17 april 2010

Concert 15 april 2010


Donderdag 15 april 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt

Smetana: Má vlast

Ik kreeg heel lang geleden uit de nalatenschap van mijn grootvader een plaat met daarop de eerste twee delen uit 'Mijn vaderland' van Smetana, door de Berliner Philharmoniker o.l.v. Von Karajan. Het tweede deel 'Die Moldau' was en is overbekend, maar juist dat eerste deel 'Vysehrad' (Het hoge kasteel) trof mij bijzonder. Later kocht ik er de cd-versie van, die ik nog steeds koester. De andere vier delen van dit zesluik hoorde ik nog niet eerder, tot dit concert. Ik was er heel erg benieuwd naar, zeker ook vanwege Harnoncourt natuurlijk. Ik vond het concert echter geen onverdeeld succes. Het KCO was hoorbaar te onbekend met dit stuk; juist in dat prachtige eerste deel speelde het orkest uiterst onzeker en ondanks het fraaie begin met een harp links en rechts kwam het deel niet uit de verf. Af en toe vreesde ik dat men uit de bocht zou vliegen, maar dat gebeurde gelukkig niet. In de Moldau ging het gelukkig al een stuk beter, en het ingehouden gespeelde hoofdthema door de strijkers leverde een bijzonder fraaie harmonie met de begeleidende orkestgroepen op. Misschien kwam het door mijn onbekendheid met de vervolgdelen, maar bijzonder vond ik die muziek niet. Ik was eerlijk gezegd ook niet al te geconcentreerd (na een zware werkdag). Dus hoe het ook kwam: ik werd niet bepaald meegesleept door de muziek en de uitvoering. Er werd na ieder deel door enkelen uit het publiek geapplaudisseerd, en zowel voor de pauze als na afloop was de publieke bijval opvallend groot. Ik kon daar wel inkomen: Harnoncourt is de tachtig gepasseerd, en voor het volgend seizoen staat geen nieuwe gastdirectie bij het KCO geprogrammeerd. Het zou zomaar zijn laatste optreden kunnen zijn geweest. Ondanks dit wat minder geslaagde concert zou dat een enorm gemis zijn!

13 april 2010

Opera 12 april 2010


Maandag 12 april 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Berlioz: Les Troyens

Énée - Bryan Hymel
Didon - Yvonne Naef
Cassandre - Eva-Maria Westbroek
Chorèbe - Jean-Francois Lapointe
Anna - Charlotte Hellekant
Narbal - Alastair Miles
Koor van de Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. John Nelson

De tweede keer naar deze prachtopera - de tijd vloog weer om. Voor iedereen die deze opera bezoekt zal het misschien meteen duidelijk zijn, maar ik bedacht pas tijdens deze voorstelling hoe synchroon de twee delen waaruit deze opera bestaat eigenlijk zijn. Dat in beide delen de de hoofdrolzangeres zelfmoord pleegt, was me natuurlijk wel al duidelijk. Maar bij beide delen gaan deze zelfmoorden vooraf door waarschuwingen en pogingen deze te weerleggen. Narbal is eigenlijk de (weliswaar wat terughoudender) Cassandra uit het eerste deel. En Anna probeert net als Chorèbe de onheilstijding te weerleggen. Enfin, wederom een opera gezien die me volledig in zijn ban hield. De enscenering is oogstrelend en tijdloos, en er wordt geweldig gezongen en gespeeld. Allereerst dat koor: dat beleeft dezer jaren hoogtepunt na hoogtepunt, en het optreden in Les Troyens is daar weer het hoogtepunt van. Van de solisten zijn er eigenlijk geen zwakke plekken. Eva-Maria Westbroek zingt en akteert op vol vermogen; het is voortdurend volstrekt natuurlijk wat ze doet. Haar tegenspeler Jean-Francois Lapointe heeft slechts een klein aandeel, maar wat een prachtige stem en wat een fraai duo vormt hij met Westbroek! Bij Yvonne Naef vraag je je aan het begin van de derde akte af of ze het allemaal wel gaat halen, maar ze logenstraft die aarzeling naarmate de voorstelling vordert. Het vijfde bedrijf maakt ze tot een beklemmend slotstuk; wat is ze daar geweldig kwaad, en haar wat ongepolijste stem past daar perfect bij. Bryan Hymel heeft geen dankbare rol: de Énée is bij vlagen loodzwaar, echt meeslepend is die nooit. Hymel zingt echter bijzonder krachtig en sonoor, een heuse prestatie. Dat was een paar jaar geleden met Donald Kaasch maar behelpen. Charlotte Hellekant is allereerst een prachtvrouw om naar te kijken, maar haar lage alt is bij vlagen minstens zo mooi. Haar duet met Dido in het derde bedrijf is onvergetelijk. Na al deze superlatieven mag het duidelijk zijn: ik verheug me alweer op mijn derde gang...

10 april 2010

Concert 9 april 2010


Vrijdag 9 april 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Markus Stenz
Christianne Stotijn, mezzo-sopraan

Bruckner: Symphonisches Präludium
Mahler: Blumine
Glanert: Fluss ohne Ufer
Diepenbrock: Hymne an die Nacht
Janacek: Sinfonietta


Een wat caleidoscopisch programma van stuk voor stuk boeiende stukken; een concert waarbij de dirigent vijf keer de trap afkomt is misschien wat teveel verbrokkeld, maar de afzonderlijke onderdelen waren uit zichzelf aantrekkelijk genoeg om toch een fraai concert te laten ontstaan. Dat begon al meteen met het Symfonisch Präludium van Bruckner, een onbekend stuk van een kleine tien minuten dat hier zijn Nederlandse premiére beleefde. De herkomst is wat duister, althans volgens de toelichting in Preludium, maar ik hoorde er voldoende Bruckner in. Fraai slot trouwens. Dat gold ook voor de Blumine van Mahler, hier voor het eerst gespeeld door het KCO. Een sierlijk lieftallig stuk. Tja, daar zit je dan als wereldberoemd Bruckner- en Mahlerorkest binnen twintig minuten van beide componisten iets nieuws te spelen. Van Glanert hoorde ik ooit eens een geweldig stuk in de A-serie (Theatrum bestiarum), zie hier de weblog daarvan. Fluss ohne Ufer was eveneens klankrijk en uitbundig, maar miste net die impact van Theatrum bestiarum. Desondanks is Glanert een boeiende componst! Na de pauze vloeiden de stem van Christianne Stotijn en het orkest onder leiding van de soepel dirigerende Stenz prachtig samen in de weelderige Hymne an die Nacht van Diepenbrock, dat eigenlijk een centraler positie in het orkestrepertoire zou mogen hebben. De Sinfonietta van Janacek was een lekkere uitsmijter, fraai gespeeld. Maar een topwerk vind ik het nog steeds niet. Ik vond het ook wat detoneren in dit rondom-Mahlerprogramma. Wie een abonnement heeft op de Mahler-serie kon voor een prikie naar dit concert uit de A-serie. Vandaar dat de zaal helemaal vol zat.

05 april 2010

Opera 4 april 2010


Zondag 4 april 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Berlioz: Les Troyens

Énée - Bryan Hymel
Didon - Yvonne Naef
Cassandre - Eva-Maria Westbroek
Chorèbe - Jean-Francois Lapointe
Anna - Charlotte Hellekant
Narbal - Alastair Miles
Koor van de Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. John Nelson

Deze opera zat al in de twee halve abonnementen die ik dit seizoen van DNO heb - te genieten later deze maand - , maar een verder leeg paasweekeinde en de herinnering aan deze eerder zo geweldig-fraaie productie van het duo Audi-Tsypin en bovenal: de sublieme muziek van Berlioz, deden me op Stille Zaterdag in de stromende regen naar de Stopera fietsen om voor de dag erna een extra kaartje te kopen voor de premièrevoorstelling van deze in alle opzichten geweldige opera. Heerlijk, om op zo'n anders rare zondagavond van Pasen van half zes tot bijna half twaalf op de best denkbare wijze onder de pannen te zijn. Les Troyens biedt veel opera voor relatief weinig geld. Het stuk zit vol grandioze muziek, variërend van bonte typische Berlioz-achtige eigenzinnigheden waarbij alle registers worden opengetrokken tot aan de meest intieme, hartverscheurende en lyrische subtiliteiten die maar weinig andere componisten zo raak op het notenblad wisten te zetten. Van die eerste categorie: de entree van Aeneas in de eerste acte: 'Du peuple et des soldats' gevolgd door dat overweldigende 'octet et double choir', verder het dolle slot van de derde akte waarin Aeneas en zijn mannen Dido te hulp schieten in de aanval van Jarbas; en wat te denken van die 'Chasse royale et orage' aan het begin van de vierde akte - overigens prachtig visueel begeleid! Van de tweede categorie teveel voorbeelden om hier te noemen. Slechts twee genoemd: allereerst de 'Pantomime Andromaque et son fils' uit het eerste bedrijf, waarbij ik - zo herinnerde ik me - bij de eerste voorstellingenreeks al volschoot, en bij deze voorstelling weer. De combinatie tekst, muziek en beeld is hier ijzersterk en raakt je vol in het hart. En ja, dan dat slot van het vierde bedrijf, daar is Berlioz werkelijk op zijn allerbest: eerst dat 'septuor' met die aanhoudende fluitenpassage en het koor, gevolgd door het liefdesduet van Aeneas en Dido. Ik kom bij mijn bespreking van mijn twee volgende bezoeken op de uitvoering terug, maar laat ik duidelijk zijn: die is met een grandioos zingende hoofdrolbezetting (Cassandra, Aeneas, Dido en Anna), een zichzelf overstijgend operakoor en een opvallend fraai spelend orkest o.l.v. John Nelson meer dan prachtig. Geen wonder dat het premièrepubliek de volle vierenhalf uur doodstil zat te luisteren. Hoe kan een mens het verdragen deze productie niet of slechts één keer te zien/horen?
Normaliter bij mijn operabesprekingen foto's van de DNO-website, maar alle eer gaat vooraleerst uit naar Berlioz; de foto is uit 1867, twee jaar voor zijn dood genomen in St. Petersburg. Klik erop en daarna nog een keer en je krijgt hem ontroerend vol op je scherm. Wat een componist...!

19 maart 2010

Concert 17 maart 2010


Woensdag 17 maart 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink
Frank-Peter Zimmermann, viool

Brahms: Vioolconcert
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 15


Al na enkele maten was het duidelijk: dit zou een andere Brahms worden dan gebruikelijk. Niet stevig en robuust, maar juist licht, doorzichtig en subtiel. Bij Haitink weet je het maar nooit, want van hem hoorde ik ooit eens een uiterst warmbloedige en gepassioneerde Eerste symfonie, in zijn Carte Blanche-serie de Staatskapelle Dresden dirigerend. Toen voor de pauze juist het Eerste vioolconcert van Sjostakovitsj, gespeeld door Frank-Peter Zimmermann. Enfin, de componisten nu dus omgedraaid. Frank-Peter Zimmermann is een violist zonder opsmuk; gewoon spelen wat er staat, en dan wel zo mooi mogelijk. In combinatie met het lichte spel van het KCO ontstond zo een relatief zonnige, en uiterst verfijne uitvoering van het Brahms-vioolconcert. Hoogtepunt van de uitvoering: de coda van het eerste deel, na de cadens. Daar is Brahms zo breekbaar! Later dit jaar meer Brahms met Haitink; ik verheug me er al op. De 15e symfonie van Sjostakovitsj hoorde ik - geloof ik - nog nooit eerder live. Het is een symfonie van de stilte; voor het gemiddeld hoogbejaarde publiek van de B-serie dat de strenge winter net heeft weten te overleven en dat sowieso niet gewend is repertoire van na 1900 voorgeschoteld te krijgen geen makkelijke opgave. Ook de nokia-tune was ergens te horen. De Sjostakovitsj'en van Haitink zijn immer warmbloedig, rond en mooi gespeeld; bij Jansons en Gergiev klinken zijn symfonieën schrijnender. Maar deze kanttekening verbleekt bij een KCO in topvorm die deze symfonie mooier dan mooi uitvoerde, geleid door een dirigent die inmiddels 81 jaar is, en op de bok de alertheid van een jongeling heeft.

06 maart 2010

Concert 5 maart 2010


Vrijdag 5 maart 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. John Eliot Gardiner

Martinu: Les fresques de Piero della Francesca
Haydn: Symfonie nr. 90
Schumann: Symfonie nr. 2


Tja, Gardiner: een maand geleden een wisselend concert dirigerend met het London Symphony Orchestra, nu een - ik kan niet anders zeggen - geweldig optreden met het KCO. Er was een hoorbare klik tussen Gardiner en het orkest, die ik vele jaren geleden wel eens eerder samen hoorde in een concert maar in mijn herinnering lang niet zo overtuigend als deze avond. Gardiner spaarde het orkest niet bij deze rentree: in Haydn en Schumann zijn er enkele delen waarin de virtuositeit centraal staat en die een hoge mate van technische beheersing van de orkestleden eisen, met name van de strijkers en de houtblazers. Het ging bijna overal goed, maar wat in dit concert vooral opviel: er werd ontzettend fraai muziek gemaakt. Ieder deel ademde, had schwung en kreeg alle gewicht. Het drieluik van Martinu kende ik niet, maar wat een warmbloedig, rijk georkestreerd stuk! Respighi componeerde een vierluik geïnspireerd op kerkramen, Martinu op fresco's uit Arezzo. In beide gevallen leverde die inspiratie kleurrijke, boeiende muziek op; ik ga snel eens op zoek naar een opname van dit werk van Martinu (tips?). De 90ste van Haydn ken ik door en door; het staat op een van de eerste cd's die ik kocht, eind jaren tachtig, gespeeld door het Orkest van de 18e eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Gardiner maakte er tijdens dit concert meer van; hij liet het KCO zo goed spelen dat een eventuele behoefte aan een 'authentieker' geluid in de kiem werd gesmoord. In herhalingen van exposities werd er fraai gevarieerd, de strijkers zaten op het puntje van hun stoel en de solofluittist en -hoboïst speelden de sterren van de hemel. Het 222 jaar geleden door Haydn bedachte grapje werkte nog steeds: de halve zaal trapte in het pseudo-slot. Net als tweeënhalf jaar geleden snapte Kasper Jansen van NRC Handelsblad niks van Schumanns Tweede, want ook nu vond hij de uitvoering te gehaast. De goede uitvoering o.l.v. Kurt Masur indertijd (zie hier de weblog) kreeg nu een betere opvolging. De mysterieuze opening (prachtig georkestreerd met trombones) kwam uitstekend uit de verf. Daarna gaat de muziek er als een raket vandoor, en volgt op dit stormachtige eerste deel een zo mogelijk nog feller tweede deel, hier werkelijk prachtig opgebouwd en culminerend zoals ik hoopte. Ook de vervolgdelen kregen de juiste lading; het blijft een prachtige symfonie, deze Tweede van Schumann.
Tja, Gardiner: dit was gewoon een erg goed concert!

28 februari 2010

Opera 28 februari 2010


Zondag 28 februari 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Wagner: Der fliegende Holländer

Holländer - Juha Uusitalo
Senta - Catherine Naglestad
Daland - Robert Lloyd
Erik - Marco Jentzsch
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen

Het blijft een raar stuk, die Holländer. Je hoort stukjes Rossini, Von Weber, maar ook Parsifal klinkt er al in door. Probeer dat maar eens overtuigend ten gehore te brengen; dat is de ultieme opgave van de uitvoerenden van deze opera. Dat lukte bij DNO deze middag eigenlijk heel goed. Niet op alle fronten, maar wel op heel veel. Meest overtuigend en groots: het orkest onder leiding van voormalig chefdirigent Hartmut Haenchen. Een prachtige spanningsopbouw, transparantie en warmbloedigheid kenmerkten het orkestspel. Ook prachtig: de Senta van Naglestad: beheerst gezongen, intiem waar het moest, voluit waar het kon. Ook goed: de Erik van Jentzsch; dat is meestal een zwakbezette tenor die niet opgewassen is tegen de kleine maar veeleisende partij, maar Jentzsch vulde zijn rol juist zeer overtuigend in. Robert Lloyd had door de regisseur een wat karikaturale presentatie van Daland toegemeten gekregen, maar hij zong met autoriteit en zijn stem herken je uit duidenzen. Juha Uusitalo zong de Holländer volgens het programmaboekje al in minimaal acht andere theaters, en hij beheerste zijn rol volledig. Toch vond ik zijn bariton wat licht. Dat kan liggen aan wat ik van cd-opnames van George London, Thomas Stewart en Theo Adam gewend ben. Binnen de conceptie van deze opera door Haenchen paste hij echter volledig: transparant, een overgang tussen Von Weber en het belcanto naar de grote zware Wagners. Mijn tweeslachtigheid ten opzichte van deze uitvoering betreft ook juist deze conceptie. Ik zou deze opera gewoon eens graag retrospectief-Wagneriaans horen: een volle Wotan-basbariton als Holländer en een Brünhillde/Isolde-sopraan als Senta en verder alles hard en veel. 'Die Frist ist um' is inhoudelijk en muzikaal de voorbode van de monoloog van Wotan in de tweede akte van Die Walküre; dan moet die slotnoot ook Wagneriaans-dramatisch voluit gaan in plaats van afgewogen gebalanceerd. Enfin, slechts kanttekeningen bij een verder prima voorstelling, met een geweldig zingend koor: hoe heerlijk toch altijd dat eerste kwartier van het derde bedrijf! De enscenering van Martin Kusej is modern, maar passend, ironisch en kleurrijk. Ik vind het altijd knap wanneer je met één toneelbeeld als basis verschillende situaties toch geloofwaardig kunt uitbeelden.

22 februari 2010

Bijzondere concerten 4


6 december 1986, Concertgebouw Amsterdam
Concertgebouworkest o.l.v. Eugen Jochum


Bruckner: Symfonie nr. 5

Na de hausse aan muziekbelevenissen aan het einde van de vorige en het begin van deze maand, nu tot het einde van de maand even niks. De aanschaf van een cd vormde de aanleiding mijn ooit begonnen serie 'bijzondere concerten' (uit de oude doos) een vervolg te geven. Ik kocht onlangs bij mijn Duitse cd-winkel JPC een live-opname van Bruckners Vijfde symfonie, uitgevoerd door het Concertgebouworkest o.l.v. Eugen Jochum. De opname betreft de registratie van het concert van donderdag 4 december 1986. Ik bezocht twee dagen later het volgende en laatste concert uit de reeks van drie. Dat was meteen Jochums laatste concert met het Concertgebouworkest; hij overleed op 26 maart 1987 op 84-jarige leeftijd. Er staan me nog veel beelden van dat memorabele concert voor ogen. Vlak voor de dirigent zou opkomen, ging de deur rechtsboven aan de trap open en kwam een verlaat studentenpaartje in galakostuum binnen - mensen begon lichtjes te klappen; er hing meteen een vrolijke sfeer in de zaal. Daarna van rechts onderin de oude Jochum, voor wie op de bok een brede zitbank was neergezet. Hij dirigeerde het hele stuk zittend; alleen bij de coda van de Finale ging hij staan. Alleen al daardoor bereikte hij dat het orkest nog krachtiger speelde, zoals in die coda de bedoeling is. Bij het luide slotapplaus kreeg Jochum geen bos bloemen, maar een fles witte wijn.
Jochum debuteerde bij het Concertgebouworkest in 1941. Hij was de oplossing voor het door de Duitse bezetter opgeworpen probleem. Die wilde meer Duitse dirigenten voor het orkest, en Jochum was als anti-nazi een welkome gast. Jochum maakte zich snel geliefd bij het orkest; hij was na de dood van Van Beinum samen enkele jaren mede-chefdirigent naast Haitink. Jochum verzorgde tot 1975 de jaarlijkse passie-uitvoeringen, nam een Beethoven-cyclus op, en dirigeerde natuurlijk veel Bruckner, de componist die als eerste aan zijn naam gekoppeld wordt. Jochum nam als eerste alle Bruckner-symfonieën op; deze DG-collectie kent nog steeds enkele sterke uitvoeringen (nr 2 t/m 5 met name). Van de Vierde werd nooit meer zo'n stormachtige uitvoering opgenomen - het blijft een favoriete opname. Dat Jochum het ook langzamer kon, valt op YouTube te beluisteren. In september 1986 (dus drie maanden voor dit beschreven concert) maakte het Concertgebouworkest een lange tournee naar Japan, met als dirigenten Ashkenazy en Jochum. Het verhaal gaat dat de uitvoering van Bruckners Zevende die door Jochum werd gedirigeerd per uitvoering langzamer werd. Volgens een orkestlid speelden ze de laatste uitvoering uiteindelijk langzamer dan het geluid... Op YouTube is in stukken de uitvoering van 17 september te zien - niet in Osaka zoals vermeld maar in Tokyo (volgens mijn Preludium van die maand...). Er zouden nog drie uitvoeringen volgen, schijnbaar nog langzamer dus. Bewonder het hier.
Ik zal later eens een vergelijking publiceren van de opnames van Bruckners Vijfde uit mijn cd-kast. Onder andere Jochum (3x), Harnoncourt, Klemperer, Haitink: doet moet boeiend zijn.
Als je op de foto bovenin klikt, krijg je Jochum vol op je scherm.

09 februari 2010

Concert 8 februari 2010


Maandag 8 februari 2010, Concertgebouw Amsterdam
London Symphony Orchestra o.l.v. John Eliot Gardiner
Maria Joao Pires, piano

Beethoven: Ouverture Egmont
Beethoven: Pianoconcert nr. 2
Beethoven: Symfonie nr. 6 'Pastorale'


Tja, Gardiner. Twintig jaar geleden de dirigent die schijnbaar alles wat hij aanraakte in goud veranderde. Schijnbaar. Want wat is er nu werkelijk uit die tijd aan waardevols overgebleven? Zijn Bach-opnames klinken bij nadere beschouwing ruw en ongenuanceerd; zijn Mozart-pianoconcerten met Malcolm Bilson veelal ongemakkelijk scherp (overigens ken ik van het concert nr. 22 vooralsnog geen betere uitvoering - maar ideaal is deze geenszins). En zijn Mozart-opera's leggen het toch af tegen de opnames van Harnoncourt. Er is eigenlijk één Gardiner-opname die ik werkelijk prachtig vind, en dat is 'Die lustige Witwe' met de Wiener Philharmoniker. Vanwege de heerlijke zangstemmen en de zwoele sfeer, en zeker vanwege het onnavolgbare orkestspel: die 52 seconden-dans (nr. 13) heb ik al minstens 200 à 500 keer gehoord en blijft een schoolvoorbeeld van ideaal, perfect, subliem, weergaloos orkestspel. Geleid door Gardiner, dus de man kan zeker wel wat. Maar een topdirigent wil ik hem niet noemen. Live-concerten zijn au fond de maatstaf, en dit concert met het LSO onderstreepte eigenlijk mijn mening over Gardiner. Het gedeelte voor de pauze vond ik eigenlijk zeer teleurstellend, juist vanwege de directie van Gardiner. Hij zwaait maar wat onduidelijk heen en weer, en daardoor klinkt het nergens echt helemaal verfijnd en precies. Het London Symphony is een uitstekend orkest, terecht behorend tot de beste ter wereld, en het speelde bijzonder transparant. Dat was zeker Gardiners verdienste, maar in het Pianoconcert klonken solist en orkest nergens als een eenheid. In het tweede deel miste ik de hemelse samenklanken, en dan wordt het concert uiteindelijk te gewoontjes. Dat deden Goode en Fischer twee jaar geleden bij het KCO stukken fraaier. Na de pauze leek de Pastorale aanvankelijk eenzelfde lot beschoren; het eerste deel was eenvormig en aan het einde van de eerste expositie ging het zelfs even mis in de coördinatie tussen strijkers en blazers. Maar het vloeiende tweede deel en het boerse en stormachtige derde en vierde deel werden juist prachtig en eigenzinnig gekarakteriseerd - zo uitdagend hoorde ik deze delen nog niet eerder. Tja, Gardiner.
Als je op de foto klikt krijg je zijn kop centraal op je scherm.

06 februari 2010

Concert 5 februari 2010


Vrijdag 5 februari 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Bernarda Fink, mezzosopraan
Groot Omroepkoor
Jongens van het Sacramentskoor Breda
Jongenskoor Rijnmond

Mahler: Symfonie nr. 3

Jansons blijft verbazen. Na zijn krachtige en gespannen uitvoering van de Tweede nu een lichtere, onspannender Derde. Orkestrale transparantie en een vloeiende natuurlijkheid in de muzikale beweging kenmerkten deze uitvoering, gespeeld door een fenomenaal spelend KCO - werkelijk alles lukte. De relatief ingehouden zingende Bernarda Fink paste volledig binnen de interpretatie van Jansons: het hele vierde deel culmineerde in een ragfijne samensmelting van orkest en stem in het 'Doch alle Lust will Ewigkeit!' De posthoorn in het derde deel klonk eerst vanuit de benedenfoyer rechts, daarna uit de gang rechts boven aan de trap, daarna links boven aan de trap. De bedoeling hiervan ontging me, maar het klonk wel erg stemmig. En Frits Damtow speelde foutloos! Of deze uitvoering, die ongetwijfeld op cd zal verschijnen, het wint van Bernstein durf ik niet te voorspellen, maar ik hoorde deze avond een geweldige Derde, gespeeld door een orkest en dirigent die als combinatie niet te verbeteren lijkt. Het applaus na afloop was één van de stormachtigste die ik ooit bij een KCO-concert hoorde.

05 februari 2010

Mahler 3


Het is net gelukt: het vergelijken van vijf opnames van Mahlers Derde symfonie, nog voordat ik naar de uitvoering door het KCO en Jansons zou gaan. De tekst van deze log kwam net af voor het concert – ik publiceer het er net na. Een vergelijking van vijf opnames met een eenduidig resultaat.
De uitvoering onder leiding van Jansons wordt de vijfde keer dat ik het werk live hoor. De eerste keer was in april 1991 in Rotterdam, gedirigeerd door James Conlon; het betrof zijn afscheidsconcert als chefdirigent van het RphO. In januari 1999 hoorde ik de symfonie wederom in Rotterdam, toen gedirigeerd door Gergiev. In augustus 2002 de eerste keer met het KCO, toen onder leiding van Eliahu Inbal die de zieke Chailly verving. De laatste keer was in 2004, toen Haitink en de Berliner Philharmoniker in Amsterdam op bezoek waren.
Mahlers Derde duurt ongeveer een uur en drie kwartier, en is daarmee de langste symfonie ooit geschreven. Toch is het geen zwaar werk: de eerste drie orkestrale delen zijn gevarieerd, bont en toegankelijk. De opnames die ik hier vergelijk maken duidelijk dat de vervolgdelen aan de symfonie een geheel verschillende lading kunnen geven, afhankelijk van de aard van de uitvoering: van licht en introvert, tot aangrijpend en expressief. Enerzijds bevat het werk veel licht-frisse natuur-elementen vol positieve uitbundigheid, anderzijds wijst het ook vooruit op met name de Vijfde en Negende symfonie waarin de menselijke emoties centraal staan.


Ik leerde de symfonie kennen met de eerste opname van Bernard Haitink met het Concertgebouworkest, uit 1966. Het is van de drie hier besproken Haitink-opnames zijn meest overtuigende. Haitink dirigeert het stuk met een aanstekelijke frisheid en jeugdigheid die prima passen bij deze symfonie. Het eerste en derde deel klinken verrukkelijk spontaan en natuurlijk. Maureen Forrester zingt in het ‘O Mensch!’ met een prachtige altstem en de vrouwen- en kinderkoren in het vierde deel zijn perfect verstaanbaar. Het langzame slotdeel heeft een diepgang die Haitink in de latere opnames niet zou evenaren. Dit is nog steeds een prima uitvoering, en vergeleken met de andere de enige die deze symfonie relatief jeugdig en onbezwaard beschouwt.


Met Kerstmis 1983 was bij Haitinks Kerstmatinee-cyclus de Derde aan de beurt. Wat opvalt: ook hier die verbetenheid die ook de andere kerstmatinee-uitvoeringen kenmerkt. Maar juist in deze Derde botst dat af en toe met de aard van de symfonie. Vooral in het eerste deel klinken de lyrische en zonnige marspassages niet zoals ze zouden moeten klinken. Zodra de muziek even dreigend wordt, hoor je opeens prachtige dingen, maar als geheel klopt het niet helemaal. Ook in het tweede en derde deel probeert Haitink een dreigende lading aan de muziek te geven die er niet is. In het vierde deel zingt Carolyn Watkinson erg fraai, en de vervolgdelen zijn gewoon prachtig. Maar niet mooier dan bij de opname uit 1966.


In november 1987 – een maand na zijn geweldige live-opname van de Eerste symfonie met het Concertgebouworkest (zie hier de bespreking) – dirigeerde Leonard Bernstein de Derde bij het New York Philharmonic Orchestra. En het moet er maar meteen uit: dit is allerwegen en onbetwist de beste uitvoering van alle hier besproken opnames. In mijn opschrijfboekje dat ik bij het beluisteren van deze uitvoeringen bij de hand heb, staan bij ieder deel louter superlatieven. Bernstein weet in alle delen de sfeer precies te treffen, haalt details naar voren die bij anderen onderbelicht blijven zonder ze te laten overheersen, heeft de beste trombonist in het eerste deel, overtuigt als enige in het bij anderen wat matte tweede deel, heeft met Christa Ludwig de beste en intelligenste alt, en maakt van het slotdeel een onovertroffen emotioneel hoogtepunt. Haitink en Chailly nemen tussen de 22 en 24,5 minuten voor dit slotdeel, Bernstein 28,5! Met dat effectief-tergend langzame tempo bouwt hij de spanning werkelijk tot ultieme hoogten op; de muziek grijpt je naar de keel en laat je na afloop overvoerd achter. Mahler-liefhebbers kunnen niet om deze uitvoering heen.


De opname uit 2002 van Riccardo Chailly met het Koninklijk Concertgebouworkest is van een grote schoonheid. Ondanks de relatief langzame tempi in het eerste t/m vierde deel houdt hij de spanning voortdurend vast en geeft hij een volledig afgewogen, natuurlijke en tegelijkertijd vloeiende uitvoering. Deze Chailly-Derde staat op even hoog niveau als zijn opname van de Tweede. Petra Lang zingt de ‘sch’ van het ‘O Mensch’ iets te lang en te geprononceerd, maar wat een fraaie stem heeft zij en hoe passend binnen de optiek van Chailly. Het slotdeel klinkt fraai lyrisch. Van alle opnames beschikt Chailly bovendien over het beste orkest en de mooiste opname. Voor wie een hekel heeft aan Bernstein (wat ik me eigenlijk niet kan voorstellen) heeft met de opname van Chailly het best denkbare alternatief.


In oktober 2006 dirigeerde Haitink bij het Chicago Symphony Orchestra drie concerten met Mahlers Derde op het programma. Daarvan werd voor het nieuw te starten eigen label van het orkest een fraai klinkende opname gemaakt. Van de drie Haitink-opnames uit deze vergelijking is het echter de meest gemiddelde, en de minst overtuigende. Het Chicago Symphony is een geweldig orkest, maar de opvatting van Haitink en de tempi zijn te bedachtzaam en soms zelfs wat gewoontjes. De vaart is er soms helemaal uit, zonder dat er diepgang of spanning tegenover staat. Michelle DeYoung is de minst fraai zingende alt van deze vergelijking. Het slotdeel klinkt mooi maar wederom vlak.

Conclusie
Het zal duidelijk zijn: Bernstein is mijn absolute winnaar van deze vergelijking, met Chailly op een goede tweede plaats. Voor de oude Concertgebouw-opname van Haitink zal ik altijd een zwak blijven houden: de frisse, jeugdige aanpak bezorgt die uitvoering een eigen positie. De Kerstmatinee-uitvoering is op punten mooi, maar ook wat onevenwichtig en niet altijd passend bij het karakter van deze symfonie. De Haitink-Chicago is te gewoontjes om te overtuigen.

02 februari 2010

Concert 30 januari 2010


Zaterdag 30 januari 2010, Concertgebouw Amsterdam
Orkest van het Mariinski Theater o.l.v. Valery Gergiev

Moessoergski: Nacht op de kale berg
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 1
Tsjaikovsky: Symfonie nr. 5


Er zijn hier vooruitlopend op deze log al de nodige ware woorden over dit concert geschreven. Inderdaad: het was een groots, memorabel concert. Het imago van Gergiev, dat je moet doen geloven dat hij per week meer concerten dirigeert dan er concerten zijn en dat hij het op het ultieme moment laat aankomen, werd tijdens dit concert flink tegengesproken. Wie zijn prachtige opname van Tsjaikovsky's Vierde met de Wiener Philharmoniker kent, had het kunnen weten (en ook eerdere concerten wezen er al op): Gergiev is eerder secuur en een controlfreak dan een impulsieve wildebras. Natuurlijk, zo'n Vijfde Tsjaikovsky spelen die Russen desnoods van achteren naar voren en je komt als hoornist pas voor een plek in een Russisch orkest in aanmerking als je bij het proefspel de opening van het tweede deel 200 keer achter elkaar volledig foutloos speelt, maar krijg een orkest maar eens zover dat ze iedere noot en passage spelen alsof het de eerste keer is, met aandacht voor ieder detail en tegelijkertijd vol spanning en dramatiek. Het eerste deel was opmerkelijk door de lage tempi, zowel in de inleiding (er staat: Andante...) als in de lyrische thema's in het vervolg. Maar het Andante cantabile werd zo ontzettend fraai gespeeld, dat ik me volledig gewonnen gaf. Er zat een andere eerste klarinettist na de pauze dan ervoor, maar ook deze speelde zachter dan zacht - hoe fraai die afsluitende noten van dat tweede deel. Gergiev maakte van het slotdeel nu eens niet een uitbundige orkestrale show; ook hier gingen afwerking, orkestrale transparantie en passie hand in hand. Orkest en dirigent hadden al voor de pauze hun visitekaartje afgegeven met een beheerst en verfijnd gespeelde Nacht op de kale berg, en een heerlijk fris gespeelde Eerste Sjostakovitsj. Ondanks dat ik door de volle voorafgaande dagen nogal vermoeid en overvoerd naar het Concertgebouw fietste, deden Gergiev en zijn orkest mijn stemming meteen omslaan in volle concentratie. Goed hoor!

31 januari 2010

Opera 29 januari 2010


Vrijdag 29 januari 2010, Koninklijke Muntschouwburg Brussel
Opera De Munt

R. Strauss: Elektra

Elektra - Evelyn Herlitzius
Klytämnestra - Doris Soffel
Chrysothemis - Eva-Maria Westbroek
Ägisth - Donald Kaasch
Orest - Gerd Grochowski
Koor en orkest van de Munt o.l.v. Lothar Koenigs

Mijn eerste bezoek aan de Koninklijke Muntschouwburg was in het voorjaar van 1988. De opera: Elektra, met Janis Martin in de titelrol en Christa Ludwig als Klytämnestra. Binnen enkele jaren kwam ik er nog drie keer terug, voor achtereenvolgens een Zauberflöte en Rheingold in 1991 en een Meistersinger in 1993. Toen ik ruim een maand geleden al surfend zag dat er een Elektra met topbezetting op het programma stond, en er kaartjes voor zowel opera als trein beschikbaar waren, trakteerde ik mezelf op een hernieuwde kennismaking (na bijna 17 jaar) met dit prachttheater. Het zitcomfort is niet bepaald ideaal – na twee dagen staan de afdrukken van de springveren uit mijn eersterangszetel op de vierde rij in de zaal nog in mijn achterste. Maar goed, kunst is lijden, en wat maakt het allemaal uit, want: gottegot wat een uitvoering! Van Herlitzius had ik tot anderhalf jaar geleden nog nooit gehoord, tot ze diepe indruk maakte als Baraks Weib in Die Frau ohne Schatten bij DNO. Ze haalde als Elektra alle noten, liet zich nergens overstemmen door het orkest, bouwde de climaxen perfect op en zong loepzuiver. Wat een geluid kwam er uit dat ranke vrouwtje! Was ik na haar monoloog aan het begin van de opera al redelijk platgeslagen, kwam daar opeens mevrouw Westbroek opzetten: volgende aanslag op het bevattingsvermogen van de luisteraar. Want ook Chrysothemis heeft het nodige in te brengen aan vocaal geweld, althans: zoals Westbroek dat deed. Klonk in eerdere uitvoeringen de Chrysothemis liefjes en onbeholpen-zielig, hier stond een krachtige tante die eigenlijk even overtuigd was van haar opvatting als Elektra. De Chrysothemis van Westbroek is emotioneel, twijfelend, maar ook sterk. Wanneer ze zingt dat ze wil leven en kinderen wil hebben, gaat haar stem door merg en been, want hoe begrijpelijk! En mijn laatste restje adem werd vervolgens ontnomen door Doris Soffel. Ze is uit zichzelf al een aristocratische zangeres, en in deze rol perfect op haar plaats. Bij DNO als Fricka fantastisch (in het Elektra-programmaboekje van de Munt staat dat ze de rol opnieuw bij DNO komt zingen!), als Amme geweldig en eerder dit seizoen als Herodias groots, en nu ook als vilein zingende en acterende Klytämnestra voor eeuwig gebrand op mijn netvlies. Prachtige enscenering: de louche bank van Elektra wordt voor Klytämnestra met een fraaie witte doek omkleed, waarnaast een parasol wordt geplaatst; prachtig zomers-helder licht. En op die bank vleit ze zich, gaat liggen als bij de psychiater, en dan die zin waar je op zit te wachten…: Ich habe keine gute Nächte. Bij de Opera Spanga-enscenering in het Friese boerenland (zie hier) stond voor Klytämnestra een karaf en glazen klaar. Nu ook, alleen liet Elektra zich ook daarvan bedienen. Op een gegeven moment klonken moeder en dochter hun glazen, in misplaatste verstandhouding. Waarna Elektra vroeg: Mag mijn broer niet thuiskomen, moeder? Die had net een slok genomen, en proeste de drank uit. Een geweldig moment. Enfin, de rest van het verhaal is bekend. Keek ik bij eerdere uitvoeringen vooral uit naar de Orest-onthulling, nu lag het hoogtepunt in de eerste helft, bij de verhalen van de drie vrouwelijke hoofdrollen. Lothar Koenigs dirigeerde het prachtig spelende Munt-orkest bijzonder transparant, somtijds ingehouden en vertraagd, maar vanaf rij vier altijd homogeen en in balans met de zangers. Een onvergetelijke opera-uitvoering, overigens fraai geënsceneerd door Guy Joosten.

Concert 28 januari 2010


Donderdag 28 januari 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Janine Jansen, viool

Sibelius: Vioolconcert
Rachmaninov: Symfonie nr. 2


Drie memorabele muziekavonden achter elkaar, door drie verschillende orkesten op twee verschillende locaties. Louter muzikale meesterwerken door topmusici: het leven van een weblog-scribent valt niet altijd mee… Zoals hiervoor opgemerkt: het venijn van deze maand zit ‘m in de staart, te beginnen met Jansen en Jansons en het KCO die een prachtprogramma speelden: twee stukken die van beide componisten tot mijn favoriete behoren. Janine Jansen is een rasmuzikante, en zij speelde zo fraai en muzikaal dat zelfs de allescontrolerende Jansons zich op een gegeven moment zichtbaar liet gaan, met het orkest in zijn kielzog. Er ontstond een intieme chemie tussen de drie grootheden waarbij de muziek als vanzelf ging stromen. De zaal was muisstil! Na de pauze orkestrale pracht in Rachmaninovs Tweede, een werk dat ik vooral van de warmbloedig en overromantische cd-opname van Vladimir Ashkenazy met het (toen nog niet Koninklijke) Concertgebouworkest ken; ruim twee jaar geleden wederom fraai uitgevoerd onder leiding van Andre Previn (zie hier). Maar nu beheerst zonder onderkoeling: Jansons liet deze Tweede spelen zoals Gergiev twee dagen later Tsjaikovsky’s Vijfde: zonder overdreven pathos maar intrinsiek veelzeggend. Die grote Russische symfonieën behoeven geen overdrijving! En wanneer het orkest daarbij in topvorm is, heb je als concertbezoeker een mooie avond… Sibelius, Jansen en Jansons kwamen hier al eerder in beeld voorbij. Nu een fraaie foto van een nog jonge Rachmaninov; klik op de foto en je krijgt 'm groter op je scherm.

20 januari 2010

Opera 18 januari 2010


Maandag 18 januari 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Mozart: Le nozze di Figaro

Figaro - Luca Pisaroni
Susanna - Marie Arnet
I Conte - Garry Magee
La Contessa - Michaela Kaune
Cherubino - Marina Comparato
Marcellina - Charlotte Margiono
Bartolo - Mario Luperi
Basilio - Marcel Reijans
Koor van de Nederlandse Opera
Nederlands Kamerorkest o.l.v. Constantinos Carydis

Het is hollen of stilstaan deze maand. Het venijn zit 'm in de staart; dan op drie opeenvolgende avonden concerten en opera. Dit was de opwarmer van het jaar. Van de drie Da Ponte-opera's van Mozart geënsceneerd door het duo Wieler/Morabito gaat na de Cosí nu de Nozze op herhaling. Dat vond ik verreweg de meest geslaagde enscenering; waarschijnlijk krijgen we volgend seizoen de Don Giovanni gepresenteerd, maar die hoef ik niet meer te zien. Deze Nozze daarentegen is prachtig, ingenieus en grappig. De scene met de bewakingscamera waarop de vlucht van Cherubino is te zien is werkelijk subliem gevonden, en ook het vierde bedrijf zit eigenlijk erg subtiel in elkaar. Verder telt natuurlijk de uitvoering, en die is zeker bijzonder. Luca Pisaroni zong ook al tijdens de eerste voorstellingenreeks; hij groeit uit tot een prachtige, grootse bariton. Hij zingt fraai en acteert overtuigend. Arnet, Magee en Kaune voldoen prima als Susanna, Conte en Contessa; Marina Comparato balanceert op het randje in haar eersta aria, maar met groots effect. En Margiono als Marcellina (net als in de eerste reeks) is puur goud natuurlijk. Ik was echter vooral benieuwd naar het tweede optreden van Carydis bij DNO. Een jaartje of twee geleden maakte hij een erg overtuigend debuut in Die Entführung (zie hier). En ook nu doet hij de oren spitsen. Hij is een Harnoncourt in het kwadraat: hij plaatst felle accenten en contrasteert scherp. Dat gaat wel ten koste van de lyriek en soms ook van de balans - dat deed Harnoncourt met het KCO indertijd in de Da Ponte-opera's veel beter. Maar Carydis is mij liever dan het vlakke gepruts van Metzmacher. Hoe dan ook: Mozart is de werkelijke topper van deze avond. Want Le nozze zit vol verrukkelijke muziek; vooral waar hij de aria's door de houtblazers laat begeleiden of wanneer mineur de boventoon voert. En de finale van de derde akte vind ik onweerstaanbaar. Ach, wat is eigenlijk niet geweldig in deze opera...?