna altijd. En wanneer deze zo glansrijk, krachtig en gedetailleerd-pulserend wordt gespeeld als tijdens dit concert zit je op het puntje van je stoel. Het concert opende al fraai door het welluidende Ritual van Schnittke, dat fraai wegstierf. Het orkestseizoen kon niet beter beginnen!

22 augustus 2009

Opera 20 augustus 2009


Donderdag 20 augustus 2009, Weststellingwerf
Opera Spanga

R. Strauss: Elektra

Elektra - Francis van Broekhuizen
Klytemnestra - Klara Uleman
Chrysothemis - Maaike Widdershoven
Orest - Anthony Heidweiller
Spanga Festival Orkest o.l.v. David Levi

Toen vrienden vertelden dat ze naar een uitvoering van de Elektra in het Weststellingwerfse boerenland zouden gaan en mij vroegen 'Ga je mee?' bestelde ik enkele dagen voor de voorstelling via de website een kaartje voor deze donderdagavond. Het werd een gedenkwaardige avond! Uiteraard door de uitvoering en enscenering van deze heftigste aller Strauss-opera's. Een gelegenheidsorkest van zo'n 35 man (waar normaal een orkest van drie keer zo groot aantreedt), en zangers die nooit op de grote podia te zien zullen zijn. Maar desondanks: een bijzonder overtuigende en pakkende Elektra. Francis van Broekhuizen zong zeer behoorlijk en ook de twee andere damesrollen waren voldoende krachtig bezet. Je gaat niet naar Opera Spanga voor een eersteklas topuitvoering, maar dit was een derderangs topuitvoering! De enscenering had wél zo op de grote podia gekund. Wanneer Elektra en Orest na hun hereniging op de wip gaan zitten, is een regelrechte vondst; beiden keren dan even weer terug naar de tijd waarin ze van elkaar werden gescheiden. De kracht van de voorstelling werd door de natuur subliem ondersteund. Op het moment dat de voorstelling zou beginnen barstte net het onweer los waarvoor het KNMI een weeralarm had afgegeven. Gelukkig viel het allemaal mee en omdat door een blessure bij de dirigent het geheel toch al een half uur later kon beginnen, was het ergste bij aanvang van de muziek alweer achter de rug. Maar het eerste uur werd het bühnebeeld door prachtige weerlichten omlijst. Tijdens de monoloog van Elektra een paar keer op de juiste momenten. Ik nam bovenstaande foto met mijn mobiele telefoon, een halfuurtje voor aanvang vanaf mijn zitplaats. Dan valt voor te stellen hoe zo'n onweer dan kan meehelpen (als je erop klikt komt-i wat groter op je scherm). De scenefoto hieronder is van de website van Francis van Broekhuizen (fotograaf Maarten van de Velde).
Op YouTube is een opname van de de laatste twee minuten te horen en te zien - klik hier.

13 augustus 2009

Concert 9 augustus 2009


Zondag 9 augustus 2009, Concertgebouw Kleine Zaal Amsterdam
Ronald Brautigam, fortepiano

Beethoven: Pianosonate nr. 27
Beethoven: Pianosonate nr. 28
Beethoven: Pianosonate nr. 30
Beethoven: Pianosonate nr. 31
Beethoven: Pianosonate nr. 32


Met de Hammerklaviersonate vormen de vier sonates 28 en 30-32 van deze avond de 'late pianosonates' van Beethoven, waarin de eigenzinnigheid en onnavolgbaarheid hoogtij vieren. Het zijn stukken die je nooit zomaar even beluistert, maar die je altijd tot concentratie dwingen. Zo'n concert in die intieme Kleine Zaal vol stille aandachtige luisteraars is dan een intense happening, zeker ook door het uitdagende spel van Brautigam. In de Sonate nr. 28 op. 101 en met name het middendeel van nr. 31 op. 110 leidde dat tot de nodige missertjes, maar die meesterlijke Thema en variaties uit nr. 30 op. 109 en de Arietta uit nr. 32 op. 111 slaagden wonderwel. Maar missertjes of niet: Brautigam is een uitstekend pianist die het grillige karakter van deze stukken haarfijn trof. Hij is geen Pollini, Goode of Gilels van wie ik prachtige cd-opnames in mijn kast en op mijn iPod heb staan, maar hij verzorgde wel twee mooie recitals.

12 augustus 2009

Concert 7 augustus 2009


Vrijdag 7 augustus 2009, Concertgebouw Kleine Zaal Amsterdam
Ronald Brautigam, fortepiano

Beethoven: Pianosonate nr. 24 'Für Therese'
Beethoven: Pianosonate nr. 25
Beethoven: Pianosonate nr. 22
Beethoven: Pianosonate nr. 26 'Les adieux'
Beethoven: Pianosonate nr. 29 'Hammerklavier'


Ik kom gemiddeld iedere anderhalf à twee weken in het Concertgebouw, maar de laatste keer dat ik een concert in de Kleine zaal bezocht is al zeker enkele jaren geleden; volgens mij is dit de eerste muzieklog van een concert in de Kleine Zaal (en deze log is nu bijna drie jaar oud). Enfin, beter laat dan nooit, en dit en het hiernavolgende concert pasten perfect juist in die Kleine Zaal. Ronald Brautigam speelde in zes concerten alle pianosonates van Beethoven; ik kocht een los kaartje van de laatste twee concerten met de late sonates. Het zijn de sonates waarin Beethoven de al eerder in gang gezette ontworsteling aan de vaste sonatevorm omzet in een geheel persoonlijke vorm, even grillig als onnavolgbaar. Maar altijd meesterlijk. Het is dit inzicht die juist deze twee concerten - anders dan thuis op cd of bij uitvoering van een losse sonate als onderdele van een recital - zo speciaal maakten. Want die ogenschijnlijk zo braaf ingezette sonate nr. 22 op. 54 kent een tweede deel waarna pianist en luisteraar met tong op de knieën achterblijven. Maar goed, hoe fraai die andere sonates nr. 24-26 ook zijn, bij de Hammerklavier verbleekt eigenlijk alles - het Adagio is voor mij het ultieme pianostuk. Brautigam speelde prima. Niet feilloos, maar gedurfd en stevig aangezet. En om de Hammerklavier op een Hammerklavier te horen door zo'n goede pianist die zelf ook een beetje aan Beethoven doet denken...

27 juli 2009

Concert 26 juli 2009


Zondag 26 juli 2009, Concertgebouw Amsterdam
Pieter Wispelwey, cello

Bach: 6 Suites voor cello

Bij pianorecitals in de Grote Zaal vind ik het al zo'n fascinerend gezicht: louter een piano op het podium en dan opeens een meneer die daarachter plaatsneemt en dan het toegestroomde publiek in zijn ban houdt. Deze avond een nog fascinerender aanblik: slechts de kleine verhoging en een kruk, en dan Pieter Wispelwey die met zijn gezicht recht naar de Grote Zaal van half acht tot tegen elf uur uit zijn hoofd (!!) de zes suites voor cello speelt; 36 afzonderlijke delen louter subliem, subliemer, subliemst. Wat ik met Bachs Sonates en Partita's voor viool niet heb, heb ik in overvloedige mate juist wel met zijn Suites voor cello: het gevoel van ultieme muzikale essentie. Zegt Bach in deze Suites eigenijk niet alles wat er via klanken gezegd kan worden...? Daarmee wil ik alle overige muziek bepaald niet declasseren, maar deze Suites zijn zo rijk als muziek maar rijk kan zijn. En Wispelwey speelde prachtig, uitdagend, volbloedig en eigenzinnig. En zijn cello vulde de Grote Zaal alsof die zaal ervoor ontworpen was. Tja, een uitmuntende cellist in die prachtige zaal, en dan die cellosuites van Bach...

07 juli 2009

Concert 28 juni 2009


Zondag 28 juni 2009, Concertgebouw Amsterdam
Viktoria Mullova, viool
Pieter Wispelwey, cello
Kristian Bezuidenhout, fortepiano

Haydn: Pianotrio in E, Hob.XV:28
Haydn: Pianotrio in C, Hob.XV:27
Schubert: Pianotrio nr 2, D929


Een ruim halfvolle Grote Zaal voor drie verrukkelijke pianotrio's, gespeeld door drie meer dan uitstekende instrumentalisten. Dit was geloof ik de eerste keer dat ik naar een pianotrio-concert ging, wat een heerlijkheid deze avond! Van Haydn heb ik weliswaar de doos met complete pianotrio's gespeeld door het Beaux Arts Trio, waarvan ik enkele stukken via mijn iPod regelmatig beluister, maar deze twee in E en C had ik nog niet eerder opgezet. Ze staan inmiddels op mijn iPod - het is prachtige muziek waarin Haydn (meer nog dan met zijn symfonieën) de ware wegbereider van Beethoven blijkt. En waarmee je moeiteloos een hele avond kan vullen; doe er nog maar eentje als het stuk uit is. Na de pauze misschien wel het grootste pianotrio uit de muziekliteratuur: het dramatische Pianotrio in Es van Schubert. Ook daarvan bezit ik een opname van het Beaux Arts Trio, dat ik meer dan regelmatig draai - het is een onbetwist meesterwerk. Naast de sublieme melodie van het Andante - en wat een ontwikkeling in dit deel! - zijn het ook de tweede thema's van het openings- en slotdeel die je bij je lurven grijpen. Maar ook als bouwwerk is het stuk meer dan groots: met zijn ruim 40 minuten is het van symfonische lengte. Mullova, Wispelwey en Bezuidenhout zijn ieder grootheden op hun instrument, echter ook als ensemble klonk alles bijzonder homogeen. De klank van de fortepiano moest het in de climax van het Andante uit het Schubert-trio afleggen tegen de cello en de viool, maar verder klonken hier drie uitstekende uitvoeringen. Twee aparte afbeeldingen van de vader en de grootmeester van het pianotrio...