
Het is net gelukt: het vergelijken van vijf opnames van Mahlers Derde symfonie, nog voordat ik naar de uitvoering door het KCO en Jansons zou gaan. De tekst van deze log kwam net af voor het concert – ik publiceer het er net na. Een vergelijking van vijf opnames met een eenduidig resultaat.
De uitvoering onder leiding van Jansons wordt de vijfde keer dat ik het werk live hoor. De eerste keer was in april 1991 in Rotterdam, gedirigeerd door James Conlon; het betrof zijn afscheidsconcert als chefdirigent van het RphO. In januari 1999 hoorde ik de symfonie wederom in Rotterdam, toen gedirigeerd door Gergiev. In augustus 2002 de eerste keer met het KCO, toen onder leiding van Eliahu Inbal die de zieke Chailly verving. De laatste keer was in 2004, toen Haitink en de Berliner Philharmoniker in Amsterdam op bezoek waren.
Mahlers Derde duurt ongeveer een uur en drie kwartier, en is daarmee de langste symfonie ooit geschreven. Toch is het geen zwaar werk: de eerste drie orkestrale delen zijn gevarieerd, bont en toegankelijk. De opnames die ik hier vergelijk maken duidelijk dat de vervolgdelen aan de symfonie een geheel verschillende lading kunnen geven, afhankelijk van de aard van de uitvoering: van licht en introvert, tot aangrijpend en expressief. Enerzijds bevat het werk veel licht-frisse natuur-elementen vol positieve uitbundigheid, anderzijds wijst het ook vooruit op met name de Vijfde en Negende symfonie waarin de menselijke emoties centraal staan.

Ik leerde de symfonie kennen met de eerste opname van
Bernard Haitink met het Concertgebouworkest, uit 1966. Het is van de drie hier besproken Haitink-opnames zijn meest overtuigende. Haitink dirigeert het stuk met een aanstekelijke frisheid en jeugdigheid die prima passen bij deze symfonie. Het eerste en derde deel klinken verrukkelijk spontaan en natuurlijk. Maureen Forrester zingt in het ‘O Mensch!’ met een prachtige altstem en de vrouwen- en kinderkoren in het vierde deel zijn perfect verstaanbaar. Het langzame slotdeel heeft een diepgang die Haitink in de latere opnames niet zou evenaren. Dit is nog steeds een prima uitvoering, en vergeleken met de andere de enige die deze symfonie relatief jeugdig en onbezwaard beschouwt.

Met Kerstmis 1983 was bij
Haitinks Kerstmatinee-cyclus de Derde aan de beurt. Wat opvalt: ook hier die verbetenheid die ook de andere kerstmatinee-uitvoeringen kenmerkt. Maar juist in deze Derde botst dat af en toe met de aard van de symfonie. Vooral in het eerste deel klinken de lyrische en zonnige marspassages niet zoals ze zouden moeten klinken. Zodra de muziek even dreigend wordt, hoor je opeens prachtige dingen, maar als geheel klopt het niet helemaal. Ook in het tweede en derde deel probeert Haitink een dreigende lading aan de muziek te geven die er niet is. In het vierde deel zingt Carolyn Watkinson erg fraai, en de vervolgdelen zijn gewoon prachtig. Maar niet mooier dan bij de opname uit 1966.

In november 1987 – een maand na zijn geweldige live-opname van de Eerste symfonie met het Concertgebouworkest (zie
hier de bespreking) – dirigeerde
Leonard Bernstein de Derde bij het New York Philharmonic Orchestra. En het moet er maar meteen uit: dit is allerwegen en onbetwist de beste uitvoering van alle hier besproken opnames. In mijn opschrijfboekje dat ik bij het beluisteren van deze uitvoeringen bij de hand heb, staan bij ieder deel louter superlatieven. Bernstein weet in alle delen de sfeer precies te treffen, haalt details naar voren die bij anderen onderbelicht blijven zonder ze te laten overheersen, heeft de beste trombonist in het eerste deel, overtuigt als enige in het bij anderen wat matte tweede deel, heeft met Christa Ludwig de beste en intelligenste alt, en maakt van het slotdeel een onovertroffen emotioneel hoogtepunt. Haitink en Chailly nemen tussen de 22 en 24,5 minuten voor dit slotdeel, Bernstein 28,5! Met dat effectief-tergend langzame tempo bouwt hij de spanning werkelijk tot ultieme hoogten op; de muziek grijpt je naar de keel en laat je na afloop overvoerd achter. Mahler-liefhebbers kunnen niet om deze uitvoering heen.

De opname uit 2002 van
Riccardo Chailly met het Koninklijk Concertgebouworkest is van een grote schoonheid. Ondanks de relatief langzame tempi in het eerste t/m vierde deel houdt hij de spanning voortdurend vast en geeft hij een volledig afgewogen, natuurlijke en tegelijkertijd vloeiende uitvoering. Deze Chailly-Derde staat op even hoog niveau als zijn opname van de Tweede. Petra Lang zingt de ‘sch’ van het ‘O Mensch’ iets te lang en te geprononceerd, maar wat een fraaie stem heeft zij en hoe passend binnen de optiek van Chailly. Het slotdeel klinkt fraai lyrisch. Van alle opnames beschikt Chailly bovendien over het beste orkest en de mooiste opname. Voor wie een hekel heeft aan Bernstein (wat ik me eigenlijk niet kan voorstellen) heeft met de opname van Chailly het best denkbare alternatief.

In oktober 2006 dirigeerde
Haitink bij het Chicago Symphony Orchestra drie concerten met Mahlers Derde op het programma. Daarvan werd voor het nieuw te starten eigen label van het orkest een fraai klinkende opname gemaakt. Van de drie Haitink-opnames uit deze vergelijking is het echter de meest gemiddelde, en de minst overtuigende. Het Chicago Symphony is een geweldig orkest, maar de opvatting van Haitink en de tempi zijn te bedachtzaam en soms zelfs wat gewoontjes. De vaart is er soms helemaal uit, zonder dat er diepgang of spanning tegenover staat. Michelle DeYoung is de minst fraai zingende alt van deze vergelijking. Het slotdeel klinkt mooi maar wederom vlak.
ConclusieHet zal duidelijk zijn: Bernstein is mijn absolute winnaar van deze vergelijking, met Chailly op een goede tweede plaats. Voor de oude Concertgebouw-opname van Haitink zal ik altijd een zwak blijven houden: de frisse, jeugdige aanpak bezorgt die uitvoering een eigen positie. De Kerstmatinee-uitvoering is op punten mooi, maar ook wat onevenwichtig en niet altijd passend bij het karakter van deze symfonie. De Haitink-Chicago is te gewoontjes om te overtuigen.