
Ik heb mezelf getrakteerd op een abonnement op de Mahler-serie van het KCO. Tot juni 2011 speelt het orkest alle symfonieën en Das Lied von der Erde. In de keuze van de dirigenten speelt het orkest niet louter op safe. Met Jansons (2, 3 en 8), Haitink (9), Boulez (7) en Inbal (10) staan gelouterde Mahler-dirigenten voor het orkest. Maar met Harding (1), Gatti (5) en Maazel (6) kan het alle kanten op. Ik kijk het meest uit naar de Jansons-concerten en naar Boulez en Fischer (4). Maar eigenlijk naar de hele serie, want die vormt een mooie aanleiding om het symfonische werk van Mahler gefaseerd opnieuw te doorgronden.
Ik ben van plan analoog aan de concerten een vergelijkende discografie van mijn Mahler-cd-collectie te doen. Van alle symfonieën heb ik meerdere uitvoeringen in de kast staan; boeiend om die eens te vergelijken. Hoe aardig het idee ook, het is geen licht werk. Van de Eerste symfonie heb ik op de één of andere manier in de loop der tijd tien uitvoeringen op cd weten te verzamelen. Die draai je niet zomaar op een zondagmiddag… En bij de Zesde (ik geloof negen uitvoeringen op cd) moet ik oppassen dat ik halverwege niet aan de Prozac moet.
De Eerste Mahler was ook mijn eerste kennismaking met zijn muziek. Het is voor de ongeoefende luisteraar, met zijn Vierde, zijn meest toegankelijke symfonie. Opvallend is de relatieve hoge kwaliteit van deze Eerste. Waar veel andere grote componisten met hun eerste symfonie nog aan het opwarmen zijn, leverde Mahler op zijn 28ste meteen een origineel, eigenzinnig en groots werk af. Het eerste deel vind ik erg intens, zeker de ijl klinkende vogeltjes-passage na de (herhaalde) expositie: origineel, briljant georkestreerd, dreigend. Het tweede en derde deel zijn relatieve rustpunten, maar ook daarin zijn er dreigende elementen. Alles komt in het slotdeel tot uitbarsting, in een fraaie afwisseling van hard en zacht, storm en rust, kakafonie en lyriek.
Zoals gezegd: er staan 10 opnames in mijn cd-kast. Daarvan laat ik drie opnames buiten deze vergelijking: Tennstedt, Muti en Bernstein uit de RCO-live Anthology box. Deze laatste betreft een opname van één concert uit een serie van meerdere, waaruit DG een commerciële opname samenstelde; deze DG-opname doet wel mee aan deze vergelijking. Er ontbreken natuurlijk ook opnames die hier misschien wel thuis hadden gehoord (Boulez, Solti, Walter). Maar je kunt niet alles hebben. Dat geldt ook voor ons allen: het blijft een raadsel waarom Von Karajan nooit een opname van deze symfonie heeft gemaakt; dat had zeker tot een interessant resultaat geleid.
De zeven opnames van deze Eerste Mahler die ik de afgelopen twee weken heb beluisterd bieden allemaal voldoende kwaliteit. Een slechte opname zit er eigenlijk niet tussen. De verschillen zijn soms minimaal, zeker in het slotdeel. Daar weten alle dirigenten wel raad mee: blijkbaar een deel dat nauwelijks ruimte voor interpretatie laat. Het blijkt bovendien lastig precies de verschillen tussen de opnames onder woorden te brengen. Die zijn soms zo minimaal, dat het benoemen daarvan de verschillen meer nadruk geven dan ze verdienen.

De oudste opname in deze vergelijking is van Carlo Maria Giulini en het Chicago Symphony Orchestra, dateert uit 1971 en neemt een bijzonder positie in de collectie in: Carlo Maria Giulini maakte slechts drie Mahler-opnames en geldt niet als een Mahler-dirigent. Enkele jaren later zou hij met hetzelfde orkest de Negende opnemen, en weer later in Berlijn Das Lied von der Erde, en daar bleef het bij. Maar deze Eerste bevestigt de grootheids van Giulini’s stijl. Het eerste deel sleept teveel en klinkt te hoekig en bonkig, maar in het tweede en derde deel verricht hij grootse daden. Het trio in het Scherzo klinkt neo-Brahms, en geen andere dirigent onderscheidt zich zo met het gedragen tempo van het derde deel. Het middendeel klinkt kamermuzikaal en ontroerend intiem. De finale wordt groots, breed, warmbloedig, maar uiterst secuur gespeeld.




Twee jaar later maakte DG ook in Berlijn een live-opname, van de Berliner Philharmoniker onder leiding van Claudio Abbado. Tijdens de periode Von Karajan waren de symfoniën van Mahler geen standaard-repertoire, en dat hoor je in deze opname. Het orkest is nog niet volledig vertrouwd met deze muziek, en ook Abbado dwingt geen coherente lezing af. Maar het geweldige orkestspel en het feit dat je Abbado hoort schaven aan de uitvoering maakt dit wel een spannende opname. En Abbado is een verhalenverteller, en haalt hier het onderste uit de kan.


Samenvattend: de oudere opnames van Giulini en Haitink zijn interessant voor wie deze grote dirigenten een warm hart toedraagt. Ze bieden beide prima uitvoeringen. Interessanter zijn de live-opnames van Haitink tijdens de Kerstmatinee en van Abbado: hier regeren de kracht van het live-moment. Chailly valt tegen door zijn overbelichting van de details. De beste, krachtigste, evenwichtigste en meest gedreven uitvoeringen komen van Bernstein en Jansons, beide met het (Koninklijk) Concertgebouworkest; beide opnames zijn samengesteld uit meerdere live-opnames, en bij allebei zit ik bij een van die uitvoeringen in de zaal. Bernstein trekt bij mij uiteindelijk aan het langste eind: hij legt net iets meer persoonlijkheid en diepte in de uitvoering, zonder te overdrijven.
6 opmerkingen:
Berichtje van een stille meelezer :-)
Ben erg benieuwd wat je er van vindt; ben zelf op woensdag en donderdag geweest, met de opnames van Haitink als enig referentiemateriaal.
Mooi artikel!
Je zegt: "De verschillen zijn soms minimaal, zeker in het slotdeel. Daar weten alle dirigenten wel raad mee. " Niet mee eens, er zijn maar weinig dirigenten die het orkest ´uit´ het exploderende begin van het slotdeel weten te leiden, zonder dat het in een chaos ontaardt. Luister eens naar de opname van Simon Rattle en het City of Birmingham Orchestra. Die doet dat briljant! (en dat zeg ik niet om nu eens aardig voor Rattle te zijn :) Boulez kan het ook.
Harding, Gatti en Maazel. Ik word er niet warm of koud van. Ik heb er geen kaarten voor.
Sinds vanavond ben ik een stuk minder enthousiast over Yannick. De negende van Beethoven klonk wel erg ouderwets, traag en ´dik´. Gelukkig was het slotdeel stralend en energiek, met uitstekende (verstaanbare) zangers en een goed koor.
De negende Beethoven door de Deutsche Kammerphilharmonie olv Paavo Järvi is nu te bestellen!
http://www.kammerphilharmonie.com/CDs.html
Live gehoord in Salzburg. Een gevoel van grote euforie!
Ben het met Leen eens over Yannick en Beethoven IX met het RPho...dit was toch een maatje te groot voor m, Kurtag fascinerend, geweldig radiokoor van Berlijn...maar Beethoven IX miste de ''spirit'' die me een paar jaar geleden onder leiding van Gergiev met het RPho trof. Gelukkig verandert Yannick dus niet alles al in goud en zijn er werken die nog moeten rijpen...
Mooi artikel waar ik het ook nog eens mee eens ben.
Gr, Richard.
Een reactie posten