
Woensdag 26 augustus 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Magdalena Kozená, mezzo-sopraan
Sibelius: Symfonie nr. 1
Duparc: L'invitation au voyage
Duparc: Extase
Duparc: Le manoir de Rosemonde
Duparc: Chanson triste
Duparc: Phidylé
Ravel: Daphinis et Chloé - Suite nr. 2
Na het stevig-wellluidende Duits-Russische programma van afgelopen zaterdag vanavond de fijnzinnige Fins-Franse tegenhanger. Jazeker, ook dit concert was weer een geweldige onderstreping van het feit dat er tien minuten fietsen van mijn huis (ik hoef slechts de hoek om en dan gewoon rechtdoor) een gebouw staat met een huisorkest erin dat een verwende muzikale gehoorfreak haast iedere keer opnieuw uitdaagt om nieuwe superlatieven te bedenken. En was in de tijd van Haitink en daarna ook met Chailly de chef op de bok de regel, nu is dat met Jansons een uitzondering en staat het orkest (uit zichzelf al een toporkest) met deze topdirigent 'am Pult' bij voorbaat op scherp. Wanneer het orkest zich daarbij volledig vertrouwt voelt met de uit te voeren muziek, dan is 1 plus 1 per definitie minstens 3, zoals afgelopen zaterdag in Sjostakovitsj, en deze avond in Ravel. Die Tweede suite uit Daphinis et Chloé vind ik een raar geval. Bij een complete uitvoering van de Daphnis et Chloé zit je eigenlijk ruim een half uur te wachten op het moment waarop juist deze suite begint: het Lever du jour is zo ongelooflijk prachtig dat mij eens bij een volledige uitvoering onder Haitink op dat climaxmoment spontaan de tranen in de ogen sprongen. De KCO-opname van Chailly is juist in dat Lever du jour ongeëvenaard mooi (de fluiten!). Maar: met deze Tweede suite op het programma val je als luisteraar meteen, maar dan ook direct in dit sublieme moment. Tja, daar is in de muziek niet voor niks de langzame inleiding of de opmaat voor uitgevonden. Seks die meteen met een orgasme begint is ook niet alles... In deze Tweede suite wordt dus het zwaartepunt verlegd naar die fluitsolo en naar de extatische finale. Tja, daarin waren Emily Beynon, de rest van het KCO en Jansons in hun element. In het programma na de pauze klonken daarvoor vijf liederen van Duparc, die ik alleen in hun oorspronkelijke versie met piano ken. Met orkest zijn deze liederen nog fraaier, zeker wanneer ze gezongen worden door Kozená, die twee jaar geleden onder Haitink bij mij diepe indruk maakte als Mélisande en een half jaar geleden samen met Rattle in liederen van Berg de Rotterdamse Doelen de adem ontnam. Ik zat vanavond op het zijbalkon, en daar vond ik de verhouding tussen haar stem en het orkest niet helemaal ideaal. Het orkest was net iets te overheersend. Ondanks dat: wat een prachtmuziek en wat een subtiliteiten in klank; Phidylé bracht me even los van het hier en nu. De toegift kon en kan ik niet thuisbrengen. Ik heb een cd van alle Duparc-liederen gezongen door José van Dam, maar daarop geen lied dat ik met die toegift kan associëren. Of was het toch 'Le galop'? Voor de pauze de Eerste van Sibelius. Daarover heb ik me zowel tijdens als na de uitvoering voortdurend zitten afvragen wat er toch mee aan de hand was. Het KCO is geknipt voor deze geweldige muziek, maar speelt het simpelweg te weinig. Jansons hanteerde relatief langzame tempi en dan komt het bij deze subtiele en eigenaardige muziek aan op volledige beheersing. En hoe fraai het orkest ook klonk, en hoeveel geweldige nieuwe details ik hoorde, ik vond het orkest ontzettend onzeker klinken; alsof het ieder moment uit de bocht kon vliegen. Enkele hout- en koperblazers en ook de paukenist zaten er allemaal wel ergens net een tikkie naast, en dat leek me uitsluitend te wijten aan de onbekendheid met dit stuk. In Preludium staat gewoonlijk de uitvoeringshistorie van gespeelde stukken, maar die informatie ontbrak nu in de Robeco-kraak-papieren. Volgens mij is het lang geleden dat het KCO deze Eerste Sibelius op de lessenaars had staan; ik heb het ze nog nooit eerder horen spelen. Tja, Sibelius is net als Bruckner en Mahler: die moet je op/in je genen hebben zitten. En dat heeft het KCO helaas (nog) niet. Jansons is de eerste KCO-chefdirigent sinds tijden die Sibelius bij zijn orkest dirigeert, maar de Finse meester is echt dé blinde vlek van het KCO. Goed, een lang verhaal, maar het concert van deze avond bezorgde me nogal wat hoofdbrekens. Het was allemaal ontzettend mooi, ik zou haast zeggen: subliem. Maar volledig perfect vond ik het als verwende gehoorfreak niet. Wel memorabel, vandaar deze log. (De afbeelding hieronder is een ets van Marcel Vertes uit 1951: Daphnis et Chloe.)
