06 februari 2010

Concert 5 februari 2010


Vrijdag 5 februari 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Bernarda Fink, mezzosopraan
Groot Omroepkoor
Jongens van het Sacramentskoor Breda
Jongenskoor Rijnmond

Mahler: Symfonie nr. 3

Jansons blijft verbazen. Na zijn krachtige en gespannen uitvoering van de Tweede nu een lichtere, onspannender Derde. Orkestrale transparantie en een vloeiende natuurlijkheid in de muzikale beweging kenmerkten deze uitvoering, gespeeld door een fenomenaal spelend KCO - werkelijk alles lukte. De relatief ingehouden zingende Bernarda Fink paste volledig binnen de interpretatie van Jansons: het hele vierde deel culmineerde in een ragfijne samensmelting van orkest en stem in het 'Doch alle Lust will Ewigkeit!' De posthoorn in het derde deel klonk eerst vanuit de benedenfoyer rechts, daarna uit de gang rechts boven aan de trap, daarna links boven aan de trap. De bedoeling hiervan ontging me, maar het klonk wel erg stemmig. En Frits Damtow speelde foutloos! Of deze uitvoering, die ongetwijfeld op cd zal verschijnen, het wint van Bernstein durf ik niet te voorspellen, maar ik hoorde deze avond een geweldige Derde, gespeeld door een orkest en dirigent die als combinatie niet te verbeteren lijkt. Het applaus na afloop was één van de stormachtigste die ik ooit bij een KCO-concert hoorde.

05 februari 2010

Mahler 3


Het is net gelukt: het vergelijken van vijf opnames van Mahlers Derde symfonie, nog voordat ik naar de uitvoering door het KCO en Jansons zou gaan. De tekst van deze log kwam net af voor het concert – ik publiceer het er net na. Een vergelijking van vijf opnames met een eenduidig resultaat.
De uitvoering onder leiding van Jansons wordt de vijfde keer dat ik het werk live hoor. De eerste keer was in april 1991 in Rotterdam, gedirigeerd door James Conlon; het betrof zijn afscheidsconcert als chefdirigent van het RphO. In januari 1999 hoorde ik de symfonie wederom in Rotterdam, toen gedirigeerd door Gergiev. In augustus 2002 de eerste keer met het KCO, toen onder leiding van Eliahu Inbal die de zieke Chailly verving. De laatste keer was in 2004, toen Haitink en de Berliner Philharmoniker in Amsterdam op bezoek waren.
Mahlers Derde duurt ongeveer een uur en drie kwartier, en is daarmee de langste symfonie ooit geschreven. Toch is het geen zwaar werk: de eerste drie orkestrale delen zijn gevarieerd, bont en toegankelijk. De opnames die ik hier vergelijk maken duidelijk dat de vervolgdelen aan de symfonie een geheel verschillende lading kunnen geven, afhankelijk van de aard van de uitvoering: van licht en introvert, tot aangrijpend en expressief. Enerzijds bevat het werk veel licht-frisse natuur-elementen vol positieve uitbundigheid, anderzijds wijst het ook vooruit op met name de Vijfde en Negende symfonie waarin de menselijke emoties centraal staan.


Ik leerde de symfonie kennen met de eerste opname van Bernard Haitink met het Concertgebouworkest, uit 1966. Het is van de drie hier besproken Haitink-opnames zijn meest overtuigende. Haitink dirigeert het stuk met een aanstekelijke frisheid en jeugdigheid die prima passen bij deze symfonie. Het eerste en derde deel klinken verrukkelijk spontaan en natuurlijk. Maureen Forrester zingt in het ‘O Mensch!’ met een prachtige altstem en de vrouwen- en kinderkoren in het vierde deel zijn perfect verstaanbaar. Het langzame slotdeel heeft een diepgang die Haitink in de latere opnames niet zou evenaren. Dit is nog steeds een prima uitvoering, en vergeleken met de andere de enige die deze symfonie relatief jeugdig en onbezwaard beschouwt.


Met Kerstmis 1983 was bij Haitinks Kerstmatinee-cyclus de Derde aan de beurt. Wat opvalt: ook hier die verbetenheid die ook de andere kerstmatinee-uitvoeringen kenmerkt. Maar juist in deze Derde botst dat af en toe met de aard van de symfonie. Vooral in het eerste deel klinken de lyrische en zonnige marspassages niet zoals ze zouden moeten klinken. Zodra de muziek even dreigend wordt, hoor je opeens prachtige dingen, maar als geheel klopt het niet helemaal. Ook in het tweede en derde deel probeert Haitink een dreigende lading aan de muziek te geven die er niet is. In het vierde deel zingt Carolyn Watkinson erg fraai, en de vervolgdelen zijn gewoon prachtig. Maar niet mooier dan bij de opname uit 1966.


In november 1987 – een maand na zijn geweldige live-opname van de Eerste symfonie met het Concertgebouworkest (zie hier de bespreking) – dirigeerde Leonard Bernstein de Derde bij het New York Philharmonic Orchestra. En het moet er maar meteen uit: dit is allerwegen en onbetwist de beste uitvoering van alle hier besproken opnames. In mijn opschrijfboekje dat ik bij het beluisteren van deze uitvoeringen bij de hand heb, staan bij ieder deel louter superlatieven. Bernstein weet in alle delen de sfeer precies te treffen, haalt details naar voren die bij anderen onderbelicht blijven zonder ze te laten overheersen, heeft de beste trombonist in het eerste deel, overtuigt als enige in het bij anderen wat matte tweede deel, heeft met Christa Ludwig de beste en intelligenste alt, en maakt van het slotdeel een onovertroffen emotioneel hoogtepunt. Haitink en Chailly nemen tussen de 22 en 24,5 minuten voor dit slotdeel, Bernstein 28,5! Met dat effectief-tergend langzame tempo bouwt hij de spanning werkelijk tot ultieme hoogten op; de muziek grijpt je naar de keel en laat je na afloop overvoerd achter. Mahler-liefhebbers kunnen niet om deze uitvoering heen.


De opname uit 2002 van Riccardo Chailly met het Koninklijk Concertgebouworkest is van een grote schoonheid. Ondanks de relatief langzame tempi in het eerste t/m vierde deel houdt hij de spanning voortdurend vast en geeft hij een volledig afgewogen, natuurlijke en tegelijkertijd vloeiende uitvoering. Deze Chailly-Derde staat op even hoog niveau als zijn opname van de Tweede. Petra Lang zingt de ‘sch’ van het ‘O Mensch’ iets te lang en te geprononceerd, maar wat een fraaie stem heeft zij en hoe passend binnen de optiek van Chailly. Het slotdeel klinkt fraai lyrisch. Van alle opnames beschikt Chailly bovendien over het beste orkest en de mooiste opname. Voor wie een hekel heeft aan Bernstein (wat ik me eigenlijk niet kan voorstellen) heeft met de opname van Chailly het best denkbare alternatief.


In oktober 2006 dirigeerde Haitink bij het Chicago Symphony Orchestra drie concerten met Mahlers Derde op het programma. Daarvan werd voor het nieuw te starten eigen label van het orkest een fraai klinkende opname gemaakt. Van de drie Haitink-opnames uit deze vergelijking is het echter de meest gemiddelde, en de minst overtuigende. Het Chicago Symphony is een geweldig orkest, maar de opvatting van Haitink en de tempi zijn te bedachtzaam en soms zelfs wat gewoontjes. De vaart is er soms helemaal uit, zonder dat er diepgang of spanning tegenover staat. Michelle DeYoung is de minst fraai zingende alt van deze vergelijking. Het slotdeel klinkt mooi maar wederom vlak.

Conclusie
Het zal duidelijk zijn: Bernstein is mijn absolute winnaar van deze vergelijking, met Chailly op een goede tweede plaats. Voor de oude Concertgebouw-opname van Haitink zal ik altijd een zwak blijven houden: de frisse, jeugdige aanpak bezorgt die uitvoering een eigen positie. De Kerstmatinee-uitvoering is op punten mooi, maar ook wat onevenwichtig en niet altijd passend bij het karakter van deze symfonie. De Haitink-Chicago is te gewoontjes om te overtuigen.

02 februari 2010

Concert 30 januari 2010


Zaterdag 30 januari 2010, Concertgebouw Amsterdam
Orkest van het Mariinski Theater o.l.v. Valery Gergiev

Moessoergski: Nacht op de kale berg
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 1
Tsjaikovsky: Symfonie nr. 5


Er zijn hier vooruitlopend op deze log al de nodige ware woorden over dit concert geschreven. Inderdaad: het was een groots, memorabel concert. Het imago van Gergiev, dat je moet doen geloven dat hij per week meer concerten dirigeert dan er concerten zijn en dat hij het op het ultieme moment laat aankomen, werd tijdens dit concert flink tegengesproken. Wie zijn prachtige opname van Tsjaikovsky's Vierde met de Wiener Philharmoniker kent, had het kunnen weten (en ook eerdere concerten wezen er al op): Gergiev is eerder secuur en een controlfreak dan een impulsieve wildebras. Natuurlijk, zo'n Vijfde Tsjaikovsky spelen die Russen desnoods van achteren naar voren en je komt als hoornist pas voor een plek in een Russisch orkest in aanmerking als je bij het proefspel de opening van het tweede deel 200 keer achter elkaar volledig foutloos speelt, maar krijg een orkest maar eens zover dat ze iedere noot en passage spelen alsof het de eerste keer is, met aandacht voor ieder detail en tegelijkertijd vol spanning en dramatiek. Het eerste deel was opmerkelijk door de lage tempi, zowel in de inleiding (er staat: Andante...) als in de lyrische thema's in het vervolg. Maar het Andante cantabile werd zo ontzettend fraai gespeeld, dat ik me volledig gewonnen gaf. Er zat een andere eerste klarinettist na de pauze dan ervoor, maar ook deze speelde zachter dan zacht - hoe fraai die afsluitende noten van dat tweede deel. Gergiev maakte van het slotdeel nu eens niet een uitbundige orkestrale show; ook hier gingen afwerking, orkestrale transparantie en passie hand in hand. Orkest en dirigent hadden al voor de pauze hun visitekaartje afgegeven met een beheerst en verfijnd gespeelde Nacht op de kale berg, en een heerlijk fris gespeelde Eerste Sjostakovitsj. Ondanks dat ik door de volle voorafgaande dagen nogal vermoeid en overvoerd naar het Concertgebouw fietste, deden Gergiev en zijn orkest mijn stemming meteen omslaan in volle concentratie. Goed hoor!

31 januari 2010

Opera 29 januari 2010


Vrijdag 29 januari 2010, Koninklijke Muntschouwburg Brussel
Opera De Munt

R. Strauss: Elektra

Elektra - Evelyn Herlitzius
Klytämnestra - Doris Soffel
Chrysothemis - Eva-Maria Westbroek
Ägisth - Donald Kaasch
Orest - Gerd Grochowski
Koor en orkest van de Munt o.l.v. Lothar Koenigs

Mijn eerste bezoek aan de Koninklijke Muntschouwburg was in het voorjaar van 1988. De opera: Elektra, met Janis Martin in de titelrol en Christa Ludwig als Klytämnestra. Binnen enkele jaren kwam ik er nog drie keer terug, voor achtereenvolgens een Zauberflöte en Rheingold in 1991 en een Meistersinger in 1993. Toen ik ruim een maand geleden al surfend zag dat er een Elektra met topbezetting op het programma stond, en er kaartjes voor zowel opera als trein beschikbaar waren, trakteerde ik mezelf op een hernieuwde kennismaking (na bijna 17 jaar) met dit prachttheater. Het zitcomfort is niet bepaald ideaal – na twee dagen staan de afdrukken van de springveren uit mijn eersterangszetel op de vierde rij in de zaal nog in mijn achterste. Maar goed, kunst is lijden, en wat maakt het allemaal uit, want: gottegot wat een uitvoering! Van Herlitzius had ik tot anderhalf jaar geleden nog nooit gehoord, tot ze diepe indruk maakte als Baraks Weib in Die Frau ohne Schatten bij DNO. Ze haalde als Elektra alle noten, liet zich nergens overstemmen door het orkest, bouwde de climaxen perfect op en zong loepzuiver. Wat een geluid kwam er uit dat ranke vrouwtje! Was ik na haar monoloog aan het begin van de opera al redelijk platgeslagen, kwam daar opeens mevrouw Westbroek opzetten: volgende aanslag op het bevattingsvermogen van de luisteraar. Want ook Chrysothemis heeft het nodige in te brengen aan vocaal geweld, althans: zoals Westbroek dat deed. Klonk in eerdere uitvoeringen de Chrysothemis liefjes en onbeholpen-zielig, hier stond een krachtige tante die eigenlijk even overtuigd was van haar opvatting als Elektra. De Chrysothemis van Westbroek is emotioneel, twijfelend, maar ook sterk. Wanneer ze zingt dat ze wil leven en kinderen wil hebben, gaat haar stem door merg en been, want hoe begrijpelijk! En mijn laatste restje adem werd vervolgens ontnomen door Doris Soffel. Ze is uit zichzelf al een aristocratische zangeres, en in deze rol perfect op haar plaats. Bij DNO als Fricka fantastisch (in het Elektra-programmaboekje van de Munt staat dat ze de rol opnieuw bij DNO komt zingen!), als Amme geweldig en eerder dit seizoen als Herodias groots, en nu ook als vilein zingende en acterende Klytämnestra voor eeuwig gebrand op mijn netvlies. Prachtige enscenering: de louche bank van Elektra wordt voor Klytämnestra met een fraaie witte doek omkleed, waarnaast een parasol wordt geplaatst; prachtig zomers-helder licht. En op die bank vleit ze zich, gaat liggen als bij de psychiater, en dan die zin waar je op zit te wachten…: Ich habe keine gute Nächte. Bij de Opera Spanga-enscenering in het Friese boerenland (zie hier) stond voor Klytämnestra een karaf en glazen klaar. Nu ook, alleen liet Elektra zich ook daarvan bedienen. Op een gegeven moment klonken moeder en dochter hun glazen, in misplaatste verstandhouding. Waarna Elektra vroeg: Mag mijn broer niet thuiskomen, moeder? Die had net een slok genomen, en proeste de drank uit. Een geweldig moment. Enfin, de rest van het verhaal is bekend. Keek ik bij eerdere uitvoeringen vooral uit naar de Orest-onthulling, nu lag het hoogtepunt in de eerste helft, bij de verhalen van de drie vrouwelijke hoofdrollen. Lothar Koenigs dirigeerde het prachtig spelende Munt-orkest bijzonder transparant, somtijds ingehouden en vertraagd, maar vanaf rij vier altijd homogeen en in balans met de zangers. Een onvergetelijke opera-uitvoering, overigens fraai geënsceneerd door Guy Joosten.

Concert 28 januari 2010


Donderdag 28 januari 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Janine Jansen, viool

Sibelius: Vioolconcert
Rachmaninov: Symfonie nr. 2


Drie memorabele muziekavonden achter elkaar, door drie verschillende orkesten op twee verschillende locaties. Louter muzikale meesterwerken door topmusici: het leven van een weblog-scribent valt niet altijd mee… Zoals hiervoor opgemerkt: het venijn van deze maand zit ‘m in de staart, te beginnen met Jansen en Jansons en het KCO die een prachtprogramma speelden: twee stukken die van beide componisten tot mijn favoriete behoren. Janine Jansen is een rasmuzikante, en zij speelde zo fraai en muzikaal dat zelfs de allescontrolerende Jansons zich op een gegeven moment zichtbaar liet gaan, met het orkest in zijn kielzog. Er ontstond een intieme chemie tussen de drie grootheden waarbij de muziek als vanzelf ging stromen. De zaal was muisstil! Na de pauze orkestrale pracht in Rachmaninovs Tweede, een werk dat ik vooral van de warmbloedig en overromantische cd-opname van Vladimir Ashkenazy met het (toen nog niet Koninklijke) Concertgebouworkest ken; ruim twee jaar geleden wederom fraai uitgevoerd onder leiding van Andre Previn (zie hier). Maar nu beheerst zonder onderkoeling: Jansons liet deze Tweede spelen zoals Gergiev twee dagen later Tsjaikovsky’s Vijfde: zonder overdreven pathos maar intrinsiek veelzeggend. Die grote Russische symfonieën behoeven geen overdrijving! En wanneer het orkest daarbij in topvorm is, heb je als concertbezoeker een mooie avond… Sibelius, Jansen en Jansons kwamen hier al eerder in beeld voorbij. Nu een fraaie foto van een nog jonge Rachmaninov; klik op de foto en je krijgt 'm groter op je scherm.

20 januari 2010

Opera 18 januari 2010


Maandag 18 januari 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Mozart: Le nozze di Figaro

Figaro - Luca Pisaroni
Susanna - Marie Arnet
I Conte - Garry Magee
La Contessa - Michaela Kaune
Cherubino - Marina Comparato
Marcellina - Charlotte Margiono
Bartolo - Mario Luperi
Basilio - Marcel Reijans
Koor van de Nederlandse Opera
Nederlands Kamerorkest o.l.v. Constantinos Carydis

Het is hollen of stilstaan deze maand. Het venijn zit 'm in de staart; dan op drie opeenvolgende avonden concerten en opera. Dit was de opwarmer van het jaar. Van de drie Da Ponte-opera's van Mozart geënsceneerd door het duo Wieler/Morabito gaat na de Cosí nu de Nozze op herhaling. Dat vond ik verreweg de meest geslaagde enscenering; waarschijnlijk krijgen we volgend seizoen de Don Giovanni gepresenteerd, maar die hoef ik niet meer te zien. Deze Nozze daarentegen is prachtig, ingenieus en grappig. De scene met de bewakingscamera waarop de vlucht van Cherubino is te zien is werkelijk subliem gevonden, en ook het vierde bedrijf zit eigenlijk erg subtiel in elkaar. Verder telt natuurlijk de uitvoering, en die is zeker bijzonder. Luca Pisaroni zong ook al tijdens de eerste voorstellingenreeks; hij groeit uit tot een prachtige, grootse bariton. Hij zingt fraai en acteert overtuigend. Arnet, Magee en Kaune voldoen prima als Susanna, Conte en Contessa; Marina Comparato balanceert op het randje in haar eersta aria, maar met groots effect. En Margiono als Marcellina (net als in de eerste reeks) is puur goud natuurlijk. Ik was echter vooral benieuwd naar het tweede optreden van Carydis bij DNO. Een jaartje of twee geleden maakte hij een erg overtuigend debuut in Die Entführung (zie hier). En ook nu doet hij de oren spitsen. Hij is een Harnoncourt in het kwadraat: hij plaatst felle accenten en contrasteert scherp. Dat gaat wel ten koste van de lyriek en soms ook van de balans - dat deed Harnoncourt met het KCO indertijd in de Da Ponte-opera's veel beter. Maar Carydis is mij liever dan het vlakke gepruts van Metzmacher. Hoe dan ook: Mozart is de werkelijke topper van deze avond. Want Le nozze zit vol verrukkelijke muziek; vooral waar hij de aria's door de houtblazers laat begeleiden of wanneer mineur de boventoon voert. En de finale van de derde akte vind ik onweerstaanbaar. Ach, wat is eigenlijk niet geweldig in deze opera...?

30 december 2009

Opera 28 december 2009


Maandag 28 december 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Puccini: La fanciulla del West

Minnie - Eva-Maria Westbroek
Jack Rance - Lucio Gallo
Dick Johnson - Zoran Todorovich
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Carlo Rizzi

Soms schep je nog een extra bord eten op louter en alleen 'voor het lekker'. Zo voelde deze tweede keer La fanciulla del West. De muziek is licht verteerbaar, de enscenering grappig, onderhoudend en nog lichter verteerbaar en de kwaliteit van dirigent, orkest, koor en solisten hoog. Westbroek stal nog steeds de show: wat een bijzondere operazangeres is zij! Maar ook haar twee mannelijke tegenspelers en het orkest o.l.v. Rizzi lieten geen wensen onvervuld. En dan die heerlijk deinende, warme, stijlvolle muziek van Puccini.... Gewoon lekker allemaal.

27 december 2009

Concert 25 december 2009


Vrijdag 25 december 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink
Christianne Stotijn, mezzosopraan

Mahler: Liederen uit Des Knaben Wunderhorn:
- Des Antonius von Padua Fischpredigt
- Das irdische Leben
- Wo die schönen Trompeten blasen
- Rheinlegendchen
- Wer hat dies Liedel erdacht?

Beethoven: Symfonie nr. 6 'Pastorale'


Ik heb de familiebezoeken naar tweede kerstdag verplaatst om weer eens een KCO-kerstmatinee bij te wonen. Mijn eerste kerstmatinee was Haitinks laatste als chefdirigent, met Mahlers Negende (in 1987 was dat). Daarna twee keer met Chailly met opera. Deze kerstmatinee bood een unicum: voor het eerst door een niet-chefdirigent gedirigeerd. Ik had een prachtige plaats: op het zijbalkon helemaal op het hoekje, eerste rij. Voor het horen van de stem van Stotijn niet helemaal ideaal, ofschoon de balans in Wo die schönen Trompeten blasen wel goed was; en wat een subtiliteiten in zang en orkestspel! Stotijn is een zuivere zangeres; ze kent de teksten uit haar hoofd, zingt natuurlijk en intelligent. En ze lijkt volgroeid met de vloeiende aanpak van Haitink - of andersom. De opname van de Pastorale die Haitink vlak voor zijn vertrek bij het toen nog niet-koninklijke Concertgebouworkest maakte (ergens halverwege jaren tachtig), vind ik nog steeds geweldig mooi. En tijdens dit concert was het allemaal zomogelijk nog fraaier. De fijnzinnigheden buitelden over elkaar heen. Het was nergens gewoontjes of routineus, maar voortdurend uiterst precies gespeeld; orkest en dirigent waren permanent alert op elkaars verrichtingen. De Pastorale is van zichzelf al een gelukmakend stuk, maar zo gespeeld als tijdens dit concert voel je je even in de zevende hemel.

24 december 2009

Concert 21 december 2009


Maandag 21 december 2009, Concertgebouw Amsterdam
Kammerorchester Basel o.l.v. Paul Goodwin
Carolyn Sampson, sopraan
Robin Blaze, countertenor
James Gilchrist, tenor
Peter Harvey, bas
Tölzer Knabenchor

Händel: Messiah

Ook dit concert was een weggevertje van het Concertgebouw. Ik had de indruk dat er heel veel vrijkaarten waren vergeven: er waren opvallend veel jongelui onder het publiek, en wat ik in de wandelgangen opving vooral conservatoriumstudenten. Niks mis mee, trouwens. Een lege stoel is maar een lege stoel. De Messiah is Händels tegenhanger van Bachs Matthaüs - beide heren zijn ook in de Grote Zaal van het Concertgebouw elkaars tegenpolen: hun naamplaten hangen boven de toegangsdeuren links en rechts van het orgel. De Matthaüs hoorde ik live al ettelijke malen; de Messiah tot deze avond nog nooit. Ook op cd kwam ik bij de Messiah nooit verder dan ergens halverwege het eerste schijfje. Nu dus een volgend erkend meesterwerk aan mijn luisterrepertoire toegevoegd! De Messiah heeft niet de impact van de Matthaüs: daarvoor kent het te weinig dramatiek en inhoudelijke ontwikkeling. Maar de voortdurende afwisseling van relatief korte aria's en koorwerken is wel erg aantrekkelijk. En er zitten fraaie stukken tussen; je verveelt je geen moment. Händel was een pleaser! Op het podium stond een bijzonder ensemble. Vier meer dan goede solisten: Sampson en Gilchrist zijn toppers in hun stemvak binnen dit repertoire. Het Kammerorchester Basel hoorde ik vorig jaar al eens bij een Bartoli-concert (zie hier) en ook nu speelde het prima. Bijzonder was natuurlijk het beroemde Tölzer jongenskoor. Het zong prachtig sonoor en virtuoos. In de tweede helft van het concert echter begon de vermoeidheid wat toe te slaan. Van tienjarige jochies kun je niet verwachten dat ze tegen tienen 's avonds Händels muzikale acrobatiek nog fris van de lever zingen. Paul Goodwin kende ik alleen als hoboïst (uit Trevor Pinnocks authentieke orkest), en als dirigent benadrukte hij de felle kanten in dit stuk. Soms had het wat voller en gedragener mogen klinken, maar Goodwin hield wel de aandacht vast. Bach wint natuurlijk op alle fronten, maar de Messiah is gewoon een goed stuk!

19 december 2009

Concert 13 december 2009


Zondag 13 december 2009, Concertgebouw Amsterdam
Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Hans Christoph Rademann
Sun Hae Im, sopraan
Gerhild Romberger, alt
Thomas Michael Allen, tenor
Roderick Williams, bas
RIAS Kammerchor

Bach: Cantate Unser Mund sei voll Lachens BWV 110
Bach: Cantate Christen, ätzet diesen Tag BWV 63
Bach: Magnificat


Een gegeven paard moet je niet in de bek kijken. Als abonneehouder van de wereldberoemde symfonieorkesten kreeg ik een losse kaart voor dit concert cadeau. En deze goede solisten, koor en orkest brachten een fraai Bach-concert waarin de twee cantates voor mij het hoogtepunt vormden. In beide cantates zit minstens een deel waarin muziek nauwelijks mooier kan zijn. Dat is in BWV 110 de altaria 'Ach herr, was ist ein menschenkind' en in BWV 63 het duet van sopraan en bas 'Gott, du hast es wohl gefüget'. In beide gevallen met de hobo als tegenstem, hier ontroerend fraai gespeeld door Xenia Löffler, een holliehobbie-achtige mevrouw die de zaal zijn adem liet inhouden. De aanpak van dirigent Rademann vond ik over het algemeen iets te voortvarend, maar de musici maakten er toch een erg mooi concert van. Wanneer zet het KCO eens gewoon een Bach-cantate op het programma? Gekoppeld aan het Te deum van Bruckner bijvoorbeeld, ook zo'n zelden gehoord meesterwerk.

12 december 2009

Opera 12 december 2009


Zaterdag 12 december 2009, Concertgebouw Amsterdam
Opera concertant

Rossini: Guillaume Tell

Guillaume Tell - Michele Pertusi
Arnold - John Osborn
Mathilde - Marina Poplavskaya
Hedwige - Manuela Custer
Jemmy - Ilse Eerens
Gesler - Paolo Pecchioli
Groot Omroepkoor
Mannen uit Staatskoor Latvija
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Paolo Olmi

Net als bij de Meistersinger in februari van dit jaar begon deze concertante operauitvoering om 12 uur. Je slaapt wat uit, leest nog wat in bed, neemt een douche en fietst vervolgens naar het Concertgebouw; als je na de opera buiten staat is het alweer donker. Maar goed, ondertussen wel voor het eerst Rossini's laatste opera gehoord, uitgevoerd door goede tot uitstekende zangers en een fraai spelend orkest. Ik had een podiumplaats maar gokte op een leeggelaten stoel in de zaal; er bleken er genoeg om uit te kiezen en kon zo de zangers van voren zien en horen. Ik kende de opera niet echt goed; wel hoorde ik eens (delen van) de opname van Chailly. Het is een a-typische Rossini. Geen melige briljant-spitse aria's, duetten en ensembles maar een vloeiender en dramatischer stijl, zonder moderniteiten overigens. Af en toe prachtige muziek, maar soms ook een beetje saai. Misschien lag het ook aan de te brede aanpak van dirigent Olmi. Het Radio Philharmonisch is een uitstekend orkest, maar men zat er in een uitgebreide Bruckner-opstelling. Ik telde 8 contrabassen, 10 celli en een hele batterij (alt)violen; met een derde minder had het stellig spannender en spitser kunnen klinken. Olmi gebaarde regelmatig dat het geluidsniveau lager moest, maar dat had hij zich eerder moeten bedenken. Op rij 24 werden de zangers soms flink ondergedompeld in het orkestgeluid. Ook het aantal koorleden was talrijker dan vorige week bij de Tweede Mahler... Enfin, Marina Poplavskaya (de DNO-Traviata eerder dit jaar) en Michele Pertusi zongen de sterren van de hemel. Tenor John Osborn (bij DNO eerder te horen in La juive en I Puritani) haalt zijn hoge noten met gemak, maar zijn stem vind ik weinig kleurrijk. Zijn aria aan het begin van de vierde akte werd luid bejubeld en hoe goed hij die ook aria ook zong, echt adembenemend vond ik zijn uitvoering niet. De overige rollen waren prima bezet; de Belgische Ilse Eerens is een naam om te onthouden. Tenslotte: het valt me op dat bij concertante operauitvoeringen in de zaterdagmatinee het slotapplaus steeds uitbundiger vormen aanneemt. Zelfs de zangers van de bijrollen worden toegejuicht alsof het de beste zangers sinds Callas of Bergonzi zijn. Iedereen heeft het volste recht om zijn bijval te laten blijken, maar ik vond het vanmiddag over de top. Het was een goede uitvoering van deze Grand Opéra, maar zeker geen ultieme topuitvoering.
Hierbij twee foto's van de Zwaan van Pesaro op leeftijd; een heerlijk kop om naar te kijken en een componist van verrukkelijke zomerse muziek.

06 december 2009

Opera 5 december 2009


Zaterdag 5 deceember 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

R. Strauss: Salome

Salome - Annalena Persson
Jochanaan - Albert Dohmen
Herodes - Gabriel Sadé
Herodias - Doris Soffel
Narraboth - Marcel Reijans
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Stefan Soltesz

Er is al zoveel gezegd en geschreven over deze productie dat ik het verder kort houd hierover. Maar ik wil wel zeggen dat ik dit een bijzonder interessante en (wederom!) indringende productie vind. Zeker niet de ultieme Salome-enscenering. Maar ik heb me weer zeer vermaakt, en vind de uitbeelding van de sluierdans misschien wel de best mogelijke (daar was Kupfer nu juist zwak). Er werd verder goed gezongen en geacteerd door de belangrijkste zangers, en werkelijk groots en transparant gespeeld door het orkest.
Drs. P heeft een subliem liedje geschreven over het Salome-verhaal (getiteld Johannes de Doper). Hier de tekst - het refrein is op de melodie van 'van je ras ras ras, rijdt de koning door de plas').

De tijd is aangebroken om een woord te wijden
Aan de geschonden reputatie van Herodes Antipas
Die een hele tijd geleden koning van Judea was
Een bloeiend rijkje aan de Middellandse Zee
U moet bedenken dat hij ernstig had te lijden
Van de Romeinse overheersing en zijn vrouw Herodias
Farizeeën, Sadduceeën, hoge bloeddruk, ischias
En de ideeën van zijn dochter Salome

't Is toch kras, kras, kras
Zei Herodes Antipas
Die ideeën, deeën, deeën
Van mijn dochter Salome
Dat is heel, heel, heel,
helemaal niet rationeel
Van je één, twee, drie

En die ideeën leidden vaak tot handelingen
De ene keer was zij vermomd als de markies van Carabas
Even later zat ze weer met pacifisten in het gras
Het was een duidelijk geval van puberteit
Haar moeder ergerde zich zeer aan deze dingen
Daar moet een eind aan komen, zei ze tot Herodes Antipas
Moet je nou weer zien die jas, ze loopt erbij als een pias
En dat komt allemaal door jouw toegeeflijkheid

Antipas, pas, pas
Sprak zijn vrouw Herodias
Heus ze moet, moet, moet
Beter worden opgevoed
Want dat kind, kind, kind
Doet maar wat ze lollig vindt
Van je één, twee, drie

Kan ik het helpen, zei de zwaarbeproefde vader
Ze is nu eenmaal artistiek en niet de beste van de klas
En ze kan zich ook gedragen als een echte wildebras
Maar waar het goed voor blijken kan dat weet je nooit
Ik heb geen zin, aldus verklaarde hij zich nader
Een predicatie aan te heffen over elke wissewas
En il faut, zoals de Fransen zeggen, que jeunesse se passe
Hoe wil je anders dat zo'n meisje zich ontplooit

En hij las, las, las
Een regeringspaperas
En hij ging, ging, ging
Naar een spoedvergadering
En hij dacht, dacht, dacht
Niet meer aan zijn nageslacht
Van je één, twee, drie

Ze kon hem spoedig die ontplooiing laten blijken
Op zijn verjaardag danste Salome met zwoele tangopas
En in meer en meer ontklede toestand rond op het terras
Het was het klapstuk van het druk bezochte feest
De gasten wisten niet meer hoe ze moesten kijken
Terwijl haar moeder was vertrokken met een pijnlijke grimas
Maar haar vader Antipas, die niet haar echte vader was
Verklaarde dat het zeer opwindend was geweest

En al ras, ras, ras
Riep hij om de huishoudkas
En hij zag, zag, zag
Dat er niet veel geld in lag
Dus hij zei, zei, zei
Haal de staatskas er maar bij
Van je één, twee, drie

Toen mocht de danseres een mooi cadeautje vragen
En om het goed te maken consulteerde zij Herodias
Deze zei: Vraag om een hoofd, zoiets komt altijd wel van pas
Ik weet nog iemand die er eentje missen kan
Wat een sensatie toen het binnen werd gedragen
Met een garnering van olijven, sla en schijfjes ananas
Een takje peterselie en een snufje sassafras
De mensen spreken er nog altijd schande van

Wel, dat was, was, was
Dan Herodes Antipas
Sterk verguisd, guisd, guisd
Maar vooral erin geluisd
Met dat hoofd, hoofd, hoofd
Want beloofd is toch beloofd
Van je een, twee, drie

05 december 2009

Concert 3 december 2009


Donderdag 3 december 2009, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Ricarda Merbeth, sopraan
Bernarda Fink, alt
Groot Omroepkoor

Mahler: Symfonie nr. 2

'Mijn missie zal geslaagd zijn als de luisteraars naar huis gaan met het gevoel dat ze twee uur in een andere wereld hebben doorgebracht.' Dat zegt Mariss Jansons in het interview in Preludium van deze maand. Aan de muisstille zaal tijdens de uitvoering en de enorme ontlading na afloop daarvan af te meten lijkt de conclusie gerechtvaardigd: missie geslaagd. De uitvoering van Mahlers Tweede was inderdaad als een droom. Jansons koos relatief trage tempi, maar wat een permanente spanning stond er op de uitvoering. Het aandeel van de celli en contrabassen in het eerste deel zal zelden zo gelijk en dreigend geklonken hebben. Maar eigenlijk het hele orkest speelde op de top van zijn kunnen. Het is vaker gezegd, maar moet hier maar herhaald worden omdat deze uitvoering daar exemplarisch voor was: met Jansons op de bok speelt het orkest beter dan ooit tevoren. Enerzijds technisch zo perfect als maar mogelijk is (en Jansons stelt wat dat betreft duidelijk de hoogste eisen), maar daarnaast ook uiterst muzikaal; soms laat Jansons de musici ogenschijnlijk hun eigen gevoel volgen. Alles klopte, tot aan de echo's door het 'Fernorchester' links en rechts toe. Het was allemaal onwaarschijnlijk mooi.
Voor de statistieken: Jansons respecteerde de vijf minuten pauze die de partituur na het eerste deel voorschrijft. Hij liep even de zaal uit, kwam na een paar minuten weer terug, gebaarde geen applaus te willen, en maakte zich op voor het tweede deel. Ten slotte en bij wijze van copyrightvermelding: het schilderij van Jansons hierboven is van (de website van) Esther van Tilburg.

03 december 2009

Opera 2 december 2009


Woensdag 2 december 2009, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Puccini: La fanciulla del West

Minnie - Eva-Maria Westbroek
Jack Rance - Lucio Gallo
Dick Johnson - Zoran Todorovich
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Carlo Rizzi

Het leuke van een premièrevoorstelling van een nieuwe productie is dat nog niemand weet wat je voorgeschoteld krijgt en dat de mening van de recensenten nog onbekend is - zij zitten immers met jou in de zaal. Ik schrijf deze log 'the day after the night before' en enkele uren voordat de avondkrant in de bus valt. Maar ik moet me sterk vergissen willen de recensies niet juichend zijn. Want het was een bijzonder fraaie en feestelijke avond, deze première, zowel vocaal, orkestraal als visueel. En het publiek liet zich bij het applaus maar ook tijdens de voorstelling zelf niet onbetuigd in zijn adhesie. Ik kende de opera van Puccini niet; de opname die ik onlangs kocht had ik nog niet beluisterd (teveel Mahler 2). Het is een toegankelijk en gloedvol werk, ofschoon volledig doorgecomponeerd en zonder echte aria's. Het verhaal is van bordkarton, dat zelfs voor een ordinaire western nog te slap zou zijn. Maar dat hinderde niet. Want het is louter feest tijdens deze voorstelling. Regisseur Lehnhoff maakte er een bonte voorstelling van waarin zijn parodie op het kapitalististische Amerika even vermakelijk als lichtzinnig is, inclusief fraai gebruik van videobeelden. Zowel bij het opengaan van het doek aan het begin van het tweede en derde bedrijf, als halverwege en aan het slot van het derde bedrijf liet het publiek duidelijk zijn bijval blijken. Het orkest onder leiding van Carlo Rizzi speelde gloedvol en gepassioneerd, en ook - zoals altijd bij Rizzi - zorgvuldig afgewerkt. Orkest en dirigent staan zichtbaar en hoorbaar op goede voet met elkaar. En dan de zangers. Tja, toen Eva-Maria Westbroek na tien minuten na het begin in beeld verscheen, steeg er uit het publiek een licht applaus op. Ik weet niet waar ze het vandaan heeft, maar net als in Lady Macbeth van Mtensk en net als Sieglinde tijdens een concertante uitvoering van de eerste akte met Haitink wás zij de rol die ze zong. Meer waarheidsgetrouw kan een rol volgens mij niet gespeeld worden dan Westbroek deze Minnie uitbeeldde. En dat ze tegelijkertijd geweldig zingt, maakt haar tot één van de meest interessante operasterren van dit moment. Westbroek is in deze opera muzikaal en visueel het centrum van de belangstelling, en maakt dat in alle opzichten volledig waar. Ongelooflijk eigenlijk. De twee belangrijkste mannelijke rollen werden eveneens meer dan uitstekend gezongen; tenor Zoran Todorovich heeft bepaald geen lichte partij, en deed dat met enorme overtuiging. Zowel bij hem als bij Lucio Gallo die sheriff Jack Rance zong, vroeg ik me af of zij niet teveel hun stem aan het forceren waren. Maar het klonk allemaal ijzersterk. Dat gold ook de vele bijrolletjes en het aandeel van het koor.
Een topper, deze productie. Meteen voor de laatste voorstelling een extra kaartje gekocht...

02 december 2009

Mahler 2


Komende donderdag vervolgt het Koninklijk Concertgebouworkest zijn Mahlerserie met de Tweede symfonie, onder leiding van chefdirigent Mariss Jansons. Op 1 oktober startte ik op deze weblog een vergelijkende discografie van Mahlers symfonieën, die meeloopt met de uitvoeringen door het KCO. Daarbij maak ik gebruik van de opnames uit mijn eigen cd-kast. Dit keer kocht ik speciaal voor deze vergelijking een extra uitvoering (die van Iván Fischer) omdat me die wel interessant leek; het bracht mijn totaal aantal uitvoeringen op 7; de opname van Klaus Tennstedt heb ik buiten de vergelijking gehouden. Dit keer treden dus 6 uitvoeringen in het strijdperk aan.

Mahlers Tweede hoorde ik drie keer live: ergens halverwege de jaren tachtig door het Residentieorkest o.l.v. Hans Vonk in het Congresgebouw en daarna pas in augustus 2001 en januari 2002 door het KCO o.l.v. Chailly. Tijdens die laatste uitvoeringenreeks werd ook de opname gemaakt die van deze vergelijking deel uitmaakt. Wat ik me van die uitvoeringen vooral herinner is dat het live horen van Mahlers Tweede vooral een belevenis is. Voordat het grote koor begint zit er al ruim een uur op waarin de spanning flink wordt opgebouwd. De eerste drie instrumtele delen bieden al een wereld op zich, waarna in het Urlicht de alt een korte maar intense solo zingt. Het vijfde deel begint met een enorm lange en caleidoscopische orkestrale inleiding, waarna het koor het laatste kwartier van deze symfonie voor zich opeist. Het is ook letterlijk een groots werk.
Ik leerde het stuk kennen door de oudste opname van deze vergelijking; ik kocht er eerst een plaatversie van, later de cd. Het betreft de live-uitvoering uit juni 1951 door het Concertgebouworkest o.l.v. Otto Klemperer, met Jo Vincent en Kathleen Ferrier als solisten. Klemperer dirigeert ongewoon fel, hoekig en krachtig. Het eerste deel heeft Wagneriaanse kracht en ook het tweede en derde deel zijn relatief puntig en fel. Kathleen Ferrier heeft een unieke stem, en ondanks dat ze in een interview heeft verklaard dat ze Klemperer maar een vervelende schreeuwlelijk vond, zingt ze hier bijzonder idiomatisch. Met Jo Vincent horen we nog een glimp van de vooroorlogse Mahler-Mengelbergtraditie. In het openings- en slotdeel is Klemperer veruit de snelste van deze zes uitvoeringen. In het slotdeel blijft hij net onder het half uur; Haitink (Kerstmatinee) en Chailly doen daar minimaal vijf minuten langer over. Het orkest speelt uiterst accuraat, maar zeker niet perfect. In het derde deel vergist de klarinettist zich en zet een maat te vroeg in. Daardoor wordt een loopje door de verschillende blazers heen onderbroken en valt er even een gat. Een opname die door de beide solisten, het ongewoon felle dirigeren van Klemperer en toch ook door het historische karakter van deze opname een bijzondere plaats in mijn collectie inneemt.

In 1965 nam Bernard Haitink zijn eerste ‘Auferstehung’ op; later zouden hier nog een live-opname tijdens de Kerstmatinees (zie hierna), een studio-opname met de Berliner Philharmoniker en zeer recent nog een live-opname met het Chicago Symphony op volgen. Deze eerste opname blijft echter een prima uitvoering: bevlogen, recht-toe-recht-aan, soms wat eendimensionaal, maar krachtig en fel, zonder extremiteiten. Andere opnames zijn grootser van aard, maar eigenlijk is deze uitvoering innemend door zijn onopgesmuktheid. Aafje Heynis, Elly Ameling en het Groot Omroepkoor maken dit een volledig Nederlandse aangelegenheid. Heynis zingt naar mijn smaak het Urlicht iets te gedistingeerd, maar haar stem is wel erg prachtig!

Vijf jaar later dirigeerde Leonard Bernstein het London Symphony Orchestra tijdens het Edinburgh Festival. Het is de meest onevenwichtige uitvoering van deze vergelijking. In het eerste deel overtuigen de tempowisselingen niet bepaald; het is hollen of stilstaan. Ook het tweede deel overtuigt niet door zijn trage tempo (ruim 12 minuten tegenover zo’n 10 minuten door alle anderen…). Het derde deel daarentegen is bijzonder fraai gedaan; Bernstein maakt er meer een intermezzo van dan een scherzo. Het Urlicht is het hoogtepunt van deze uitvoering: Janet Baker zingt onaards mooi, en zij wordt prachtig intiem begeleid door het orkest. In het vijfde deel is het alles bij elkaar: soms klinkt het prachtig groots, en soms weer rommelig en onaf.

In 1984 stond de tijdens de Kerstmatinee van Bernard Haitink en het Concertgebouworkest de Tweede op de lessenaars. De drive die veel kerstmatinee-uitvoeringen kenmerkt, is ook hier goed te horen. In het eerste deel met name zijn er nogal wat schoonheidsfoutjes, maar de warmbloedige, soms zelfs wat heetgeblakerde emoties houden de aandacht stevig vast. Ook in het derde deel is de verbeten sfeer wel erg fraai! Het Urlicht is orkestraal prachtig, maar ik vind de stem van Jard van Nes niet zo mooi. Ze klinkt wat te stroperig; ook in het slotdeel trouwens. Daar staan een geweldig zingend koor en spelend orkest tegenover. Dit is een monumentale uitvoering, met hier en daar wat oneffenheden en minpuntjes. Het live-aspect (je hoort één uitvoering, en geen mix van meerdere live-uitvoeringen) is een groot pluspunt.

De opname die Riccardo Chailly in januari 2002 maakte met het inmiddels Koninklijk Concertgebouworkest, behoorde tot de laatste uit zijn Mahler-cyclus; alleen de Derde en Negende moesten nog volgen. Ik kan niet anders zeggen dat Chally met deze uitvoering een geweldige opname heeft gemaakt. De tempi zijn bedaagd maar steevast vloeiend, het orkest speelt grandioos, de solisten en het koor laten niets te wensen over en wat bij de opname van de Eerste zo stoorde (de overaccentuering) is hier volledig afwezig. Chailly raakt in alle delen precies de juiste toets; hij laat de delen volstrekt natuurlijk klinken. De aandacht voor de details overheersen nu niet, maar zijn juist het zout over de aardappels. Het pizzicato-fragment in het tweede deel, de swingend-pulserende accenten in het derde deel, de ingetogenheid van het Urlicht: het klinkt allemaal even idiomatisch en natuurlijk. Van alle opnames weet Chailly als enige de eerste orkestrale climax in het laatste deel werkelijk groots en ruimtelijk te laten klinken. In de tutti’s blijft alles transparant. Dit is echt een opvallend goede opname, zowel in vergelijking met de andere hier besproken uitvoeringen als ook met zijn teleurstellende uitvoering van de Eerste.

De opname van Iván Fischer met zijn Boedapest Festival Orkest kocht ik speciaal voor deze vergelijking. Zijn opname van de Vierde vind ik erg fraai, dus ik was wel benieuwd naar zijn al eerder vastgelegde Tweede. De kracht van deze uitvoering zit in de eerste twee delen. Het eerste deel klinkt ongewoon beschouwend, soms zelfs wat dromerig en mysterieus. Apart, maar bijzonder boeiend. Het tweede deel klinkt hier wellicht wel het best: markant, vloeiend, en met een subliem gespeelde pizzicato-passage. Maar in de vervolgdelen gaat het minder goed. Het derde deel is wat gewoontjes en mist de schwung van Chailly. Birgit Remmert zingt in het Urlicht erg gemiddeld. Het vijfde deel wordt weliswaar zorgvuldig en gedragen opgebouwd, maar klinkt uiteindelijk toch te braaf en met te weinig dramatiek.

Het zal duidelijk zijn dat de opname van Chailly mijn voorkeur heeft. Hij laat deze grootse Mahler-symfonie het grootst spelen. Fischer en Bernstein zijn om totaal verschillende redenen helaas te onevenwichtig. Maar voor het eerste en tweede deel (Fischer) en het derde deel en het Urlicht (Bernstein) zullen hun uitvoeringen nog wel eens uit mijn cd-kast komen. Haitink biedt met zijn beide opnames goede waar: de oorspronkelijke, frisse kijk uit 1965 tegenover de gerijpter, soms verbeten interpretatie uit 1984; maar steeds een constante, evenwichtige visie die klopt. De oude Klemperer heeft vooral curiositeitswaarde in de beste zin van het woord; alleen al door Jo Vincent en Kathleen Ferier is dit een te koesteren opname.