31 januari 2011

Concert 7 januari 2011


Vrijdag 7 januari 2011, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Semyon Bychkov
Joshua Bell, viool

Bruch: Vioolconcert nr. 1
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 11


Ik hoorde Sjostakovitsj Elfde een paar jaar geleden voor het eerst, gespeeld door het Nederlands Philharmonisch Orkest gedirigeerd door Yakov Kreizberg, zie hier de weblog daarvan. Nu dan dezelfde symfonie bij het KCO, gedirigeerd door Kreizbergs halfbroer Semyon Bychkov. Hij dirigeerde het orkest ergens eind jaren tachtig voor het eerst en laatst; ik herinner me nog een zeer matige Pathétique. Nu dan zijn rentrée, en goed geslaagd, ofschoon ook niet heel uitzonderlijk. De Elfde is een symfonie die je een uur lang in zijn greep houdt, je nergens een moment van rust gunt en maar doorgaat en doorgaat. Uitermate boeiend natuurlijk. Het orkest speelde prima; de klank is voortdurend oorstrelend. Voor de pauze speelde de eeuwig jeugdig ogende Joshua Bell het overbekende Vioolconcert van Bruch alsof er nog veel aan te ontdekken viel; zo heerlijk vioolspelen moet een verrukking zijn. Gewoon een lekker abonnementsconcert.

30 december 2010

Concert 25 december 2010


Zaterdag 25 december 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Eva-Maria Westbroek, sopraan

Wagner: Wesendock-Lieder
Beethoven: Symfonie nr. 7


Bij dit concert kon ik voor het eerst het genoegen smaken nog dichterbij het Concertgebouw te wonen; op 5 minuten loopafstand om precies te zijn. Een kwartier voor aanvang je jas aan, en dan nog alle tijd hebben om in een foyer koffie te drinken. Een verrukkelijk concert, vanwege het gewoonweg perfecte optreden van soliste, dirigent en orkest. Westbroek is een fenomeen, en ofschoon ze in interviews tamelijk gewoontjes overkomt is ze een zangeres van wereldformaat. Ze zingt moeiteloos en loepzuiver, volledig verbonden met wat ze zingt. En met een orkest en dirigent in topvorm leverde dat een sublieme vertolking van de Wesendonck-liederen op. In de Zevende van Beethoven eveneens prachtig orkestspel. Jansons' interpretatie is een eigenzinnige; geenszins behoudend, ook niet vernieuwend. Hij tovert allerlei nieuwe inkijkjes in deze overbekende muziek tevoorschijn. Wel jammer dat hij de herhalingstekens niet respecteerde; misschien hield dat verband met de televisieregistratie. Begin februari staat deze symfonie nog eens bij Jansons en het KCO op de lessenaars, misschien dat hij dan wel de herhalingen speelt. Tijdens zo'n kerstmatineeconcert zitten allemaal feestgangers in de zaal die geen vaste concertbezoekers zijn, lijkt het. Voor me zat iemand die zich het hele concert flink zat te vervelen, maar bij het slotapplaus als eerste opsprong en zijn vuisten in de lucht gooide als ware het een popconcert. Hij wilde duidelijk op de televisie komen, de stakkerd.

Concert 15 december 2010


Woensdag 15 december 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink
Emanuel Ax, piano

Brahms: Symfonie nr. 3
Brahms: Pianoconcert nr. 1


De eerste delen van beide stukken vormen geen eenvoudige kost voor een dirigent: de drietelsmaat en de vele accenten en syncopen vormen een gevaarlijk geheel. Maar Haitink sloeg zich er bekwaam doorheen. De Derde kreeg een vloeiende, relatief lichte uitvoering die in de details nog wat haperde, maar overtuigender klonk dan enkele jaren terug bij Jansons. Het Eerste pianoconcert, dat ruim 25 jaar eerder werd gecomponeerd, kreeg juist een zwaarder en volbloediger lading. De samenwerking tussen Haitink en Ax was grandioos: hier waren twee vakmannen aan het werk, met een orkest dat hen naadloos volgde. Het intieme middendeel was het hoogtepunt van de uitvoering: verstild en dramatisch, prachtig gespeeld. Gewoon Brahms zoals Brahms moet zijn.

Opera 11 december 2011


Zaterdag 11 december 2011, Concertgebouw Amsterdam
Opera concertant

Wagner: Parsifal

Parsifal - Klaus Florian Vogt
Gurnemanz - Robert Holl
Amfortas - Falk Struckmann
Kundry - Katarina Dalayman
Klingsor - Krister St. Hill
Groot Omroepkoor
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Jaan van Zweden

Ik lig een een concertje of 8 achter met mijn weblog, en ik mocht al enkele bezorgde vragen ontvangen. Maar ik moe(s)t prioriteiten stellen; de verhuizing kostte veel gedoe en aandacht. geen zorgen, uiteindelijk komt alles goed. Het waren louter prachtige concerten die ik nog te verslaan heb, te beginnen met deze concertante uitvoering van Parsifal. Wanneer ik naar Wagners laatste opera luister, komt deze me altijd als de mooiste muziek voor die er is. De thematische concentratie is geniaal, en tegelijkertijd laat de muziek zich luisteren als één lang adagio, vol spanning en berusting. Ik had voor deze concertante uitvoering een podiumplaats toegewezen gekregen, achter het koor. Maar ik waagde het erop en wachtte op een lege stoel in de zaal. Die vond ik (zoals altijd) en zodoende hoorde ik deze opera vanaf een fortuinlijke plek. Over de uitvoering is al heel veel lovends geschreven; ik hoef daar twee maanden later niet nog wat aan toe te voegen. Wel is er weemoed dat door de politiek gure tijden dit waarschijnlijk de laatste Wagner van Van Zweden is, en misschien ook wel van dit orkest en koor. Er zijn dwazen aan het bewind, helaas geen reine dwazen.
Mooie foto van Van Zweden van Kadir van Lohuizen (bij wijze van bronvermelding).

26 november 2010

Concert 4 november 2010


Donderdag 4 november 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons

Beethoven: Ouverture Leonore nr. 3
Janácek: Taras Bulba
Tsjaikovsky: Symfonie nr. 4


Het KCO is alweer terug uit Japan, waar zij o.a. dit programma speelden. Het was weer een overweldigend Jansons-concert, ook al kan Janácek mij nog steeds niet zo bekoren. Maar in de Beethoven-ouverture waren alle elementen die de combinatie KCO-Jansons zo uniek maken volop aanwezig; geen wonder dat er bij het applaus al bravo's te horen waren - niet bepaald gebruikelijk bij een ouverture. Tsjaikovsky's Vierde stond de afgelopen jaren vaker op de KCO-lessenaars: Gilbert, Blomstedt en Fischer gaven alle overtuigende uitvoeringen. Jansons hoorde ik deze symfonie eens dirigeren met het orkest uit Sint-Petersburg, ergens rond 1990. Hoe het toen klonk kan ik me niet meer herinneren; twintig jaar later was het in ieder geval allemaal mooier en fraaier dan je je voor mogelijk kon houden.

07 november 2010

Concert 29 oktober 2010


Vrijdag 29 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer
Camilla Nylund (Elsa)
Robert Dean Smith (Lohengrin)
Ildikó Komlósi (Judith)
Balint Szabó (Blauwbaard)
Nederlands Kamerkoor

Wagner: Lohengrin - 3e bedrijf, scene 1 & 2
Bartók: Hertog Blauwbaards Burcht


Een stukje uit een opera voor de pauze en een hele opera erna: het verbazingwekkende maar prachtige recept voor een geweldig concert waarin het geheim centraal staat. Een fraai recept op papier moet uiteindelijk ook goed smaken, en dat deed het deze avond meer dan volledig. Na het gepruts met Fleming en Thielemann eerder deze week nu het onvolprezen KCO onder leiding van een dirigent die inmiddels meer is dan slechts een kandidaat voor het chefdirigentschap van dit orkest, zozeer zijn het orkest en hij vertrouwd. Over Jansons niks dan goed (zie de weblog hierna), maar Fischer bereikt eigenlijk nagenoeg dezelfde hoogten als Jansons. De eerste twee scenes uit het derde bedrijf van Lohengrin klonken als een klok: de ouverture, het bruiloftskoor en de confrontatie tusses Elsa en Lohengrin, waar Elsa de onthulling van het gehein boven alles stelt. Camilla Nylund en Robert Dean Smith waren misschien niet de ideale Elsa en Lohengrin, maar zij pasten wel in het concertante concept van Fischer. Balint Szabó verving de eerder dit najaar overleden László Polgár, en hij deed dat zeer overtuigend. Van Ildiko Komlósi had ik nog nooit eerder gehoord, maar zij bleek inderdaad de gedoodverfde Judith (ze zong deze rol blijkbaar al eerder bij het KCO, in 1990 eveneens onder Fischer). Wat een présence en wat een geknipte stem voor deze rol! Ik hoorde deze opera eens eerder bij DNO en in 1994 onder Haitink bij het KCO, maar dit was een modeluitvoering: kleurrijk, dramatisch en warmbloedig. En tja, wanneer het gedicht vooraf niet door een ingehuurde acteur maar gewoon door de dirigent zelf in die prachtige Hongaarse taal wordt uitgesproken, dan heb je al direct het gevoel bij iets bijzonders aanwezig te zijn.
Het hele concert dat ik bijwoonde werd live gestreamd is nog steeds op de websites van de avro en het KCO te bewonderen.

Concert 25 oktober 2010


Maandag 25 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Münchner Philharmoniker o.l.v. Christian Thielemann
Renée Fleming, sopraan

Schreker: Nachtstück
Mahler: Rückert-lieder
Brahms: Symfonie nr. 4


Ik lig drie te beschrijven concerten achter, dus vooruit maar. Dit optreden van Thielemann met zijn eigen orkest uit München was geen succes. Christian Thielemann en zijn soliste Renee Fleming zijn centrale figuren in de hedendaagse klassieke muziekwereld, maar het gehele concert kan met één woord gekarakteriseerd worden: onpersoonlijk. Fleming zong mooi zoals ze er op de foto uitziet: te bestudeerd en typisch Amerikaans, gespeend van begrip van wat ze zong en nergens emotioneel beladen. Thielemann miste in Brahms iedere consistentie. Zijn uitvoering van Brahms' meesterwerk werd hier en daar zeer positief gerecenseerd, maar ik vond die een grote teleurstelling wegens de onbegrijpelijke tempowisselingen en overdreven climaxen. De Meistersinger-ouverture als toegift leed aan hetzelfde euvel; hoe groots het werk ook klonk, ik houd daar gewoonweg niet van.

31 oktober 2010

Concert 21 oktober 2010


Donderdag 21 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Lorin Maazel

Mahler: Symfonie nr. 6

Dit is de derde keer dat ik Maazel bij het KCO hoorde optreden, en ofschoon ook de vorige twee optredens (met R. Strauss en een eigen bewerking van Wagners Ring) erg goed bevielen, was dit onbetwist zijn overtuigendste. Maazel geldt als een (te) zelfbewuste dirigent, en van zijn vele plaatopnamen zijn er slechts weinige die de toets der kritiek kunnen doorstaan. Maar hij liet tijdens dit concert met Mahlers ontoegankelijkste en tevens boeiendste symfonie ook blijken over een eigenzinnige en pakkende visie te beschikken en die overtuigend op het orkest (ook niet weinig zelfbewust) over te kunnen dragen. In relatief langzame tempi verleidde hij het orkest tot geweldig spel en schaafde hij voortdurend tot nog beter en nog meer... Aan het begin van het vierde deel vielen de slagwerkers uit de maat, wat hen tijdens het slotapplaus op een duidelijk zichtbare reprimande van Maazel kwam te staan. Een perfecte, ultieme Mahler 6 was het geenszins, want de langzame tempi vond ik uiteindelijk te eigenzinnig, maar het werkelijk geweldige orkestspel deed me ruim anderhalf uur in volle concentratie naar deze uitvoering luisteren, en dan heb ik een geslaagd concert bijgewoond. Maazel is een man voor exuberant repertoire. Daar is veel van, dus graag wederom engageren, deze exuberante icoon.

23 oktober 2010

Mahler 6


Mahlers Zesde symfonie vind ik zijn ontoegankelijkste symfonie, maar bepaald niet minder boeiend dan de andere. Dit werk slingert je voortdurend tussen hoop en vrees. Uiteindelijk blijf je verdwaasd achter: de klagende koperpassage aan het slot, gevolgd door die ultieme uitbarsting geven je als luisteraar de genadeslag, waarna het moeilijk applaudisseren is voor de uitvoering die je hebt gehoord. Een ‘unheimischer’ slot is in de klassieke muziek nauwelijks aan te wijzen. In de delen ervoor is het gelukkig niet overal unheimisch, maar een emotioneel gemakkelijke symfonie is deze Zesde allerminst. Het openingsdeel opent met een marsthema, maar bevat als tegenhanger een liefdesthema. Het Scherzo bevat zowel lieflijke en landelijke momenten als schrille thema’s die vooruitwijzen naar het slotdeel. Het Andante is evenzeer een bron van tegenstellingen; een fraaie behaaglijk openingsthema, maar in weinig Mahlermuziek klinken de klagende houtblazers later in dit deel zo schrijnend. Het slotdeel gooit alle remmen los. Al vanaf het begin wordt de luisteraar geen enkel behaaglijk moment gegund. Je moet er hier aan geloven, of je het wilt of niet: de componist leidt je hier onverbiddelijk naar het zwarte gat.


In de vergelijking dit keer geen Haitink en Chailly. Van de eerste heb ik geen Mahler 6 in mijn collectie, en de uitvoering van Chailly bleef net als die van Tennstedt uit tijdgebrek achterwege. Ook die van Barbirolli beluisterde ik niet helemaal; daarvan hoorde ik alleen het eerste deel. Het begin daarvan maakt de opname van Barbirolli uit augustus 1967 met het New Philharmonia Orchestra tot eentje die je eens gehoord moet hebben. Barbirolli neemt het tempo hier klemmend laag, de cello-accenten klinken als mokerslagen. Barbirolli negeert het herhalingsteken na de expositie, en toch duurt het eerste deel bij hem bijna even lang als bij Gergiev, die wél de expositie herhaalt. Dat langzame tempo verwordt uiteindelijk tot een slopend geheel, maar die opening: die moet je gehoord hebben!


Van de opnamen van Mahlersymfonieën (nr. 4, 5, 6 en 9) van Von Karajan is de zesde bepaald niet de slechtste. In tegenstelling tot in nr. 4 en 5 gaat Von Karajan met zijn Berliner Philharmoniker nergens over de top. De uitvoering is zelfs relatief licht en wordt door het orkest prachtig gespeeld. Het laatste deel is helaas te onderkoeld: het grijpt je niet bij de keel en dat hoort hier toch zeker te gebeuren. desondanks een zeer fraaie opname, die tijdens twee opnamesessies (in januari/februari 1975 en februari/maart 1977!) tot stand kwam.


Met de opname van Eliahu Inbal met zijn Radio-synfonieorchester Frankfurt uit april 1986 leerde ik dit stuk kennen. Ik had de twee cd’s al heel lang niet meer gehoord, en de uitvoering viel me alleszins mee. Van Von Karajan net iets tekort komt, krijg je er bij Inbal gratis bij: scherpte en venijn en een slotdeel dat pakt. Een nergens overdreven uitvoering, verrassend goed.


Bernstein verrast altijd, en zo ook zijn opname van de Zesde uit september1988. Af en toe zit de uitvoering op het randje van gemaniëreerdheid, maar Bernstein heeft duidelijk wat te vertellen met zijn uitvoering en hij laat geen detail onbenadrukt. En je wordt als luisteraar voortdurend gegrepen; dat gebeurt helemaal in het slotdeel, het hoogtepunt van de uitvoering.


In mei 1994 opende Pierre Boulez, evenals Bernstein met de Wiener Philharmoniker, zijn opmerkelijke Mahlercyclus met een kraakhelder gespeelde opgenomen Zesde. Ik ken niet alle opnamen van deze cyclus, maar van de uitvoeringen die ik heb is deze opname de beste. De reden: Boulez is hierin het minst afstandelijk; Mahler componeerde toch door en door emotionele muziek, en daar haalde Boulez in sommige opnamen soms flink de stofdoek door heen. Nog niet zoveel in deze uitvoering, maar vergeleken met Bernstein en Jansons (zie hierna) moet Boulez het toch afleggen. Het is vooral een bijzonder subliem gespeelde en opgenomen uitvoering. Maar deze symfonie heeft toch net iets meer te bieden.


Dat alles is in (voor zover mogelijk) volledige perfectie aanwezig bij de live-uitvoering uit september 2005 door het KCO o.l.v. Mariss Jansons. Net als bij de Vijfde combineert Jansons het beste van alle werelden: orkestrale schoonheid en een voorzichzelfsprekende muzikale inhoud. De symfonie klinkt lyrisch én aangrijpend, vloeiend én bijtend. Wederom zit je je bij beluistering af te vragen hoe het toch mogelijk is dat een dirigent dat allemaal weet over te brengen op een orkest, en dat zonder studio-remakes gewoon tijdens reguliere abonnementsconcerten laat horen.


In november 2007 speelden het London Symphony Orchestra o.l.v. Valery Gergiev de Zesde tijdens een optreden in het Concertgebouw (zie hier de weblog daarvan). Diezelfde week werd in Londen deze live-opname gemaakt. De onverbiddelijkheid werkt verpletterend, maar bij nadere beluistering ook wat dwangmatig. De middendelen zijn goed maar niet bijzonder, en het slotdeel wederom verbazingwekkend; helaas niet helemaal bevredigend door de iets te gehaaste benadering. Uiteindelijk is dit geen volledig geslaagde uitvoering, maar zeker boeiend.

Conclusie
Wederom biedt Jansons met het KCO de meest geslaagde uitvoering; eigenlijk laat deze combinatie geen wens onvervuld. Bernstein is een aantrekkelijke tweede; Inbal en Von Karajan bieden goede gemiddelde uitvoeringen. Boulez en Gergiev zijn beide aantrekkelijk door hun eigen aanpak (respectievelijk analytisch-helder en onverbiddelijk). Barbirolli moet het van de beginmaten hebben.

17 oktober 2010

Concert 15 oktober 2010


Vrijdag 15 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.lv. Tugan Sokhiev
Yefim Bronfman, piano

Dvorák: Ouverture Carnaval
Bartók: Pianoconcert nr. 2
Rachmaninov: Symfonische dansen


De jonge Russische (of Noord-Ossetische/Osseetse?) dirigent Tugan Sokhiev hoorde ik ook al bij zijn debuut bij het KCO in 2006, maar dat was vlak voor ik deze weblog startte. Toen dirigeerde hij een fraaie Zevende van Prokofiev. Bij Sokhiev staat de preciezie centraal. Het orkest speelde uitermate precies, helemaal uitgebalanceerd en zonder overdreven pathos. Het mag mij allemaal wat losser, maar dat lijkt me bij Sokhiev een kwestie van tijd. De prachtige Symfonische dansen van Rachmaninov klonken als een klok; met het Dodeneiland en de Tweede symfonie zijn beste orkestwerk. Voor de pauze liet Yefim Bronfman weer eens horen dat hij tot de onbetwiste top behoort. In fijnzinnig samenspel met het orkest hield hij de aandacht van het publiek bij het welhaast ondoorgrondelijke Tweede pianoconcert van Bartók volledig gevangen; het tweede deel was een openbaring, en hoe subtiel gespeeld. Nadien speelde Bronfman een toegift dat ik niet kende (ergens tweede helft 19e eeuw?) en dat aan virtuositeit niet onderdeed voor het pianoconcert. Een fraai concert.

12 oktober 2010

Opera 10 oktober 2010


Zondag 10 oktober 2010, Opernhaus Zürich
Opern Zürich

Wagner: Tristan und Isolde

Isolde - Barbara Schneider-Hofstetter
Tristan - Peter Seiffert
Brangäne - Michelle Breedt
König Marke - Matti Salminen
Kurwenal - Martin Gantner
Melot - Volker Vogel
Zusatzchor der Oper Zürich
Orchester der Oper Zürich o.l.v. Bernard Haitink

De wens om ook de Tristan door Haitink gedirigeerd te zien en horen is in vervulling gegaan, en een weekendje Zürich is daarbij een fraaie bijkomstigheid. Maar het werd vooral een memorabele voorstelling door de zangersproblemen, zowel voor als tijdens de voorstelling. De aanvankelijk als Isolde bestelde Waltraud Meier kreeg tijdens de repetities onenigheid met Haitink over de interpretatie, en zij trok zich terug. Het schijnt dat ook Haitink dat overwogen heeft, maar gelukkig stond hij fier op de bok in de orkestbak deze avond. Dit was de tweede voorstelling in een serie van zes, en tijdens de eerste voorstelling is Haitink vanwege die ruzie met Meier uitgeboehoed. Er stond zelfs een YouTube-filmpje van op internet, maar die is door de maker alweer verwijderd. Er werd flink boegeroepen toen Haitink bij het slotapplaus opkwam. Afgelopen zondag was daar niks van te merken, Haitink kreeg flinke bijval. Maar wat er wel tijdens deze voorstelling gebeurde: het totale vocale instorten van Peter Seiffert als Tristan. Voor aanvang werd aangekondigd dat hij een verkoudheid had opgelopen en misschien niet alle noten zou treffen. De schade hield hij tijdens het eerste en tweede bedrijf flink beperkt, en aanvankelijk leek ook in de derde akte (waar Tristan flink aan de bak moet) geen vuiltje aan de lucht. Het leek zelfs of Seiffert zich helemaal hersteld had. Maar opeens ging het mis; een hapering in de stem, en een poging om die weg te hoesten. Zonder resultaat. Binnen een kwartier kon Seiffert nauwelijks nog geluid voortbrengen. En hij moest nog zeker 20 minuten... Zelfs de saaie Zwitsers voor mij zagen hoofdschuddend en medelijdend het geworstel van Seiffert gade. En terecht: dit was puur lijden. Alleen voor zijn afsluitende 'Isolde' raapte hij alles bij elkaar om dat er nog fraai uit te krijgen; als er ooit een Tristan zich vocaal doodgezongen heeft en die dood als een ultieme opluchting heeft ervaren, was het deze avond Seiffert wel. Op de website van het Züricher operahuis zag ik dat voor de volgende voorstelling Seiffert wordt vervangen door Stig Andersen; de voorstelling daarna staat hij weer wel geprogrammeerd. Seiffert is een grootse tenor; af en toe slingerde hij geweldig krachige klanken de kleine operazaal in. De overige zangers waren goed, maar niet uitzonderlijk. Barbara Schneider-Hofstetter was volledig opgewassen tegen haar rol, en tot aan de Liebestod zong ze vol kracht en overtuiging. Maar echt pakkend was haar stem niet. Matti Salminen hoore ik eens als Mephistopheles in Berlioz La damnation de faust, maar zijn stem lijkt over zijn hoogtepunt heen; desondanks blijft hij een imposante bas. Michelle Breedt en Martin Gantner voldeden prima als Brangäne en Kurwenal. Tja, en dan Haitink. De kritiek die je op internet over deze uitvoering leest (zoals hier bijvoorbeeld) snijdt wel hout: het was allemaal wel erg luid wat er uit de orkestbak kwam. Geweldig orkestspel, een vurig liefdesduet en een zeldzaam gedetailleerd 'Habet acht'. Maar soms overstemde het orkest flink de zangers. Ik heb intens van dat orkestspel zitten genieten, en eigenlijk was ik daar ook voor gekomen, maar uiteraard had het allemaal wat meer in evenwicht mogen zijn. De enscenering was een boeiende: een draaiplateau met drie of vier buhnebeelden, niet heel erg volgens het verhaal, maar wel voorstelbaar. Het was een rare voorstelling, maar tjonge, ik zal die nooit vergeten.

Concert 3 oktober 2010


Zondag 3 oktober 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
Yuja Wang, piano

Brahms: Tragische ouverture
Prokofiev: Pianoconcert nr. 3
R. Strauss: Don Juan
R. Strauss: Till Eulenspiegels lustige Streiche


Alle media-aandacht ging uit naar het Chinese schaarsgeklede wonderpoppetje op hoge hakken dat inderdaad geweldig muzikaal dat gruwelijk moeilijke Derde pianoconcert van Prokofiev speelde, in een welhaast ideale balans met het orkest. Een klavierleeuwin is ze (nog) niet, maar ze stond haar mannetje, en in de eregalerij van pianisten die ik dit concert al eerder hoorde spelen (waaronder Argerich en Bronfman) slaat ze geen slecht figuur. Daarvoor speelde het orkest al prachtig Brahms' Tragische ouverture, een van mijn meest favoriete muziekstukken; Gatti kent zijn klassieken. Na de pauze twee relatief korte symfonische gedichten van Herr Doktor Strauss, en ook hier liet Gatti het KCO klinken zoals je graag hoort: volbloedig, gedetailleerd en in de prachtigste klank. Dit was zo'n concert waar je iedere gespeelde noot kent, en lekker met je armen over elkaar geniet van mooi, mooier, mooist. Ik ken geen betere zondagmiddagbesteding.

27 september 2010

Opera 26 september 2010


Zondag 26 september 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Verdi: Les vêpres siciliennes

Hélène - Barbara Haveman
Henri - Burkhard Fritz
Guy de Montfort - Alejandro Marco-Buhrmeister
Ninetta - Lívia Ághová
Koor van De Nederlandse Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Paolo Carignani

Als deze opera van Verdi iets duidelijk maakt, dan is het wel dat al die bekendere opera's van hem zo ongelooflijk goed zijn en dat het componeren van zulke vloeiende muziek gewoon heel erg moeilijk is. In deze Franse versie van de Siciliaanse vespers zit soms geweldige muziek (met name gespeeld door het orkest), maar ook heel veel muziek die nog eens goed tegen het licht gehouden had mogen worden en dan door de wat oudere Verdi zeker afgekeurd zou worden. Je hoort ook in de niet-gelukte muziek vlagen van de latere, geniale Verdi, maar meer dan slechts een doorkijkje daarnaar is die muziek echter niet. Als luisteraar word je soms flink op de proef gesteld, de beloning is er dan ook af en toe, maar niet heel erg vaak. De enscenering is weinig interessant. Alles is in een moderne jas gegoten, maar had evengoed ook klassieker kunnen (en moeten) zijn. Als er al een diepere betekenis in de enscenering heeft gezeten: ik heb hem er niet uitgehaald. De zangers zijn redelijk tot goed, nergens uitmuntend. Haveman en Fritz zijn overtuigend, maar nergens echt groots. Marco-Buhrmeister klinkt wel erg eendimensionaal en nergens stralend. De ster van de middag was de dirigent; de kale Italiaan leek iets aan zijn rechterarm te hebben en dirigeerde vooral met zijn linkerhand, en net als zijn eerdere gastdirecties blonk het orkest nu uit in klankschoonheid en detailwerking. Het was goed om deze opera eens gehoord te hebben, maar het mag hierbij blijven wat mij betreft. En tja, ik blijf het programmatisch vreemd vinden dat we wel deze onevenwichtige Verdi aangereikt krijgen, terwijl Il trovatore en La forza del destino nog niet in het Muziektheater bij DNO te horen waren.

25 september 2010

Concert 15 september 2010


Woensdag 15 september 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink
Till Fellner, piano

Beethoven: Pianoconcert nr. 3
Bruckner: Symfonie nr. 7


Geen Jansons, geen Pollini, maar met Haitink een perfecte vervanger op de bok. De combinatie Haitink-Pollini zou een spannende zijn geweest, maar de jonge Till Fellner ging eveneens een fraaie dialoog met Haitink aan. Die zorgde voor een afgewogen en blinkende begeleiding in het Derde pianococert van Beethoven, waarbij Fellner een frisse eigenzinnigheid tegenover stelde. De vervanging door Haitink van natuurlijk meer dan perfect, want een buitenkans om hem nog eens een keertje met de Zevende Bruckner te horen. Van al zijn geweldige Bruckner-opnamen is die van de Zevende van eind jaren zeventig toch wel het meest evenwichtig, natuurlijk en 'precies goed'. Enkele jaren geleden dirigeerde Haitink bij het KCO ook een Zevende, en de geplande live-opname voor het eigen label werd door Haitink naar de prullenbak verwezen: bij nader inzien te gedragen, te langzaam, te zwaar. Deze uitvoering was vederlicht, door en door transparant en tot op het kleinste niveau volledig in balans. Zoals ook Blomstedt bewees: Bruckner vaart wel bij relatief lichte, vloeiende en niet te langzaam gespeelde uitvoeringen. Het KCO met Haitink ervoor en dan Bruckner 7: tja, meer vanzelfsprekendheid bestaat er eigenlijk niet.

06 september 2010

Concert 31 augustus 2010


Dinsdag 31 augustus 2010, Concertgebouw Amsterdam
Gustav Mahler Jugendorchester o.l.v. Herbert Blomstedt
Christian Gerhaher, bariton

Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
Bruckner: Symfonie nr. 9


Tja, Mahler en Bruckner in één programma, hoe heerlijk. En dan nog met deze meer dan uitstekende uitvoerenden. Christian Gerhaher geldt als dé Mahler-bariton van deze tijd, en dat bewees hij in de vier vroege Mahler-liederen met verve. Het zijn veeleisende liederen; er moet een verhaal worden verteld, emotie worden getoond en ook gewoon erg mooi, soms flink hoog, worden gezongen. En dat deed Gerhaher allemaal, fraai ingetogen begeleid door Blomstedt en zijn jeugdorkest. Die gingen in de Negende van Bruckner daarentegen lekker voluit. Presenteerde Blomstedt eerder dit jaar een relatief lichte Vijfde van Bruckner bij het KCO, nu was de uitvoering flink zwaarder: er stonden 12 contrabassen van links naar rechts achter het orkest. Tja, dan trillen die fortissimi lekker tot in je lever en nieren. Maar ook nu hield Blomstedt hoge tempi aan, met verrassend efect wederom. Misschien moet Bruckner wel sneller dan we gewend zijn? Met zo'n jeugdorkest op tournee moet iedereen ook mee, dus er zat een flink uitgebreid orkest op het podium, maar dit beste jeugdorkest dat er is speelde een geweldige Bruckner 9, waarin me vooral de nadruk op het vernieuwende in het Adagio opviel. Hier is Bruckner een modernist; de ene na de andere disharmonie maakt de sfeer van het deel extra wrang. Ondanks alle Mahlers die later dit jaar nog volgen, blijft een goede Bruckner toch altijd weer extra verrukkelijk. Binnenkort Haitink met de Zevende, het kan niet op.