Donderdag 31 maart 2016, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
Wagner: Ouverture Tannhäuser
Liszt: Orpheus
Berlioz: Symphonie fantastique
Vanaf komend seizoen is Gatti de nieuwe chefdirigent van het KCO, en tijdens dit seizoen was dit het enige programma dat met Gatti was geregeld. De Tannhäuser-ouverture en het bijzonder fraaie symfonische gedicht Orpheus van Liszt klonken glanzend en gedreven. Het zat allemaal strak in de verf. Na de pauze een aparte uitvoering van Berlioz' eigenzinnige symfonie. Gatti nam het hoofdthema in het eerste deel opvallend langzaam; mooi maar wel even wennen. Hij dirigeerde vol vuur, en in dit stuk kwamen alle eigenaardigheden die Berlioz erin stopte dan ook duidelijk naar voren. De slotpassage van het langzame deel (de vier paukenisten) had wat dreigender gekund. Het deel ervoor (Un bal) werd daarentegen subliem gespeeld; zo zwierig hoorde ik dit deel nog niet eerder. De twee slotdelen kregen het volle pond; de nieuwe klokken - een paar jaar geleden door een echtpaar cadeau gedaan aan het orkest - zijn een lust voor het oor. Er stonden camera's in de zaal en er hing een woud aan microfoons boven het orkest, dus deze uitvoering zal te zijner tijd waarschijnlijk via dvd of anderszins teruggekeken en -geluisterd kunnen worden.
Sinds 2006 beschrijf ik hier alle concerten en operavoorstellingen die ik heb bezocht.
17 april 2016
Concert 22 maart 2016
Dinsdag 22 maart 2016, Concertgebouw Amsterdam
English Baroque Soloists o.l.v. Sir John Eliot Gardiner
Mark Padmore, tenor (Evangelist)
Stephan Loges, bariton (Christus)
Hannah Morrison, sopraan
Clare Wilkinson, alt
Eleanor Minney, alt
Reginald Mobley, countertenor
Alex Ashworth, bas
Nicholas Mogg, bas
Ashley Riches, bas
Jonathan Sells, bas
Nationaal Jeugdkoor
The Monteverdi Choir
Bach: Matthäus-Passion
Bij de laatste keer dat ik Gardiner met werken van Bach hoorde, bijna tien jaar geleden, beschreef ik in de weblog wat me minder en minder beviel aan zijn Bach-interpretaties (zie hier). De Matthäus hoorde ik nog nooit live door hem gedirigeerd (ik heb wel zijn opname op DG/Archiv), dus toch maar een kaartje gekocht. Het was een memorabele uitvoering, door de vloeiende tempi, de afwezigheid van die hoekigheid en felle accenten, het onvolprezen koor en de geweldige zangers. Met uitzondering van Padmore en Loges waren de solisten leden van het koor, en zodoende konden voor de verschillende aria's per stemsoort steeds andere zangers gekozen worden. Dat maakte iedere aria iets aparts - het was duidelijk dat Gardiner bij iedere aria de best passende zanger had uitgekozen. Padmore is zowat de ideale evangelist; hij zingt krachtig, bewogen en heeft een groot stembereik. Alle zangers, het koor en ook Loges en Padmore zongen uit het hoofd (eis van Gardiner?), en Padmore verslikte zich eventjes en moest door Gardiner weer op weg geholpen worden. Het deed niks af aan zijn grandioze optreden; hij kreeg na afloop terecht het meeste applaus. Gardier bleek duidelijk milder geworden in zijn Bach-interpretatie, en dat leverde een uitstekende Matthäus op.
English Baroque Soloists o.l.v. Sir John Eliot Gardiner
Mark Padmore, tenor (Evangelist)
Stephan Loges, bariton (Christus)
Hannah Morrison, sopraan
Clare Wilkinson, alt
Eleanor Minney, alt
Reginald Mobley, countertenor
Alex Ashworth, bas
Nicholas Mogg, bas
Ashley Riches, bas
Jonathan Sells, bas
Nationaal Jeugdkoor
The Monteverdi Choir
Bach: Matthäus-Passion
Bij de laatste keer dat ik Gardiner met werken van Bach hoorde, bijna tien jaar geleden, beschreef ik in de weblog wat me minder en minder beviel aan zijn Bach-interpretaties (zie hier). De Matthäus hoorde ik nog nooit live door hem gedirigeerd (ik heb wel zijn opname op DG/Archiv), dus toch maar een kaartje gekocht. Het was een memorabele uitvoering, door de vloeiende tempi, de afwezigheid van die hoekigheid en felle accenten, het onvolprezen koor en de geweldige zangers. Met uitzondering van Padmore en Loges waren de solisten leden van het koor, en zodoende konden voor de verschillende aria's per stemsoort steeds andere zangers gekozen worden. Dat maakte iedere aria iets aparts - het was duidelijk dat Gardiner bij iedere aria de best passende zanger had uitgekozen. Padmore is zowat de ideale evangelist; hij zingt krachtig, bewogen en heeft een groot stembereik. Alle zangers, het koor en ook Loges en Padmore zongen uit het hoofd (eis van Gardiner?), en Padmore verslikte zich eventjes en moest door Gardiner weer op weg geholpen worden. Het deed niks af aan zijn grandioze optreden; hij kreeg na afloop terecht het meeste applaus. Gardier bleek duidelijk milder geworden in zijn Bach-interpretatie, en dat leverde een uitstekende Matthäus op.
10 april 2016
Concert 17 maart 2016
Donderdag 17 maart 2016 - Concertgebouw Amsterdam
Los Angeles Philharmonic Orchestra o.l.v. Gustavo Dudamel
Tamara Mumford, mezzosopraan
Groot Omroepkoor
Nationaal Kinderkoor
Mahler: Symfonie nr. 3
Ik hoorde het Los Angeles Philharmonic nooit eerder live, en na het San Francisco eerder dit seizoen (zie hier) is duidelijk dat het LA een beter orkest is. Tja, Giulini stond er een pooslang voor, en dat doet wonderen. Dudamel zwaait er alweer enkele jaren de scepter en daar wordt het orkest ook niet slechter van. De hype rondom hem is misschien wat afgezwakt, hij blijkt nog steeds een tomeloze muzikale energie te hebben, en waar het maar even kan swingt alles de pan uit. De Derde van Mahler is een staalkaart van muzikale diversiteit, en Dudamel haalde eruit wat erin zat. Ik zat op de hoek van het zijbalkon, en kon hem van dichtbij gadeslaan; iedere beweging en oogopslag werden meteen door het orkest beantwoord. De belangrijke solopartij van de trombone in het eerste deel werd vreemdgenoeg gespeeld door Jorge van Reijen, solotrombonnist van het KCO - was de eigen trombonnist ziek? Dudamel en het LA Phil brachten een prima gedreven Mahler 3 - misschien iets te technisch en te gepolijst, maar eigenlijk is iedere goedgespeelde Mahler 3 een belevenis, en zeker zo ook deze uitvoering.
Los Angeles Philharmonic Orchestra o.l.v. Gustavo Dudamel
Tamara Mumford, mezzosopraan
Groot Omroepkoor
Nationaal Kinderkoor
Mahler: Symfonie nr. 3
Ik hoorde het Los Angeles Philharmonic nooit eerder live, en na het San Francisco eerder dit seizoen (zie hier) is duidelijk dat het LA een beter orkest is. Tja, Giulini stond er een pooslang voor, en dat doet wonderen. Dudamel zwaait er alweer enkele jaren de scepter en daar wordt het orkest ook niet slechter van. De hype rondom hem is misschien wat afgezwakt, hij blijkt nog steeds een tomeloze muzikale energie te hebben, en waar het maar even kan swingt alles de pan uit. De Derde van Mahler is een staalkaart van muzikale diversiteit, en Dudamel haalde eruit wat erin zat. Ik zat op de hoek van het zijbalkon, en kon hem van dichtbij gadeslaan; iedere beweging en oogopslag werden meteen door het orkest beantwoord. De belangrijke solopartij van de trombone in het eerste deel werd vreemdgenoeg gespeeld door Jorge van Reijen, solotrombonnist van het KCO - was de eigen trombonnist ziek? Dudamel en het LA Phil brachten een prima gedreven Mahler 3 - misschien iets te technisch en te gepolijst, maar eigenlijk is iedere goedgespeelde Mahler 3 een belevenis, en zeker zo ook deze uitvoering.
06 april 2016
Opera 16 maart 2016
Woensdag 16 maart 2016, Muziektheater Amsterdam
De Nationale Opera
Moessorgski: Chovansjtsjina
Ivan Chovanski - Dmitry Ivashchenko
Andrej Chovanski - Maxim Aksenov
Vasili Golitsyn - Kurt Streit
Sjaklovity - Gábor Bretz
Dosifej - Orlin Anastassov
Marfa - Anita Rachvelishvili
Suzanna - Olga Savova
Emma - Svetlana Aksenova
Klerk - Andrey Popov
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher
Tweede keer naar deze prachtige productie van Moessorgski’s onvoltooide opera. De kwaliteiten van enscenering, orkest en zangers heb ik in mijn vorige weblog beschreven (zie hier) en kan ik ten aanzien van deze uitvoering alleen maar onderstrepen. In mijn eerdere bespreking vergat ik echter het geweldige aandeel van het koor. Dat acteert en zingt de laatste jaren zo goed dat opera’s met een groot koor-aandeel bijna altijd een geslaagde uitvoering hebben. In Chovansjtsjina wisselt het koor regelmatig van rol: van dom stads volk tot kerkkoor tot leger. Vanaf rij 3 in de zaal is goed te zien hoe complex de choreografie dikwijls is – men rent soms onnavolgbaar door elkaar; en dan ondertussen prachtig zingen. Verdi is de meester van de achtergrondkoren, maar Moessorgski kon er ook wat van. Vooral de gewijde koren in deze opera zijn hemels mooi. Met Chovansjtsjina heeft de Nationale weer een prachtproductie aan zijn speellijst toegevoegd. Hopelijk te zijner tijd in reprise.
De Nationale Opera
Moessorgski: Chovansjtsjina
Ivan Chovanski - Dmitry Ivashchenko
Andrej Chovanski - Maxim Aksenov
Vasili Golitsyn - Kurt Streit
Sjaklovity - Gábor Bretz
Dosifej - Orlin Anastassov
Marfa - Anita Rachvelishvili
Suzanna - Olga Savova
Emma - Svetlana Aksenova
Klerk - Andrey Popov
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher
Tweede keer naar deze prachtige productie van Moessorgski’s onvoltooide opera. De kwaliteiten van enscenering, orkest en zangers heb ik in mijn vorige weblog beschreven (zie hier) en kan ik ten aanzien van deze uitvoering alleen maar onderstrepen. In mijn eerdere bespreking vergat ik echter het geweldige aandeel van het koor. Dat acteert en zingt de laatste jaren zo goed dat opera’s met een groot koor-aandeel bijna altijd een geslaagde uitvoering hebben. In Chovansjtsjina wisselt het koor regelmatig van rol: van dom stads volk tot kerkkoor tot leger. Vanaf rij 3 in de zaal is goed te zien hoe complex de choreografie dikwijls is – men rent soms onnavolgbaar door elkaar; en dan ondertussen prachtig zingen. Verdi is de meester van de achtergrondkoren, maar Moessorgski kon er ook wat van. Vooral de gewijde koren in deze opera zijn hemels mooi. Met Chovansjtsjina heeft de Nationale weer een prachtproductie aan zijn speellijst toegevoegd. Hopelijk te zijner tijd in reprise.
03 april 2016
Concert 9 maart 2016
Woensdag 9 maart 2016, Concertgebouw, Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniel Harding
Vesko Eschkenazy, viool
Bach: Vioolconcert in a
Bach: Orkestsuite nr. 4
Brahms: Symfonie nr. 3
De miniserie Bach meets Brahms – de vier symfonieën van Brahms gekoppeld aan orkest- en vocale werken van Bach – blijkt van verrassend goede kwaliteit. Het eerdere concert onder leiding van Daniel Harding bleek geweldig, met name door een prachtige uitvoering van Brahms’ Vierde, zie hier de weblog. Nu dirigeerde hij wederom een prachtig concert met Brahms’ Derde: licht, transparant en vloeiend. Alles klonk zo natuurlijk dat het publiek geen behoefte voelde om uit zijn dak te gaan, maar dit was één van de fraaiste uitvoeringen van deze symfonie die ik ooit hoorde. Voor de pauze soleerde concertmeester Vesko Eschkenazy in Bachs Vioolconcert in a – soleren is eigenlijk niet het juiste woord hier. Hij speelde mee met de orkestpartij en liet de solopartij daarmee organisch samengaan. Een klein orkest, frisse tempi en goed technisch spel van de solist: dan is een ‘traditionele’ Bach goed verteerbaar. Daarna de Vierde orkestsuite, waaraan ‘authentieke’ orkesten zich zelden hun vingers willen branden tijdens live-concerten: Bach schreef een razend moeilijke trompetpartij voor waar die ventielloze trompetten zich voor een onmogelijke taak gesteld zien. De meesterlijke Italiaanse solotrompettist Omar Tomasoni van het KCO schoot permanent raak; en met wederom frisse tempi en speelplezier knalde die Suite de zaal in. Harding staat volgend jaar niet ingeboekt bij het KCO, maar hopelijk laten ze hem regelmatig terugkeren.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniel Harding
Vesko Eschkenazy, viool
Bach: Vioolconcert in a
Bach: Orkestsuite nr. 4
Brahms: Symfonie nr. 3
De miniserie Bach meets Brahms – de vier symfonieën van Brahms gekoppeld aan orkest- en vocale werken van Bach – blijkt van verrassend goede kwaliteit. Het eerdere concert onder leiding van Daniel Harding bleek geweldig, met name door een prachtige uitvoering van Brahms’ Vierde, zie hier de weblog. Nu dirigeerde hij wederom een prachtig concert met Brahms’ Derde: licht, transparant en vloeiend. Alles klonk zo natuurlijk dat het publiek geen behoefte voelde om uit zijn dak te gaan, maar dit was één van de fraaiste uitvoeringen van deze symfonie die ik ooit hoorde. Voor de pauze soleerde concertmeester Vesko Eschkenazy in Bachs Vioolconcert in a – soleren is eigenlijk niet het juiste woord hier. Hij speelde mee met de orkestpartij en liet de solopartij daarmee organisch samengaan. Een klein orkest, frisse tempi en goed technisch spel van de solist: dan is een ‘traditionele’ Bach goed verteerbaar. Daarna de Vierde orkestsuite, waaraan ‘authentieke’ orkesten zich zelden hun vingers willen branden tijdens live-concerten: Bach schreef een razend moeilijke trompetpartij voor waar die ventielloze trompetten zich voor een onmogelijke taak gesteld zien. De meesterlijke Italiaanse solotrompettist Omar Tomasoni van het KCO schoot permanent raak; en met wederom frisse tempi en speelplezier knalde die Suite de zaal in. Harding staat volgend jaar niet ingeboekt bij het KCO, maar hopelijk laten ze hem regelmatig terugkeren.
12 maart 2016
Opera 27 februari 2016
Zaterdag 27 februari 2016, Muziektheater Amsterdam
De Nationale Opera
Moessorgski: Chovansjtsjina
Ivan Chovanski - Dmitry Ivashchenko
Andrej Chovanski - Maxim Aksenov
Vasili Golitsyn - Kurt Streit
Sjaklovity - Gábor Bretz
Dosifej - Orlin Anastassov
Marfa - Anita Rachvelishvili
Suzanna - Olga Savova
Emma - Svetlana Aksenova
Klerk - Andrey Popov
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher
Première van deze nieuwe productie; de eerste keer dat deze opera in het Muziektheater werd uitgevoerd. Ik heb er al tijden de Gergiev-opname op cd van, maar de eerste cd daarvan bleek vaak een onneembare hobbel om de rest te beluisteren. In de zaal heb ik echter bijna vier uur ademloos geluisterd naar deze bijzondere muziek. Het deed me denken aan de eerste keer dat ik Boris Godoenov hoorde, eveneens live in het Muziektheater, in 1988. Ik werd toen volledig gegrepen door de bijzondere en diep-melancholische harmonieën en ook in deze onvoltooide opera is het muzikale idioom van Moessorgski bijzonder aangrijpend. Hoe onvoltooid ook, en hoe duister de thematiek van het verhaal: de opera klinkt als een afgerond en gerijpt geheel. Het verhaal is eigenlijk geen verhaal. de vijf bedrijven schetsen veeleer evenveel verschillende gezichtspunten op de belangentegenstellingen vlak voor en vlak na het begin van de heerschappij van tsaar Peter de Grote. Het programmaboekje doet niet eens een poging het verhaal te beschrijven, maar tekent de hoofdpersonen als representanten van de groep waarvoor zij staan: de streletsen (lijfwachten van de tsaar), de hervormingsgezinde adel, de oudgelovigen, de bojaren (de conservatieve adel) en wat losse figuren. De regisseur opteerde voor een relatief eenvoudig decor waarin de sfeer van de vijf bedrijven treffend gevangen werd, met het schilderij van Soerikov (De executie van de streletsen) als bewegend baken. Belangrijkste pijler onder het grote succes van deze première waren de zangers en het orkest. Er werd werkelijk imposant gezongen door alle hoofdrolspelers. De confrontatie van Ivan Chovanski, de hervormingsgezinde Golitsyn en de priester Dosifej in het tweede bedrijf is huiveringwekkend, alsook het aandeel van Rachvelishvili als de waarzegster Marfa. Zij kreeg terecht het meeste applaus, maar zwakke schakels waren er geenszins in deze uitvoering. De bojaar Sjaklovity kreeg in de derde akte opeens een geweldige aria toebedeeld - eigenlijk de enige echte aria van de hele opera. Gábor Bretz zong overrompelend. Alles bij elkaar een geweldige opera-ervaring die het prachtige Haitink-concert eerder op de dag even helemaal deed vergeten. Ik heb meteen een kaartje voor een tweede voorstelling gekocht.
De Nationale Opera
Moessorgski: Chovansjtsjina
Ivan Chovanski - Dmitry Ivashchenko
Andrej Chovanski - Maxim Aksenov
Vasili Golitsyn - Kurt Streit
Sjaklovity - Gábor Bretz
Dosifej - Orlin Anastassov
Marfa - Anita Rachvelishvili
Suzanna - Olga Savova
Emma - Svetlana Aksenova
Klerk - Andrey Popov
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher
Première van deze nieuwe productie; de eerste keer dat deze opera in het Muziektheater werd uitgevoerd. Ik heb er al tijden de Gergiev-opname op cd van, maar de eerste cd daarvan bleek vaak een onneembare hobbel om de rest te beluisteren. In de zaal heb ik echter bijna vier uur ademloos geluisterd naar deze bijzondere muziek. Het deed me denken aan de eerste keer dat ik Boris Godoenov hoorde, eveneens live in het Muziektheater, in 1988. Ik werd toen volledig gegrepen door de bijzondere en diep-melancholische harmonieën en ook in deze onvoltooide opera is het muzikale idioom van Moessorgski bijzonder aangrijpend. Hoe onvoltooid ook, en hoe duister de thematiek van het verhaal: de opera klinkt als een afgerond en gerijpt geheel. Het verhaal is eigenlijk geen verhaal. de vijf bedrijven schetsen veeleer evenveel verschillende gezichtspunten op de belangentegenstellingen vlak voor en vlak na het begin van de heerschappij van tsaar Peter de Grote. Het programmaboekje doet niet eens een poging het verhaal te beschrijven, maar tekent de hoofdpersonen als representanten van de groep waarvoor zij staan: de streletsen (lijfwachten van de tsaar), de hervormingsgezinde adel, de oudgelovigen, de bojaren (de conservatieve adel) en wat losse figuren. De regisseur opteerde voor een relatief eenvoudig decor waarin de sfeer van de vijf bedrijven treffend gevangen werd, met het schilderij van Soerikov (De executie van de streletsen) als bewegend baken. Belangrijkste pijler onder het grote succes van deze première waren de zangers en het orkest. Er werd werkelijk imposant gezongen door alle hoofdrolspelers. De confrontatie van Ivan Chovanski, de hervormingsgezinde Golitsyn en de priester Dosifej in het tweede bedrijf is huiveringwekkend, alsook het aandeel van Rachvelishvili als de waarzegster Marfa. Zij kreeg terecht het meeste applaus, maar zwakke schakels waren er geenszins in deze uitvoering. De bojaar Sjaklovity kreeg in de derde akte opeens een geweldige aria toebedeeld - eigenlijk de enige echte aria van de hele opera. Gábor Bretz zong overrompelend. Alles bij elkaar een geweldige opera-ervaring die het prachtige Haitink-concert eerder op de dag even helemaal deed vergeten. Ik heb meteen een kaartje voor een tweede voorstelling gekocht.
11 maart 2016
Concert 27 februari 2016
Zaterdag 27 februari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Bernard Haitink
Groot Omroepkoor
Vlaams Radio Koor
Sally Matthews, sopraan
Karen Cargill, mezoosopraan
Mark Padmore, tenor
Gerd Grochowski, bas
Bruckner: Te Deum
Bruckner: Symfonie nr. 9
Een dag vol schoonheid, te beginnen met dit heuglijke concert van het Radio Philharmonisch en Bernard Haitink. Bruckners Te Deum ken ik al sinds mijn studententijd van de DG-opname van Eugen Jochum, maar ik hoorde het nog nooit live. Een belevenis, dit grootse koorwerk van nog geen half uur. Een groot koor, een groot orkest, orgel, en vier solisten: Bruckner schreef er een imposant stuk voor. Haitink nam de tempi bedaagd (of: die van Jochum zijn relatief hoog...) en het klonk allemaal grandioos. Van de solisten heeft de tenor het belangrijkste aandeel, en ondanks een kleine hapering zong Padmore zijn moeilijke rol erg mooi. Na de pauze een uiterst transparante verklanking van Bruckners zwanenzang. Vooral het Adagio hoorde ik niet eerder zo breekbaar en analytisch. Haitink weet nog steeds te verrassen. Ik hoorde hem dit stuk al meerdere keren dirigeren, maar steeds zijn die uitvoeringen verschillend: soms massief, soms ragfijn, soms energiek, soms ingehouden. De vraag naar de beste uitvoering is irrelevant. Die bestaat trouwens niet, gelukkig; want stel je voor dat je die al hebt gehoord... Deze uitvoering was gewoonweg indrukwekkend. De foto hierboven werd tijdens de repetities gemaakt.
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Bernard Haitink
Groot Omroepkoor
Vlaams Radio Koor
Sally Matthews, sopraan
Karen Cargill, mezoosopraan
Mark Padmore, tenor
Gerd Grochowski, bas
Bruckner: Te Deum
Bruckner: Symfonie nr. 9
Een dag vol schoonheid, te beginnen met dit heuglijke concert van het Radio Philharmonisch en Bernard Haitink. Bruckners Te Deum ken ik al sinds mijn studententijd van de DG-opname van Eugen Jochum, maar ik hoorde het nog nooit live. Een belevenis, dit grootse koorwerk van nog geen half uur. Een groot koor, een groot orkest, orgel, en vier solisten: Bruckner schreef er een imposant stuk voor. Haitink nam de tempi bedaagd (of: die van Jochum zijn relatief hoog...) en het klonk allemaal grandioos. Van de solisten heeft de tenor het belangrijkste aandeel, en ondanks een kleine hapering zong Padmore zijn moeilijke rol erg mooi. Na de pauze een uiterst transparante verklanking van Bruckners zwanenzang. Vooral het Adagio hoorde ik niet eerder zo breekbaar en analytisch. Haitink weet nog steeds te verrassen. Ik hoorde hem dit stuk al meerdere keren dirigeren, maar steeds zijn die uitvoeringen verschillend: soms massief, soms ragfijn, soms energiek, soms ingehouden. De vraag naar de beste uitvoering is irrelevant. Die bestaat trouwens niet, gelukkig; want stel je voor dat je die al hebt gehoord... Deze uitvoering was gewoonweg indrukwekkend. De foto hierboven werd tijdens de repetities gemaakt.
05 maart 2016
Concert 25 februari 2016
Donderdag 25 februari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Lorenzo Viotti
Markus Werba, bariton
Schubert: Symfonie nr. 2
Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
Joh. Strauss jr.: Leichtes Blut
Joh. Strauss jr.: Kuss-Walzer
Jos. Strauss: Die Libelle
Jos. Strauss: Friedenspsalmen
Joh. Strauss jr.: Czárdás uit 'Ritter Pásmán'
Een concert van afzeggingen. Dirigent Welser-Möst moest afzeggen vanwege een schouderblessure en werd vervangen door de piepjonge Zwitser Lorenzo Viotti, die al assistent was van Haitink en Jansons. Hij nam het bonte programma nagenoeg ongewijzigd over; alleen de aangekondigde Derde van Schubert liet hij veranderen in de Tweede. De uitvoering daarvan overtuigde volledig. Het is een verrukkelijk werk, dat het orkest - zeker wanneer alle herhalingstekens worden gerespecteerd - flink aan het werk zet. Viotti spaarde het orkest hierbij; er stond nog het nodige op het programma. Maar hij dirigeerde een puntige, transparante uitvoering die klonk als een klok. De geboekte mezzo Alice Coote zegde haar optreden ook af, en werd vervangen door de bariton Markus Werba, die vooral als operazanger optreedt. En dat was te horen. Hij zong de Mahler-Liederen misschien iets te theatraal, maar fraai klonken zijn stem en de orkestbegeleiding alleszins. Na de pauze een bonte verzameling Strauss-muziek; ik waande me even tijdens het nieuwjaarsconcert. Geen simpele muziek om te spelen, maar Viotti leidde het KCO met vaste hand. Moge het orkest hem terugvragen met een eigen programma. Een knappere dirigent stond nog nooit eerder voor het KCO.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Lorenzo Viotti
Markus Werba, bariton
Schubert: Symfonie nr. 2
Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
Joh. Strauss jr.: Leichtes Blut
Joh. Strauss jr.: Kuss-Walzer
Jos. Strauss: Die Libelle
Jos. Strauss: Friedenspsalmen
Joh. Strauss jr.: Czárdás uit 'Ritter Pásmán'
Een concert van afzeggingen. Dirigent Welser-Möst moest afzeggen vanwege een schouderblessure en werd vervangen door de piepjonge Zwitser Lorenzo Viotti, die al assistent was van Haitink en Jansons. Hij nam het bonte programma nagenoeg ongewijzigd over; alleen de aangekondigde Derde van Schubert liet hij veranderen in de Tweede. De uitvoering daarvan overtuigde volledig. Het is een verrukkelijk werk, dat het orkest - zeker wanneer alle herhalingstekens worden gerespecteerd - flink aan het werk zet. Viotti spaarde het orkest hierbij; er stond nog het nodige op het programma. Maar hij dirigeerde een puntige, transparante uitvoering die klonk als een klok. De geboekte mezzo Alice Coote zegde haar optreden ook af, en werd vervangen door de bariton Markus Werba, die vooral als operazanger optreedt. En dat was te horen. Hij zong de Mahler-Liederen misschien iets te theatraal, maar fraai klonken zijn stem en de orkestbegeleiding alleszins. Na de pauze een bonte verzameling Strauss-muziek; ik waande me even tijdens het nieuwjaarsconcert. Geen simpele muziek om te spelen, maar Viotti leidde het KCO met vaste hand. Moge het orkest hem terugvragen met een eigen programma. Een knappere dirigent stond nog nooit eerder voor het KCO.
04 maart 2016
Concert 17 februari 2016
Woensdag 17 februari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Koinklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andries Nelsons
Jean-Yves Thibaudet, piano
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 6
Sjostakovitsj: delen uit Suite voor variétéorkest
Gershwin: Pianoconcert
Het orkest was bijna klaar met stemmen toen werd aangekondigd dat de volgorde van de werken voor de pauze zou worden omgedraaid; eerst de Zesde symfonie en daarna de Suite van Sjostakovitsj, in plaats van andersom zoals afgedrukt in het programmablad. Er zal wel een reden voor zijn geweest, maar ik vond het zeer ongepast. Deze twee stukken verschillen in stemming als dag en nacht, en dat even op het allerlaatste moment omgedraaid is een onderschatting van de luisteraar die zich op een concert voorbereid heeft. In plaats van die Mars uit de Suite voor variétéorkest meteen dus dat lange Largo uit de Zesde. Nelsons is bezig aan een indrukwekkende Sjostakovitsj-cyclus en deze Zesde klonk geweldig. Het Allegro en Presto duren samen even lang als dat eerste deel en dat maakt deze symfonie een vreemde eend in de bijt, en dus extra boeiend. De Suite knalde de zaal in, maar het was als openingswerk beter op zijn plaats geweest. Na de pauze een gedreven uitvoering van het Pianoconcert van Gershwin, een kleine drie jaar geleden ook al op de lessenaars met Chailly (zie hier). Geen meesterwerk, wel een lekker stuk muziek, en Thibaudet leek de ideale vertolker.
Koinklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andries Nelsons
Jean-Yves Thibaudet, piano
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 6
Sjostakovitsj: delen uit Suite voor variétéorkest
Gershwin: Pianoconcert
Het orkest was bijna klaar met stemmen toen werd aangekondigd dat de volgorde van de werken voor de pauze zou worden omgedraaid; eerst de Zesde symfonie en daarna de Suite van Sjostakovitsj, in plaats van andersom zoals afgedrukt in het programmablad. Er zal wel een reden voor zijn geweest, maar ik vond het zeer ongepast. Deze twee stukken verschillen in stemming als dag en nacht, en dat even op het allerlaatste moment omgedraaid is een onderschatting van de luisteraar die zich op een concert voorbereid heeft. In plaats van die Mars uit de Suite voor variétéorkest meteen dus dat lange Largo uit de Zesde. Nelsons is bezig aan een indrukwekkende Sjostakovitsj-cyclus en deze Zesde klonk geweldig. Het Allegro en Presto duren samen even lang als dat eerste deel en dat maakt deze symfonie een vreemde eend in de bijt, en dus extra boeiend. De Suite knalde de zaal in, maar het was als openingswerk beter op zijn plaats geweest. Na de pauze een gedreven uitvoering van het Pianoconcert van Gershwin, een kleine drie jaar geleden ook al op de lessenaars met Chailly (zie hier). Geen meesterwerk, wel een lekker stuk muziek, en Thibaudet leek de ideale vertolker.
01 maart 2016
Concert 12 februari 2016
Vrijdag 12 februari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Manfred Honeck
Matthias Goerne, bariton
Beethoven: Symfonie nr. 7
Mahler: Des Knaben Wunderhorn
Een apart programma; doorgaans sluit een concert af met de Zevende van Beethoven, en de Wunderhorn-cyclus werd deze eeuw nog niet door het KCO uitgevoerd, en daarvoor (Chailly, Bernstein en Haitink) steeds door twee zangers om en om en niet zoals nu door één. De Zevende Beethoven staat dezer jaren het vaakst van alle beethovensymfonieën op de KCO-lessenaars. Fischer dirigeerde het in 2014 hier in Amsterdam en vorig seizoen op tournee, dit seizoen dus Honeck, en volgend seizoen neemt Blomstedt het stuk ter hand. Deze uitvoering van Honeck mocht er zijn: puntig en energiek. Honeck had een duidelijke visie en het orkest ging er met graagte in mee. Om de krachten voor Mahler te sparen werden de meeste herhalingen achterwege gelaten. Vooruit maar. Na de pauze een ruim uur Mahler-liederen, uit het hoofd gezongen door Matthias Goerne. Zijn stem is op zijn hoogtepunt, zo leek het. Goerne kan ermee wat hij wil; je hoort zelden een zanger zo moeiteloos en vrijuit zingen. Honeck en Goerne concerteren vaker samen, ook met deze liederen, en dat was te horen. Mooi concert. Fijn om voor de foto's boven deze weblogs regelmatig terug te kunnen grijpen op de facebookpagina van het KCO.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Manfred Honeck
Matthias Goerne, bariton
Beethoven: Symfonie nr. 7
Mahler: Des Knaben Wunderhorn
Een apart programma; doorgaans sluit een concert af met de Zevende van Beethoven, en de Wunderhorn-cyclus werd deze eeuw nog niet door het KCO uitgevoerd, en daarvoor (Chailly, Bernstein en Haitink) steeds door twee zangers om en om en niet zoals nu door één. De Zevende Beethoven staat dezer jaren het vaakst van alle beethovensymfonieën op de KCO-lessenaars. Fischer dirigeerde het in 2014 hier in Amsterdam en vorig seizoen op tournee, dit seizoen dus Honeck, en volgend seizoen neemt Blomstedt het stuk ter hand. Deze uitvoering van Honeck mocht er zijn: puntig en energiek. Honeck had een duidelijke visie en het orkest ging er met graagte in mee. Om de krachten voor Mahler te sparen werden de meeste herhalingen achterwege gelaten. Vooruit maar. Na de pauze een ruim uur Mahler-liederen, uit het hoofd gezongen door Matthias Goerne. Zijn stem is op zijn hoogtepunt, zo leek het. Goerne kan ermee wat hij wil; je hoort zelden een zanger zo moeiteloos en vrijuit zingen. Honeck en Goerne concerteren vaker samen, ook met deze liederen, en dat was te horen. Mooi concert. Fijn om voor de foto's boven deze weblogs regelmatig terug te kunnen grijpen op de facebookpagina van het KCO.
26 februari 2016
Concert 9 februari 2016
Dinsdag 9 februari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Kelemen Kwartet
Menahem Pressler, piano
Haydn: Strijkkwartet op. 76, nr. 4
Bartók: Strijkkwartet nr. 3
Dvorák: Pianokwintet nr. 2
Ik lig flink wat concerten achter - het gaat hard deze maand. Sinds jaren weer eens in de Kleine Zaal, met een mij onbekend kwartet en de inmiddels 92-jarige Menahem Pressler. Voor de pauze twee interessante warmlopers van Haydn en Bartók; het Hongaarse Kelemen-kwartet speelde een thuiswedstrijd met dit repertoire. Na de pauze de bijdrage van Pressler waar iedereen voor was gekomen. Er ging van alles mis. De altiste gebaarde dat zij haar kin-steun kwijt was, waarna eerst de primarius naar achter het gordijn verdween, daarna de tweede violist en de altiste zelf - steeds zonder resultaat. En ondertussen zat Pressler onbewogen achter de piano. De steun werd niet gevonden; de altiste barstte in tranen uit, maar men begon toch maar te spelen. Na het eerste deel kwam de dienstdoende zaalwachter het podium op en bracht de verloren gewaande kin-steun; de altiste barstte wederom in tranen uit. Tja, dan wil zo'n slavisch kwintet van Dvorák wel klinken. Pressler speelde karakteristiek: met drive, stuwend. En natuurlijk met de nodige missers; het derde deel is ook voor pianisten in de bloei van hun leven nauwelijks foutloos te spelen. Ik ken het pianokwintet van Dvorák al heel lang van cd; het is een heerlijk stuk. Fijn om het nu eens live te horen, met meeslepende toestanden. Als toegift nog het lange langzame deel uit het kwintet van Sjostakovitsj.
De foto hierboven komt van de facebookpagina van het Concertgebouw is tijdens het concert gemaakt.
Kelemen Kwartet
Menahem Pressler, piano
Haydn: Strijkkwartet op. 76, nr. 4
Bartók: Strijkkwartet nr. 3
Dvorák: Pianokwintet nr. 2
Ik lig flink wat concerten achter - het gaat hard deze maand. Sinds jaren weer eens in de Kleine Zaal, met een mij onbekend kwartet en de inmiddels 92-jarige Menahem Pressler. Voor de pauze twee interessante warmlopers van Haydn en Bartók; het Hongaarse Kelemen-kwartet speelde een thuiswedstrijd met dit repertoire. Na de pauze de bijdrage van Pressler waar iedereen voor was gekomen. Er ging van alles mis. De altiste gebaarde dat zij haar kin-steun kwijt was, waarna eerst de primarius naar achter het gordijn verdween, daarna de tweede violist en de altiste zelf - steeds zonder resultaat. En ondertussen zat Pressler onbewogen achter de piano. De steun werd niet gevonden; de altiste barstte in tranen uit, maar men begon toch maar te spelen. Na het eerste deel kwam de dienstdoende zaalwachter het podium op en bracht de verloren gewaande kin-steun; de altiste barstte wederom in tranen uit. Tja, dan wil zo'n slavisch kwintet van Dvorák wel klinken. Pressler speelde karakteristiek: met drive, stuwend. En natuurlijk met de nodige missers; het derde deel is ook voor pianisten in de bloei van hun leven nauwelijks foutloos te spelen. Ik ken het pianokwintet van Dvorák al heel lang van cd; het is een heerlijk stuk. Fijn om het nu eens live te horen, met meeslepende toestanden. Als toegift nog het lange langzame deel uit het kwintet van Sjostakovitsj.
De foto hierboven komt van de facebookpagina van het Concertgebouw is tijdens het concert gemaakt.
14 februari 2016
Concert 28 januari 2016
Donderdag 28 januari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Semyon Bychkov
Kirill Gerstein, piano
Rachmaninov: Pianoconcert nr. 2
R. Strauss: Ein Heldenleben
Nog geen jaar geleden dirigeerde Bychkov de Alpensinfonie van Strauss (zie hier de weblog daarvan) en de relatief gewone uitvoering daarvan deed me wat vrezen voor deze Heldenleben. Maar die vrees bleek ongegrond: dit was een uitstekende warmbloedige en gedreven uitvoering van Strauss' meesterlijke heldenepos. Het orkest speelde geweldig en Vesko Eschkenazy bracht de vioolsoli vol intensiteit en intimiteit. Het moet maar afgelopen zijn met het verwijt aan het adres van Strauss dat deze toondichting (en de Alpensinfonie) oppervlakkig is. Het zijn meesterwerken; welke andere componist kan een orkest zo weelderig laten klinken? Voor de pauze helaas geen overrompelende uitvoering van Rachmaninovs tweede concert. Gerstein speelde de noten, maar dat was het eigenlijk ook wel. De climaxen waar je op zit te wachten kwamen niet uit de verf en werden aldus teleurstellingen. Beter op dreef was Gerstein in de toegift: de etude voor de linkerhand van Felix Blumenfeld - voor veel pianisten al lastig te spelen met twee handen, zo leek het.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Semyon Bychkov
Kirill Gerstein, piano
Rachmaninov: Pianoconcert nr. 2
R. Strauss: Ein Heldenleben
Nog geen jaar geleden dirigeerde Bychkov de Alpensinfonie van Strauss (zie hier de weblog daarvan) en de relatief gewone uitvoering daarvan deed me wat vrezen voor deze Heldenleben. Maar die vrees bleek ongegrond: dit was een uitstekende warmbloedige en gedreven uitvoering van Strauss' meesterlijke heldenepos. Het orkest speelde geweldig en Vesko Eschkenazy bracht de vioolsoli vol intensiteit en intimiteit. Het moet maar afgelopen zijn met het verwijt aan het adres van Strauss dat deze toondichting (en de Alpensinfonie) oppervlakkig is. Het zijn meesterwerken; welke andere componist kan een orkest zo weelderig laten klinken? Voor de pauze helaas geen overrompelende uitvoering van Rachmaninovs tweede concert. Gerstein speelde de noten, maar dat was het eigenlijk ook wel. De climaxen waar je op zit te wachten kwamen niet uit de verf en werden aldus teleurstellingen. Beter op dreef was Gerstein in de toegift: de etude voor de linkerhand van Felix Blumenfeld - voor veel pianisten al lastig te spelen met twee handen, zo leek het.
30 januari 2016
Concert 23 januari 2016
Zaterdag 23 januari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v Valery Gergiev
Sibelius: En saga
Rimsky-Korsakov: Suite De gouden haan
Strawinsky: Petroesjka
Het Rotterdams Philharmonisch speelt altijd op topniveau wanneer Gergiev op de bok staat. Alleen voor hem gaan ze door het vuur, en dat leverde deze middag betoverende momenten op. Hoogtepunt van het concert was voor mij En saga, het eigenzinnige symfonische gedicht van Sibelius, opus 9! Een steeds terugkerende melodielijn, maar voortdurend mysterieus. Ik beluister het stuk minstens iedere drie weken, in de auto, thuis of in de fitnesszaal, ken iedere noot, en pas nu voor het eerst life gespeeld. En hoe rijk opeens! Het uitstervend slot biedt één van de fraaiste stukken voor klarinet-solo. Gergiev voerde de spanning hier enorm op; iedereen hield zijn adem in. De suite uit de laatste opera van Rimsky-Korsakov (uit 1907, met de nodige politieke dubbelzinnigheden) bood orkestrale pracht; Rimsky-Korsakov is met Berlioz toch wel de kampioen instrumentatiekunst. Heel diepgaand was het vierdelige werk echter ook niet. Na de pauze een precieze uitvoering van Petroesjka; tja, ik vind het niet zo'n geweldig stuk. Het is klankkleur alom, maar het is me te bedacht en te klinisch. Zelfs de Sacre heeft meer structuur. Maar goed, het orkest speelde geweldig; de vele soli werden feilloos gespeeld. Aan de uitvoering lag het niet.
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v Valery Gergiev
Sibelius: En saga
Rimsky-Korsakov: Suite De gouden haan
Strawinsky: Petroesjka
Het Rotterdams Philharmonisch speelt altijd op topniveau wanneer Gergiev op de bok staat. Alleen voor hem gaan ze door het vuur, en dat leverde deze middag betoverende momenten op. Hoogtepunt van het concert was voor mij En saga, het eigenzinnige symfonische gedicht van Sibelius, opus 9! Een steeds terugkerende melodielijn, maar voortdurend mysterieus. Ik beluister het stuk minstens iedere drie weken, in de auto, thuis of in de fitnesszaal, ken iedere noot, en pas nu voor het eerst life gespeeld. En hoe rijk opeens! Het uitstervend slot biedt één van de fraaiste stukken voor klarinet-solo. Gergiev voerde de spanning hier enorm op; iedereen hield zijn adem in. De suite uit de laatste opera van Rimsky-Korsakov (uit 1907, met de nodige politieke dubbelzinnigheden) bood orkestrale pracht; Rimsky-Korsakov is met Berlioz toch wel de kampioen instrumentatiekunst. Heel diepgaand was het vierdelige werk echter ook niet. Na de pauze een precieze uitvoering van Petroesjka; tja, ik vind het niet zo'n geweldig stuk. Het is klankkleur alom, maar het is me te bedacht en te klinisch. Zelfs de Sacre heeft meer structuur. Maar goed, het orkest speelde geweldig; de vele soli werden feilloos gespeeld. Aan de uitvoering lag het niet.
29 januari 2016
Opera 20 januari 2016
Woensdag 20 januari 2016, Muziektheater Amsterdam
De Nationale Opera
Händel: Ariodante
Ariodante - Sarah Conolly
Ginevra - Anet Fritsch
Polinesso - Sonia Prina
Dalinda - Sandrine Piau
Il re di Scozia - Luca Tittoto
Lurcianio - Andrew Tortise
Koor van De Nationale Opera
Concerto Köln o.l.v. Andrea Marcon
De Nationale gaat maar door met het presenteren van Händel-opera's en keer op keer vallen die producties mee. Ik ken Ariodante redelijk goed van cd, door de geweldige uitvoering van Marc Minkowski en Anne Sofie von Otter in de titelrol. Haar uitvoeringen van de aria's Con l'ali di constanza uit het eerste bedrijf en Scherza infida in het tweede bedrijf zijn absolute hoogtepunten van operazang - Scherza infida is bovendien een grandioze aria van bijna een kwartier dat een beroep doet op het uithoudingsvermogen van zowel zanger als publiek. Maar het effect is enorm. Zo geweldig als Von Otter zong Conolly deze avond niet, maar ze kwam een hele eind in deze hondsmoeilijke aria's. Haar tegenspeelster Anet Fritsch zong echter nog mooier, en Sandrine Piau had geen moeite met de meest duivelse aria's uit de gehele operaliteratuur die een huishoudster te zingen heeft. Ook de andere zangers hadden per bedrijf minstens één aria te zingen, en zeker niet de gemakkelijkste soms. Händel had er duidelijk zin in om zijn zangers het vuur aan de schenen te leggen. Drie bedrijven van ieder minstens een uur vol da-capoaria's kunnen snel wat teveel van het goede zijn, ware het niet dat de enscenering flink meehielp om de aandacht vast te houden. De Schotse setting werd in een modern jaste gestoken, en slechts twee deurklinken op draaibare poten suggereerden drie ruimtes terwijl het podium toch volledig open bleef. Een vondst. Geweldig was het poppentheater aan het slot van ieder bedrijf, bijzonder stijlvol gedaan. Een enscenering die tot in ieder detail was uitgewerkt. Tja, dan gaan die uren van half zeven tot elf snel voorbij. Een fraaie voorstelling!
De Nationale Opera
Händel: Ariodante
Ariodante - Sarah Conolly
Ginevra - Anet Fritsch
Polinesso - Sonia Prina
Dalinda - Sandrine Piau
Il re di Scozia - Luca Tittoto
Lurcianio - Andrew Tortise
Koor van De Nationale Opera
Concerto Köln o.l.v. Andrea Marcon
De Nationale gaat maar door met het presenteren van Händel-opera's en keer op keer vallen die producties mee. Ik ken Ariodante redelijk goed van cd, door de geweldige uitvoering van Marc Minkowski en Anne Sofie von Otter in de titelrol. Haar uitvoeringen van de aria's Con l'ali di constanza uit het eerste bedrijf en Scherza infida in het tweede bedrijf zijn absolute hoogtepunten van operazang - Scherza infida is bovendien een grandioze aria van bijna een kwartier dat een beroep doet op het uithoudingsvermogen van zowel zanger als publiek. Maar het effect is enorm. Zo geweldig als Von Otter zong Conolly deze avond niet, maar ze kwam een hele eind in deze hondsmoeilijke aria's. Haar tegenspeelster Anet Fritsch zong echter nog mooier, en Sandrine Piau had geen moeite met de meest duivelse aria's uit de gehele operaliteratuur die een huishoudster te zingen heeft. Ook de andere zangers hadden per bedrijf minstens één aria te zingen, en zeker niet de gemakkelijkste soms. Händel had er duidelijk zin in om zijn zangers het vuur aan de schenen te leggen. Drie bedrijven van ieder minstens een uur vol da-capoaria's kunnen snel wat teveel van het goede zijn, ware het niet dat de enscenering flink meehielp om de aandacht vast te houden. De Schotse setting werd in een modern jaste gestoken, en slechts twee deurklinken op draaibare poten suggereerden drie ruimtes terwijl het podium toch volledig open bleef. Een vondst. Geweldig was het poppentheater aan het slot van ieder bedrijf, bijzonder stijlvol gedaan. Een enscenering die tot in ieder detail was uitgewerkt. Tja, dan gaan die uren van half zeven tot elf snel voorbij. Een fraaie voorstelling!
22 januari 2016
Opera 16 januari 2016
Zaterdag 16 januari 2016, Concertgebouw Amsterdam
Opera concertant
Puccini: Madama Butterfly
Butterfly - Lianna Haroutounian
Suziki - Marie-Nicole Lemieux
Pinkerton - Arnold Rutkowski
Sharpless - Angelo Veccia
Goro - Ho-yoon Chung
Groot Omroepkoor
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Pietro Rizzo
Veel muziekstukken heb ik via de plaat of de cd leren kennen; pas daarna door meerdere live-uitvoeringen beter kunnen doorgronden. Madama Butterfly was de eerste opera die ik op cd kocht (andere eerder wel al op langspeelplaat) en die uitvoering met Renata Tebaldi was geen goede keuze. De uitvoering bij DNO o.l.v. Edo de Waart ergens begin jaren negentig maakte de mismatch compleet; ik hoorde de opera eigenlijk nooit meer tot deze uitvoering in het Concertgebouw. En toen stokte regelmatig mijn adem. Want naast de even simpele als trefzekere dramatiek is het vooral de harmonische eigenheid van deze opera die verbazing wekt. Maar goed, dan moeten de stemmen wel passen, en dat deed die van de Armeense Lianna Haroutounian volledig. Arnold Rutkowski zong trefzeker, maar zijn stem kwam volume tekort om te imponeren. Haroutounian zong en speelde Butterfly vol overtuiging en dan is er geen quasi-japanse enscenering nodig om je te verplaatsen in wat je hoort en meeleest met de boventiteling. De bijrollen (veel Koreaanse zangers!) waren prima bezet. De jonge Italiaanse dirigent Pietro Rizzo viel op het laatste moment in voor de ziek geworden Karel Mark Chichon; maar aangezien die Italianen met deze muziek zijn opgevoed kon er natuurlijk niks misgaan. Het vorig jaar eindigde en dit jaar startte met overtuigende concertante opera-uitvoeringen; je zou haast denken dat het operatheater overbodig is. Had ik indertijd maar de Karajan-uitvoering met Mirella Freni gekocht; ik heb me heel lang iets moois ontzegd.
Opera concertant
Puccini: Madama Butterfly
Butterfly - Lianna Haroutounian
Suziki - Marie-Nicole Lemieux
Pinkerton - Arnold Rutkowski
Sharpless - Angelo Veccia
Goro - Ho-yoon Chung
Groot Omroepkoor
Radio Philharmonisch Orkest o.l.v. Pietro Rizzo
Veel muziekstukken heb ik via de plaat of de cd leren kennen; pas daarna door meerdere live-uitvoeringen beter kunnen doorgronden. Madama Butterfly was de eerste opera die ik op cd kocht (andere eerder wel al op langspeelplaat) en die uitvoering met Renata Tebaldi was geen goede keuze. De uitvoering bij DNO o.l.v. Edo de Waart ergens begin jaren negentig maakte de mismatch compleet; ik hoorde de opera eigenlijk nooit meer tot deze uitvoering in het Concertgebouw. En toen stokte regelmatig mijn adem. Want naast de even simpele als trefzekere dramatiek is het vooral de harmonische eigenheid van deze opera die verbazing wekt. Maar goed, dan moeten de stemmen wel passen, en dat deed die van de Armeense Lianna Haroutounian volledig. Arnold Rutkowski zong trefzeker, maar zijn stem kwam volume tekort om te imponeren. Haroutounian zong en speelde Butterfly vol overtuiging en dan is er geen quasi-japanse enscenering nodig om je te verplaatsen in wat je hoort en meeleest met de boventiteling. De bijrollen (veel Koreaanse zangers!) waren prima bezet. De jonge Italiaanse dirigent Pietro Rizzo viel op het laatste moment in voor de ziek geworden Karel Mark Chichon; maar aangezien die Italianen met deze muziek zijn opgevoed kon er natuurlijk niks misgaan. Het vorig jaar eindigde en dit jaar startte met overtuigende concertante opera-uitvoeringen; je zou haast denken dat het operatheater overbodig is. Had ik indertijd maar de Karajan-uitvoering met Mirella Freni gekocht; ik heb me heel lang iets moois ontzegd.
Abonneren op:
Posts (Atom)














