21 augustus 2010

Concert 19 augustus 2010


Donderdag 19 augustus 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Ton Koopman
Kristian Bezuidenhout, piano

Bach: Orkestsuite nr. 3
Mozart: Pianoconcert nr. 22 KV 482
Haydn: Symfonie nr. 98


Het fijne van de zomer is dat het dan (doorgaans) zomer is, maar als je aan het einde daarvan na twee maanden afwezigheid weer naar het KCO gaat, vraag je je af wat nu eigenlijk de voorkeur verdient. Enfin, het concertseizoen is weer begonnen; er staat veel prachtigs op het programma het komend jaar. Dit eerste concert kreeg echter helaas niet helemaal de invulling waar ik bij dit heerlijke programma op gehoopt had. De orkestsuite van Bach werd fraai gespeeld, en de verschillende muzikale lijnen werden door Koopman en het KCO mooi helder getekend. De Air deed alles heel eventjes zweven. Het 22ste pianoconcert van Mozart is een favoriet van mij, vooral vanwege dat onstellend prachtige middendeel. Ik heb meerdere uitvoeringen op cd, maar geen vind ik ideaal. Malcolm Bolson en John Eliot Gardiner komen nog het dichtst in de buurt. Bezuidenhout en Koopman lukte het helaas ook niet. Ondanks de afwijkende positie van de piano (midden tussen het orkest) en het enthousiasmerende spel van Bezuidenhout, vond ik de uitvoering te licht en te vlak. Bezuidenhout bracht voortdurend versieringen aan, waar soms de originele muzikale lijn al voldoende diepgang bezit. En de soms wat te strenge en voortvarende tempi deden veel details ondergesneeuwd raken. Dat gebeurde ook in de Haydn-symfonie. Een iets lager tempo in het openings- en slotdeel had de uitvoering veel meer body kunnen geven. Koopman dirigeerde staand voor een clavecimbel, waar hij zelf aan het einde van het slotdeel de geste van Haydn aan zijn Londense opdrachtgever speelde. Door het hoge tempo ging het effect daarvan echter volledig verloren. Geweldige muziek allemaal deze avond, maar te weinig uitgewerkt gespeeld.

31 juli 2010

Driemaal is scheepsrecht...


Wie deze weblog vanaf het begin heeft bijgehouden, kent mijn diepste wens die ik in juni 2007 voor het eerst uitte (lees hier), namelijk om ooit nog eens Debussy's Pelléas et Mélisande en Wagners Parsifal en Tristan und Isolde door Bernard Haitink gedirigeerd te horen worden. Enfin, in juni 2007 was daar dus die Pelléas, en een half jaar later plotseling de Parsifal in London (dit is de weblog van die uitvoering). De verzuchting die ik aan het einde van die weblog slaakte wordt nu na tweeënhalfjaar bewaarheid! In oktober a.s. dirigeert de 81-jarige maestro zes keer de Tristan in Zürich. Ik heb geen seconde hoeven na te denken, er bleken nog kaarten zat. Op zondag 10 oktober zit ik er eerste rang!

Concert 14 juli 2010


Woensdag 14 juli 2010, Concertgebouw Amsterdam
Lars Vogt, piano
Katherine Gowers, viool
Marianne Thorsen, viool
Rachel Roberts, altviool
Tanja Tetzlaff, cello
Koenraad Hofman, contrabas

Schumann: Pianokwintet op. 44
Schubert: Forellenkwintet


Twee prachtige pianokwartetten die ik nooit eerder life hoorde, maar die ik thuis vaak beluister. Het was gewoon om dit programma te doen, dit enige concert in juli. En ik kreeg er geen spijt van. In de grote zaal klinkt zo'n kamermuziekensemble te weinig direct, maar het publiek was muisstil; er werd hoorbaar genoten van deze prachtstukken. Het zijn twee meesterwerken, waarbij die van Schubert opvalt door de aparte bezetting (een vondst!): een contrabas in de plaats van de tweede viool. Het is bijna een reden om contrabas te gaan studeren: om ooit dit stuk te mogen spelen. Je staat (als enige) daar lekker een beetje jazzy Schubert te spelen... verrukkelijk! Deze avond was duidelijk een gelegenheidsensemble aan het werk, maar iedere afzonderlijke musicus speelde uitstekend, en onder de bezielende leiding van vakman Lars Vogt klonk het allemaal prima. Gewoon een erg fijne kamermuziekavond in de grote zaal.

26 juli 2010

Anthony Rolfe Johnson


Opeens een bericht in de krant: vorige week, op 21 juli, overleed Anthony Rolfe Johnson, op 69-jarige leeftijd. Hij was een van mijn meest favoriete zangers. Vooral zijn stralende hoogte vond ik verrukkelijk, maar eigenlijk herkende je zijn stem per definitie uit duizenden. Er zijn enkele opnames die ik voor altijd zal koesteren, juist vanwege zijn aandeel daarin: Mozarts Requiem o.l.v. Christopher Hogwood, Mozarts Mis in c o.l.v. Gardiner (het Benedictus...!), onder leiding van dezelfde Gardiner Monteverdi's Orfeo (Rosa del ciel!) en Mozarts Idomeneo. De meest dierbare opname is Rolfe Johnsons bijdrage aan de Hyperion Schubert-cyclus. Daarop staat een zelden opgenomen lied dat ik verrukkelijk vind: eenvoudig, lieflijk, typisch Schubert, en ongeëvenaard fraai gezongen door Anthony Rolfe Johnson: Der Knabe in der Wiege... Er staan trouwens meer parels op deze prachtige cd.
Ik heb Anthony Rolfe Johnson een paar keer live gehoord. Uiteraard in zijn glansrol bij De Nederlandse Opera als Ulysses in Monteverdi's Il ritorno d'Ulysse in patria - ik zag die uitvoering zeker een keer of vier; ook was ik bij de concertante uitvoering in het Concertgebouw van Mozarts Idomeneo; dat was in 1989 geloof ik. Tijdens een van de series uitvoeringen van Il ritorno fietste ik de Magere Brug af en reed bijna tegen hem op - hij was kennelijk op weg naar een repetitie in het Muziektheater. Wat een spijt had en heb ik nog dat ik niet even stopte en tegen hem heb gezegd hoe fantastisch ik het vond dat juist hij deze rol zong.
Een tenor om nooit te vergeten!

04 juli 2010

Opera 30 juni 2010


Woensdag 30 juni 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Donizetti: L'elisir d'amore

Adina - Valentina Farcas
Nemorino - Dmitry Korchak
Belcore - Tommi Hakala
Dulcamara - Renato Girolami
Koor van de Nederlanse Opera
Nederlands Kamerorkest o.l.v. Riccardo Frizza

Deze feestelijke productie zag ik al tijdens de eerste voorstellingenreeks in 2002, toen met Bryn Terfel als Dulcamara. Eigenlijk herinnerde ik me vooral de glamour & glitter, en ik genoot er deze keer zeker weer van. Gewoon een erg leuke en als spontaan gepresenteerde uitbeelding (tot en met het applaus toe) van dit au fond suffe liefdesverhaaltje. Het eerste bedrijf is niet de helft zo aanstekelijk als het tweede, maar daarin wordt alles helemaal goedgemaakt. De uitvoering wordt aanvankelijk wat onbeholpen gebracht, ondanks die grappige zingende wijnflessen, maar gaandeweg krijg je waardering voor de prima zingende en acterende hoofdrolzangers, die gevieren samen met het koor eigenlijk alles zingen wat er te zingen valt. Meest grappige detail tot twee keer toe was het subtiele Tristan und Isolde-citaat door het recitativo secco; dat kan Donizetti nooit geschreven hebben. Maar aangezien alles aan deze productie retro was, mocht dat best. Een bijzonder plezierige opera-avond.

03 juli 2010

Concert 25 juni 2010


Vrijdag 25 juni 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti

Wagner: Siegfried-Idyll
Mahler: Symfonie nr. 5


De Vijfde van Mahler is te kort om als enige werk op het programma te zetten, maar te lang en te veeleisend om voor de pauze nog een groot ander te werk te spelen. Tennstedt dirigeerde eind jaren tachtig eerst Schönbergs A survivor from Warsaw, waarna zonder pauze-onderbreking de Vijfde op de lessenaars kwam; Chailly bracht eerst iets onduidelijks-onbekends van Puccini. Jansons had een prachtige combinatie met Don Juan van Strauss, en ook de Siegfried-Idyll bleek een prima koppeling. Uiteindelijk vond ik de uitvoering van de Siegfried-Idyll het hoogtepunt van het concert. De uitvoering van Mahler 5 werk na afloop luid toegejuicht, en ook de orkestleden leken verrukt van de verrichtingen van Gatti, maar ik was niet helemaal tevreden. Gatti dirigeerde naar mijn smaak te inconsistent wat tempi betreft, en de afwerking was hier en daar rommelig. Het orkest speelde weliswaar prima, maar niet op topniveau zoals tegenwoordig bijna altijd. Kleine haperingetjes zijn in principe niet erg, als de uitvoering je maar naar de keel grijpt. En dat deed deze niet. Het Adagietto slaagde het best; het relatieve hoge tempo werkt eigenlijk bijna altijd goed in dit deel. De uitvoering van de Siegfried-Idyll was daarentegen weergaloos mooi. Prachtig lyrisch, ingetogen, en door met name de strijkers bijzonder intens gespeeld.

25 juni 2010

Mahler 5


Het is wederom net gelukt: een vergelijking van tien uitvoeringen uit mijn eigen cd-verzameling van een Mahler-symfonie voordat ik naar de uitvoering in de Mahler-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest van dezelfde symfonie ga. Deze keer de Vijfde symfonie, die met die trompet-opening en het Dood in Venetië-Adagietto misschien soms een cultstatus had/heeft, maar verder eigenlijk een enorm doorwrocht en niet makkelijk toegankelijk werk is. De twee openingsdelen, en dan zeker het tweede deel, slaan je als luisteraar al bijna plat, waarna er een complex Scherzo van ruim een kwartier volgt. Het Adagietto biedt ademruimte, maar wel van de fraaiste en aangrijpendste soort, en het Rondo-Finale is een aaneenschakeling van herhaalde thema’s, langzaamaan culminerend in een stormachtige climax.
Eigenlijk hebben alle hier besproken opnames een bepaalde charme. Uiteindelijk was er maar één die al die charmes in zich weet te verenigen. Het was een boeiende als ook vermoeiende vergelijking.

De vergelijking begint met iets aparts: de opname uit 1927 van het Adagietto door het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Deze opname staat op een EMI-cd die ik ooit eens kocht; volgens mij geldt dit als de eerste opname van Mahler-muziek. Een aparte opname: het deel duurt net 7 minuten, waar alle anderen er minimaal 2,5 minuut meer voor nodig hebben. Het aantal glissandi is niet te tellen, en dat maakt de uitvoering bijzonder gedateerd. Maar het blijft een te koesteren opname; van de cd kon ik op internet geen plaatje vinden. Daarom maar een foto van de maestro zelf.

De kracht van de uitvoering door Sir John Barbirolli en het New Philharmonia Orchestra uit 1969 zit in de eerste twee delen. Die worden met een ongewoon dramatische lading gespeeld, in relatief behouden tempi. Het marstempo is dwingend en niet te weerstaan. Het Scherzo klinkt te zwoegend, en hier speelt ook de matige opname de gewenste speelsheid parten. Het Adagietto slaagt weer wel; het slotdeel is teveel een rommeltje. Ondanks de prachtige opening is moet deze opname het afleggen tegen andere in deze vergelijking.

Evenals bij zijn opname van de Vierde symfonie kenmerkt de uitvoering door het Chicago Symphony Orchestra onder leiding van Georg Solti uit 1970 zich door ongepolijste rechtlijnigheid en een wat overspannen gehaastheid. Subtiel of emotioneel geladen is deze uitvoering geenszins. Het slotdeel laat hij in zo’n hoog tempo spelen dat je soms medelijden krijgt met de orkestleden. Solti biedt vooral kwantiteit in plaats van kwaliteit.


Met de eerste opname van Bernard Haitink met het Concertgebouworkest uit 1970 leerde ik deze symfonie door en door kennen. De twee openingsdelen worden prachtig gespeeld, met grote transparantie en vol vuur. Helaas ontbreekt die passie in het Scherzo en het slotdeel; bovendien zijn het (wederom) de matige hoorns van het Concertgebouworkest uit die periode die geen fraaie klank voortbrengen, in deze delen juist essentiële instrumenten. Ondanks die openingsdelen en het gedragen gespeelde Adagietto geen ideale opname.


Bij mijn vergelijking van de Vierde schreef ik dat de opname van Herbert von Karajan van die symfonie zijn eerste schreden op het Mahler-pad waren. Dat was onjuist: enkele jaren voordat hij de Vierde opname, maakte hij in 1973 met de Berliner Philharmoniker een opname van de Vijfde, die uiteindelijk geen stand houdt ten opzichte van andere opnames. In de openingsdelen wisselen prachtige passages en rommeligheden elkaar voortdurend af. Opvallend: Von Karajan laat het tweede gedeelte van de openingspassage (direct na het eerste fortissimoaccoord) door twee trompetten spelen. In het Scherzo raakt hij echter de juiste toon, met een fris-speelse benadering, feller dan je aanvankelijk bij Von Karajan zou verwachten. Het slot van dit Scherzo is overweldigend. In het Adagietto gaat het fout. Daar is door de technici (aangestuurd door Von Karajan zelf?) zodanig aan de knoppen gedraaid, dat er een soort science fiction-achtig filmmuziekgeluid uit de luidsprekers komt. Het slotdeel klinkt weer goed, maar het kwaad is dan al geschied. Een collectors item, deze opname. Niet meer dan dat.


Kerstmis 1986 verzorgden Bernard Haitink en het Concertgebouworkest een meer dan grandioze uitvoering van deze symfonie. Bij deze enkele, direct opgenomen uitvoering is het orkestspel beter dan dat van de Berliner Philharmoniker en Von Karajan, waar in de studio flink geschaafd is aan het uiteindelijke resultaat. De opbouw is grandioos, soms iets te gehaast weliswaar, maar volstrekt natuurlijk, bezonken in zowel Scherzo als Adagietto. Het slotdeel kent een enerverende climax. Een hoogtepunt uit de Kerstmatinee-verzameling.

Leonard Bernstein nam met de Wiener Philharmoniker in 1987 deze Vijfde op in de Alte Oper in Frankfurt. Ik vind het resultaat niet helemaal overtuigend. In het openingsdeel is het tempo net iets te traag, ook al is het uiteindelijke effect opvallend. In het Scherzo werkt de analytische aanpak contraproductief: je hoort weliswaar alle details, maar de schwung ontbreekt. Het Adagietto en het slotdeel maken veel goed: er gebeurt veel fraais, wederom door de wat tragere tempi en het oog voor detail, maar nu inclusief een aangrijpend effect.

Pierre Boulez maakte zijn opname uit 1997 eveneens met de Wiener Philharmoniker, en wat een verschil met Bernstein. Orkestspel en opname gaan hier hand in hand: kraakhelder, rechtlijnig en voor zichzelf sprekend. Toch mis ik betrokkenheid en vervoering; ik vind de uitvoering te onderkoeld. Het slotdeel ontbeert bovendien een climax.

Riccardo Chailly levert met het Koninklijk Concertgebouworkest wederom een uitstekende uitvoering af, opgenomen in 1997. Het orkest speelt grandioos, de opname is prachtig en er is warmbloedigheid, ritmische perfectie, detailwerking en schwung. Die nadruk op die lage noten door de harp in het Adagietto zijn zo prachtig…! De enige kanttekening is diezelfde nadruk op de details. Deze is niet zo hinderlijk als in de opname van de Eerste, maar Chailly kon het ook hier niet laten om af en toe sommige details net iets meer accent te geven dan vanzelfsprekend is. Ik kan me van de uitvoeringen in het Concertgebouw herinneren dat de hoornist voor het Scherzo een plek vlak voor de lessenaar van Chailly betrok; bij de opname zit deze zowat naast je op de bank. Fraai gerealiseerd, maar net iets te overdreven.

Over Gustavo Dudamel gaan alweer wat minder positieve verhalen de wereld rond, maar zijn opname van de Vijfde met het Simón Bolívar Youth Orchestra of Venezuela uit 2006 is er een die gehoord moet worden en die bepaald niet onderdoet voor die van de grote jongens Bernstein, Boulez, Chailly, om over Von Karajan en Solti maar te zwijgen. De twee openingsdelen zijn een regelrechte sensatie: wat een energie! Het tweede deel is absoluut subliem; aan het slot daarvan stapelt Mahler climax op climax en Dudamel realiseert dit grandioos. Het Scherzo mist in de doorwerking de diepgang van Jansons en Chailly, maar ook met dit deel weet Dudamel raad. Het Adagietto en het slotdeel klinken eveneens prima; de climax is wederom groots. Een opvallend goede uitvoering!

De live-opname van Mariss Jansons met het Koninklijk Concertgebouworkest uit 2007/8 grijpt je vanaf het begin bij de lurven en laat je pas bij het wegsterven van het slotapplaus weer los. Aan deze opname is goed te horen dat het orkest zelf een enorme kwaliteitsontwikkeling heeft doorgemaakt, maar ook ten opzichte van de andere orkesten in deze vergelijking tot de buitencategorie behoort. De analytische, bezonken en tegelijkertijd aangrijpende interpretatie van Jansons doen vervolgens de rest. Waar andere dirigenten in bepaalde delen de nadruk leggen op een specifiek aspect (frisheid, drama, accentuering, tempo etc.) is de balans tussen al deze aspecten bij Jansons precies goed. Dat maakt deze opname verbluffend: dat er een dirigent is die dat allemaal in een als vanzelfsprekend klinkende balans op een orkest weet over te brengen. En geen geschaaf in aparte opnamesessies, maar gewoon tijdens reguliere abonnementsconcerten…

Conclusie
Jansons is de absolute winnaar van deze vergelijking. Zijn opname verenigt alle kwaliteiten van de anderen, en biedt het meeste inzicht in de partituur, een prachtige opname en het beste orkestspel. De opname van Dudamel is verrassend goed en zal ik nog vaak beluisteren. Dat geldt ook voor de Kerstmatinee-uitvoering van Haitink; de bezonkenheid en het grootse orkestspel maken dit evenzeer een geweldige uitvoering. Chailly en Bernstein hebben eveneens hun kwaliteiten, maar leggen het op punten toch af tegen Jansons, Dudamel en de Kerstmatinee-Haitink. Boulez is interessant vanwege de rechtlijnigheid en helderheid, maar voldoet niet wie eens lekker meegesleept wil worden door deze symfonie. De eerste opname van Haitink is te onevenwichtig, evenals die van Barbirolli, ofschoon ik die nog wel eens uit de kast zal halen om diens verbluffende marstempo in de eerste twee delen te bewonderen. Solti breng ik naar de lommerd.

13 juni 2010

Concert 9 juni 2010


Woensdag 9 juni 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. David Zinman
Maria Riccarda Wesseling, mezzospraan

Beethoven: Symfonie nr. 1
Berlioz: Les nuits d'été
Respighi: Pini di Roma


Een concert van de afzeggingen: voor zowel Mariss Jansons als Vesselina Kasarova moest de orkestdirectie op zoek naar een vervanger. Wat een in alle opzichten geweldig concert had kunnen worden, werd er een die voor 80% bevredigde. Zinman is een soepele dirigent; de boel zit allemaal prima in elkaar en er valt eigenlijk weinig op aan te merken. Alleen ontbrak de zindering, en dat had de uitvoering van deze stukken echt onvergetelijk gemaakt. In Les nuits d'été zong Maria Riccarda Wesseling met overtuiging en grote présence, en het werd regelmatig muisstil in de zaal. Maar haar stem is vrij eendimensionaal. Enfin: deze liederencyclus van Berlioz behoort tot mijn meest favoriete stukken uit het gehele orkestrepertoire, en zo'n gemiddeld goede uitvoering valt dan niet te versmaden. Na Berlioz meldden zich nog een zootje extra orkestleden voor Respighi, een componist die je in de zaal nooit hoort; dit was de eerste keer dat ik een stuk van hem live hoorde. En dat terwijl hij bijzonder boeiende werken heeft gecomponeerd. Uiteraard de drie Romeinse cycli, maar ook andere orklestwerken die het waard zijn uitgevoerd te worden. Vreemd eigenlijk dat Chailly deze componist bij het KCO heeft overgeslagen. Deze uitvoering van de Pini di Roma onderstreepte weer eens wat een geweldig orkestrator Respighi was; de kleuren in zijn muziek werden door het KCO fraai verklankt. Meer Resphigi graag!

05 juni 2010

Opera 30 mei 2010


Zondag 30 mei 2010, Muziektheater Amsterdam
De Nederlandse Opera

Puccini: Turandot

Turandot - Lise Lindstrom
Calaf - Lance Ryan
Liù - Ana Maria Martinez
Timur - Mario Luperi
Koor van de Nederlandse Opera, Kinderkoor De Kickers
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin

Deze uitvoering uit mijn zondagmiddagabonnement bij DNO vormde meteen de laatste van de voorstellingenreeks; ik had al binnen een paar minuten na het begin spijt dat ik geen los kaartje voor een eerdere voorstelling had gekocht, want hier gebeurde iets bijzonders. In 2002 dirigeerde Chailly het KCO in deze oogstrelende productie van Nikolaus Lehnhoff, maar ondanks de orkestrale pracht vond ik het geheel toen wat tegenvallen door de weinig opmerkelijke zangers. En deze opera staat of valt met zangers die volledig tegen hun rol opgewassen zijn. Dat was deze zondagmiddag inderdaad het geval, en met een warmbloedig spelend Rotterdams Philharmonisch leverde dat een topuitvoering op. De aria van Liù en het antwoord van Calaf aan het einde van het eerste bedrijf heb ik als apart fragment in mijn iTunes staan; ik beluister dat stuk regelmatig. Door de overweldigende muziek, als ook door de prachting zingende Caballé en de bij je strot grijpende Pavarotti. In het Muziektheater werd er nagenoeg even prachtig gezongen, zodat ik bij dit fragment volledig volschoot. Nou, dan gebeurt er iets goeds voor je neus! Het was allemaal mooi, mooier, mooist.
Over Nézet-Séguin gaan allerlei indrukken de ronde: soms overvoerend goed, soms de plank misslaand. Deze uitvoering behoorde tot de eerste categorie. Zijn energieke dirigeerstijl paste perfect bij dit stuk. Wel zijn zijn gebaren soms zo breedsprakig en weids, dat die ten koste gaan van de precisie. Maar liever zo dan een onderkoelde Turandot.
Het door Berio gecomponeerde slot brengt een totale sfeerwisseling teweeg. Het blijft een interessant aspect: een onvoltooid meesterwerk en wat daarmee te doen? Ik heb er niet zo'n uitgesproken mening over. Stel dat de Nachtwacht van Rembrandt voor 20% onvoltooid was gebleven, zeg: zo'n stuk rechtsbovenin. Laat je dat dan voltooien door Han van Meegeren of door Picasso of Dali? De moderne uitbouw van het Concertgebouw vind ik dan wel weer geslaagd. Ik schat in: zeker 15 reacties hierna :-)

01 juni 2010

Concert 27 mei 2010


Donderdag 27 mei 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Herbert Blomstedt

Bruckner: Symfonie nr. 5

Bij al het KCO-Mahler-geweld dit en volgend seizoen wat weinig Bruckner. Volgend seizoen dirigeert Jansons de Zevende; ik heb voor twee concerten een losse kaart besteld. Nu dan eerst Bruckners contrapuntisch meesterwerk. Het werd een memorabele uitvoering door de relatieve lichtheid, transparantie en de wat vlottere tempi dan gewoonlijk. Juist door deze aanpak vielen de vele subtiliteiten op; strijkers, koper en houtblazers reageren voortdurend op elkaar en Blomstedt maakte met zijn fijnzinnige aanpak duidelijk dat dat onderlinge reageren ook humoristisch kan uitpakken. Verder een geweldig spelend KCO, dat de aanwijzingen van Blomstedt nauwkeurig opvolgde. Dan is de uitvoering gewoon helemaal af. Blomstedt is al 82, maar hij holde de trap af als een vijftigjarige in de bloei van zijn leven. De wens naar meer Bruckner vanonder zijn handen wordt snel gehonoreerd: eind augustus dirigeert hij het Gustav Mahler Jugendorchester in de Negende. Om naar uit te zien.

24 mei 2010

Concert 21 mei 2010


Vrijdag 21 mei 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mikhail Pletnev
Alexander Gavrylyuk, piano

Prokofiev: Pianoconcert nr. 2
Rachmaninov: Het dodeneiland
Scriabin: Le poème de l'extase


Drie jaar na zijn uitstekend debuut bij het KCO (zie hier de weblog) wederom een prachtig concert o.l.v. Pletnev. Er is duidelijk een klik tussen deze wat stoïcijns ogende Rus en het orkest. Ik had voor dit concert een los kaartje gekocht vanwege Pletnev, maar vooral vanwege het geweldig samengestelde programma. Dat tweede pianoconcert van Prokofiev: je moet het maar durven eraan te beginnen. Gavrylyuk speelde het nagenoeg foutloos, en vol temperament. Die cadens in het eerste deel is moordend, maar daarna geeft Prokofiev de pianist geen seconde tijd om te herstellen. En Gavrylyuk pompte zichzelf zo vol met adrenaline dat hij als toegift een Buble-Bee eruit knalde; tja, dan beheers je je vingers. Na de pauze orkestrale pracht in een eerder gedragen dan romantische uitvoering van het Dodeneiland van Rachmaninov, dat ik au fond zijn beste werk vind. En in de Poème de l'extase liet trompettist Frits Damrow en het orkest weer eens hun unieke kwaliteiten horen: die glansrijke slotmaten klonken zo ongelooflijk fraai dat ik die klank dagen na afloop nog in mijn oren heb.

15 mei 2010

Concert 14 mei 2010


Vrijdag 14 mei 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Myung-Whun Chung

Ravel: Ma Mère l'Oye (suite)
Ravel: La valse
Tsjaikovsky: Symfonie nr. 6 'Pathétique'


Chung is een in kalme cadans terugkerende gastdirigent - zijn laatste optreden was een memorabele met een prachtige Zesde van Bruckner (hier de weblog). Nu de Zesde van Tsjaikovksy waarin de stijl van Chungs dirigeren volledig tot uiting kwam: beheerst, voor zichzelf sprekend, maar met een volle klank. Geen stormachtige of bijtende Tsjaikovsky zoals we de laatste jaren van met name Jansons en Gergiev hebben gehoord, maar een westers-klassieke uitvoering in de beste soort. Het derde deel begon als een heus scherzo, maar culmineerde in een groots slot, dat de zaal (uiteraard) tot luide bijval verleidde. Het duurde even voordat het publiek doorhad dat er nog meer zou komen. Ik ben eigenlijk zeer benieuwd hoe dat nu in Rusland gaat na dit derde deel, want ik heb het nog nooit meegemaakt dat het publiek hier niet applaudisseert. Voor de pauze een fraai Ravel-programma. Helaas koos Chung voor de suite uit Ma Mère l'Oye; dan hangen die prachtige subtiele melodieën toch apart in de lucht. En die tien minuten extra hadden er nog wel bijgekund bij dit concert. La valse is een fuifnummer: een lekker groot orkest en altijd luide bijval na afloop. Maar het is gewoon een meesterwerk, deze zwoele walsenorgie. Samen met het Scherzo uit Mahlers Vijfde de definitieve afrekening met de negentiende eeuwse Weense cultuur. Beide stukken werden met de grootst mogelijke subtiliteit en schwung gespeeld.

08 mei 2010

Concert 6 mei 2010


Donderdag 6 mei 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Vladimir Jurowski
Nicolaj Znaider, viool

Elgar: Vioolconcert
Tsjaikovsky: Symfonie nr. 1

Twee werken uit de periferie van het standaardrepertoire; ik hoorde ze nog nooit eerder live. Het Elgar-vioolconcert kende ik wel van cd, en hoe lang het stuk me op die manier steeds overkomt, zo geweldig intens klonk het tijdens dit concert. Znaider en Jurowski hadden even tijd nodig om elkaar te vinden, maar Elgar laat dit concert ook niet bepaald coherent en opbouwend beginnen. Maar al snel was sprake van intens muziekmaken, waarbij Znaider vooropging met zijn prachtig klinkende viool waarop Fritz Kreisler 100 jaar geleden onder leiding van Elgar zelf de wereldpremière speelde. Het als een oneindige melodie klinkende Andante en de tweede kalmere helft van het slotdeel mochten van mij nog langer duren. De Eerste van Tsjaikovsky staat weliswaar in mijn cd-kast, maar beluisterde ik nog nooit. Het bleek een fraai-lyrisch stuk, met een subtiel tweede deel. Jurowski beweegt nogal hoekig, maar hij liet het orkest fraai ingetogen spelen; de klank werd nergens overmoedig banaal. Hoe komt Wenneke Savenije erbij om in de NRC te schrijven dat hij megalomaan dirigeerde? Het journaille van tegenwoordig verkondigt steeds uitbundiger onzin.
De komende tijd iedere week een interessant KCO-concert; de parade van interessante gastdirigenten gaat onverdroten voort.

01 mei 2010

Opera 1 mei 2010


Zaterdag 1 mei 2010, Concertgebouw Amsterdam
Opera concertant

Dukas: Ariane et Barbe-Bleue

Ariane - Katarina Kaméus
La nourrice - Marie-Nicoline Lemieux
Sélysette - Diana Axentii
Ygraine - Pauline Courtin
Mélisande - Hélène Guilmette
Bellangère - Estefania Perdomo
Barbe-Bleue- André Cognet
Groot Omroepkoor & leden Vlaams Radio Koor
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Lothar Zagrosek

Toen deze uitvoering in de Matinee-folder werd aangekondigd bestelde ik meteen een losse kaart omdat ik me herinnerde dat de DNO-productie van lang geleden zo mooi was dat ik er zelfs twee keer heen ben geweest. Die uitvoeringen bleken op de 2e pagina van mijn muziekschriftje te staan: 20 en 29 oktober 1989... (er staan trouwens geen verkeerde concerten op die 2e en 3e bladzijde van dat schriftje, samen twee maanden omspannend: Chailly, Leinsdorf, Giulini, Tennstedt, Dutoit). Maar goed, die herinnering werd tijdens deze concertante uitvoering niet helemaal bevestigd. Eigenlijk weet ik niet waaraan het lag dat deze uitvoering niet helemaal aan de verwachtingen voldeed. Misschien wel aan die verwachting? Of lag het aan de opera zelf, aan het feit dat Dukas het niet lukte om - in tegenstelling tot Debussy met Pelléas et Mélisande - en ondanks vele prachtige passages het sprookjesachtige en het drama overtuigend aan elkaar te verbinden? Misschien lag het ook aan de wat eendimensionale orkestrale uitvoering: de orkestpartij had veel feeërieker kunnen klinken dan de secuur maar rechtlijnig dirigerende Zagrosek met het Radio Philharmonisch bereikte. Aan de zangers lag het niet. Er stond een uitstekend zingende hoofdrolzangeres op het podium, bijgestaan door de nog betere Lemieux, die ik al eens onder Haitink in Pelléas et Mélisande hoorde en waar ze mij als Geneviève al opviel (zie hier de weblog daarvan), en deze middag bevestigde ze dat ze een groot zangeres is. Ook de vier vrouwelijke bijrollen waren opvallend goed bezet; de luttele regels die Barbe-Bleue en de drie boeren hebben te zingen voorkomen dat dit anders een volledig vrouwelijke opera is (naast het koor dan). Ondanks deze twijfels heb ik toch een fraaie operamiddag gehad. Dukas componeerde een fraai werk dat meer aandacht verdient dan het krijgt, en het wachten is eigenlijk op een baanbrekende opname onder leiding van een dirigent als Haitink of Dutoit die weet hoe subtiel je deze muziek moet laten klinken. Kozená en Lemieux, dat lijken me dan de beste hoofdrolzangeressen...

30 april 2010

Concert 28 april 2010


Woensdag 28 april 2010, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Kurt Masur
David Fray, piano

Beethoven: Pianoconcert nr. 3
Schubert: Symfonie nr. 9


Een klassiek programma waarvan ik iedere noot bijkans kan dromen. Ik was vooral benieuwd naar Masurs opvatting over de Grote van Schubert, die hondsmoeilijke maar geniale symfonie. Uiteindelijk viel me die niet tegen, ofschoon de uitvoeringen van Harnoncourt bij het KCO (ook op cd vastgelegd) alsook de sublieme 'authentieke' opname van Charles Mackerras iedere uitvoering daarna tot op heden doen verbleken. Masur dirigeerde nooit al erg precies, en naarmate ook zijn jaren beginnen te tellen (hij is 82) wordt dat er niet beter op. Dat leverde soms wat onregelmatigheden op, vooral wanneer hij tempowisselingen wenste zoals in de coda van het eerste deel. De orkestklank loopt in dit stuk al gauw dicht, en ook bij het KCO gebeurde dat af en toe, met name in het eerste deel. Het derde en vierde deel kregen echter een prima vertolking. Masur liet de herhalingstekens overal voor wat ze waren, maar gelukkig juist niet in het allermooiste stuk van deze symfonie: het Trio uit het Scherzo, sowieso een hoogtepunt uit de gehele orkestliteratuur. Enfin, gewoon een overwegend goede uitvoering; niet voor de eeuwigheid in de herinnering maar alleszins bevredigend.
Dat gold eigenlijk ook voor het debuutoptreden van de jonge en fraai ogende pianist David Fray, ook al vond ik het tempo in het openings- en slotdeel net een tikje te laag en al waren er teveel oneffenheden in de afstemming tussen solist en orkest. Maar zowel Fray, Masur als het KCO waren voldoende professioneel om dit verrukkelijke pianoconcert als zodanig te spelen.