Donderdag 15 januari 2015, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
Christianne Stotijn, mezzosopraan
Groot Omroepkoor, Nationaal Jongenskoor, Nationaal Kinderkoor
Mahler: Symfonie nr. 3
Voor dit concert en dat van de dag erna was aanvankelijk Haitink ingepland, maar nu hij weer eens in onmin met de orkestdirectie leeft werd Daniele Gatti ingehuurd, nog voordat bekend werd dat Jansons er als chefdirigent ermee zou ophouden en dus dat Gatti als toekomstig chef kon worden benoemd. Een onvoorziene rondedans van voormalige, huidige en toekomstige chefdirigenten derhalve. Maar uiteindelijk gewoon een geweldig concert met de langste symfonie uit het klassieke orkestrepertoire. En na de prachtige uitvoering van de Zesde eerder dit seizoen (zie hier) opnieuw Gatti met Mahler. Mengelberg, Haitink en ook Chailly werden (in Amsterdam) groot met Mahler, maar dirigeerden zijn symfonieën pas toen zij chefdirigent van het Concertgebouworkest waren (van Van Beinum weet ik het niet zeker - zoveel Mahler dirigeerde hij trouwens niet), en Jansons dirigeerde vóór zijn benoeming als chef alleen de Zevende. Gatti daarentegen heeft nog voor zijn start als chef al bijna de helft van Mahlers symfonieën op de Amsterdamse lessenaars gehad (resp. 5, 9, 6 en nu 3). Moge hij de Haitinkse gewoonte van uitvoeren en hernemen herintroduceren. Deze uitvoering vond ik trouwens erg in de stijl van Haitink: niet de permanente spanning van noot tot noot zoals bij Chailly en Jansons (hoe geweldig ook), maar meer een vloeiende opbouw naar een culminerend slot. De opening van het eerste deel vond ik wat 'gewoontjes', maar het paste uiteindelijk in de visie van Gatti: niet meteen al je kruit verschieten maar uitsmeren over ruim één uur en drie kwartier. Het slotdeel werd relatief langzaam genomen en kreeg daardoor de emotionele lading die het deel toekomt. Ik vond het vocale aandeel niet helemaal overtuigend. Christianne Stotijn is misschien al weer op haar retour, en de kinderkoren vielen een beetje weg in het geheel. Maar net als bij de Zesde maakte Gatti duidelijk dat hij de Amsterdamse Mahlertraditie in ere zal houden. Prachtig concert!
De foto hierboven komt van de facebookpagina van het KCO, genomen tijdens de repetities.
Sinds 2006 beschrijf ik hier alle concerten en operavoorstellingen die ik heb bezocht.
22 januari 2015
19 januari 2015
Concert 7 januari 2015
Woensdag 7 januari 2015, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Debussy: Ibéria uit 'Trois images pour orchestre'
De Falla: Suite uit 'El sombrero de tres picos'
Massenet: Scènes napolitanes
Respighi: Pini di Roma
Een op het eerste gezicht allegaartje aan stukken, maar op de keper beschouwd heel overdacht. Voor de pauze Spanje, na de pauze Italië. En dan steeds eerst een Franse componist gevolgd door eentje uit het eigen land. Het was duidelijk: bij Spanje won de Fransman het van de Spanjaard, en bij Italië won de Italiaan het van de Fransman. De Falla en Massenet schreven aantrekkelijke stukken, maar deze overstegen het niveau van feestnummers met moeite. Jansons had zin in het nieuwe jaar, en het KCO ook, dus deze stukken knalden de zaal in. Ibéria hoorde ik al heel lang niet meer; het is Debussy op zijn toegankelijkst. Ik was uiteindelijk gekomen voor Respighi, een naar mijn mening volledig ondergewaardeerde componist. Die sublieme Pini di Roma hoorde ik een paar jaar geleden ook al eens (zie hier), maar wanneer nu eens die andere Romeinse stukken, of al die andere kleurrijke composties die zo ontegenzeggelijk van Respighi zijn? Want er valt zeker het nodige op de kwaliteit van zijn werken af te dingen, maar ze hebben dikwijls wel degelijk een eigen signatuur. En die mag veel vaker gehoord worden. Misschien dat Gatti eens wat stukken hier introduceert? Pini di Roma is een geweldig werk, en kreeg deze avond een prachtige uitvoering: bont, subtiel, spannend en overdonderend. Waar die nachtegaal vandaan kwam, heb ik niet kunnen achterhalen. Maar de koperblazers op de zijbalkons en bovenaan de trappen in de Via appia deden het gebouw op zijn grondvesten trillen. Zoals het hoort in dit slotdeel!
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Debussy: Ibéria uit 'Trois images pour orchestre'
De Falla: Suite uit 'El sombrero de tres picos'
Massenet: Scènes napolitanes
Respighi: Pini di Roma
Een op het eerste gezicht allegaartje aan stukken, maar op de keper beschouwd heel overdacht. Voor de pauze Spanje, na de pauze Italië. En dan steeds eerst een Franse componist gevolgd door eentje uit het eigen land. Het was duidelijk: bij Spanje won de Fransman het van de Spanjaard, en bij Italië won de Italiaan het van de Fransman. De Falla en Massenet schreven aantrekkelijke stukken, maar deze overstegen het niveau van feestnummers met moeite. Jansons had zin in het nieuwe jaar, en het KCO ook, dus deze stukken knalden de zaal in. Ibéria hoorde ik al heel lang niet meer; het is Debussy op zijn toegankelijkst. Ik was uiteindelijk gekomen voor Respighi, een naar mijn mening volledig ondergewaardeerde componist. Die sublieme Pini di Roma hoorde ik een paar jaar geleden ook al eens (zie hier), maar wanneer nu eens die andere Romeinse stukken, of al die andere kleurrijke composties die zo ontegenzeggelijk van Respighi zijn? Want er valt zeker het nodige op de kwaliteit van zijn werken af te dingen, maar ze hebben dikwijls wel degelijk een eigen signatuur. En die mag veel vaker gehoord worden. Misschien dat Gatti eens wat stukken hier introduceert? Pini di Roma is een geweldig werk, en kreeg deze avond een prachtige uitvoering: bont, subtiel, spannend en overdonderend. Waar die nachtegaal vandaan kwam, heb ik niet kunnen achterhalen. Maar de koperblazers op de zijbalkons en bovenaan de trappen in de Via appia deden het gebouw op zijn grondvesten trillen. Zoals het hoort in dit slotdeel!
07 januari 2015
Opera 19 december 2014
Vrijdag 19 december 2014, Muziektheater Amsterdam
De Nationale Opera
Puccini: La bohème
Mimì - Grazia Doronzio
Musetta - Joyce El-Khoury
Rodolfo - Atalla Ayan
Marcello - Massimo Cavalletti
Schaunard - Thomas Oliemans
Colline - Gianluca Buratto
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orlest o.l.v. Renato Palumbo
Deze nieuwe productie van Puccini's meesterwerk is een schot in de roos. De enscenering is prachtig tijdeigen, functioneel en toch heel fijnzinnig. De hoofdrolzangers zijn jong, geloofwaardig en passen uitstekend bij hun rol. Mimi komt als een wat plomp meisje op, en blijft ook steeds dat lieflijk-schuchtere naaistertje ten opzichte van de mondaine Musetta. Rodolfo is een jonge dertiger, en aanvankelijk gewoon een van de vier jonge mislukte kunstenaars. Met zijn voorstel-aria slaat muzikaal de vlam in de pan, en Atalla Ayan ontpopte zich tot een prachtige Rodolfo. Ook Doronzio, El-Khoury en de andere zangers bleken uitstekend gecast. Geen muzikaal vuurwerk, maar een fraai afgewogen en - je zou haast zeggen - authentieke uitvoering. Renato Palumbo bleek de perfecte dirigent. Het orkest klonk slank, prima in balans met de zangers en uiterst precies. Bijzonder fraaie voorstelling!
De Nationale Opera
Puccini: La bohème
Mimì - Grazia Doronzio
Musetta - Joyce El-Khoury
Rodolfo - Atalla Ayan
Marcello - Massimo Cavalletti
Schaunard - Thomas Oliemans
Colline - Gianluca Buratto
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orlest o.l.v. Renato Palumbo
Deze nieuwe productie van Puccini's meesterwerk is een schot in de roos. De enscenering is prachtig tijdeigen, functioneel en toch heel fijnzinnig. De hoofdrolzangers zijn jong, geloofwaardig en passen uitstekend bij hun rol. Mimi komt als een wat plomp meisje op, en blijft ook steeds dat lieflijk-schuchtere naaistertje ten opzichte van de mondaine Musetta. Rodolfo is een jonge dertiger, en aanvankelijk gewoon een van de vier jonge mislukte kunstenaars. Met zijn voorstel-aria slaat muzikaal de vlam in de pan, en Atalla Ayan ontpopte zich tot een prachtige Rodolfo. Ook Doronzio, El-Khoury en de andere zangers bleken uitstekend gecast. Geen muzikaal vuurwerk, maar een fraai afgewogen en - je zou haast zeggen - authentieke uitvoering. Renato Palumbo bleek de perfecte dirigent. Het orkest klonk slank, prima in balans met de zangers en uiterst precies. Bijzonder fraaie voorstelling!
Concert 17 december 2014
Woensdag 17 december 2014, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Denis Matsuev, piano
Martinu: La Rhapsodie
Lutoslawski: Variaties op een thema van Paganini
Gershwin: Rhapsodie in Blue
Chabrier: España
Ravel: Rapsodie espagnole
Liszt: Tweede hongaarse rapsodie
Een concert met maar liefst 6 verschillende werken van evenzoveel componisten; een rapsodie van rapsodieën. Het gevaar bestaat dat het concert vooral een serie traplopen en changementen wordt, maar dat was gelukkig hier niet het geval. Gewoon een serie heerlijke stukken, grandioos en bevlogen uitgevoerd. Hoogtepunt was het optreden van Denis Matsuev, een enorme vent die ongelooflijk virtuoos kan spelen. Dat was ook wel nodig, want de Variaties van Lutoslawski en de Rhapsody in Blue van Gershwin zijn geen makkelijke stukken om te spelen. Daarna speelde hij een zomogelijk nog onspeelbaarder toegift. De zaal beloonde hem met groot gejuich. Ook fijn om eens die heerlijke Tweede hongaarse rapsodie van Liszt te horen. Ik hen het stuk al sinds mijn zestiende; ik kreeg toen een plaat met een opname van dit stuk door de Berliner Phiulharmoniker o.l.v. Von Karajan. Later kocht ik de cd-versie. Die opname is grandioos: hard, kamerbreed, rauw, soms enorm ongelijk, maar onweerstaanbaar. Jansons kwam tot een slankere uitvoering, ook wat sneller. Gewoon een subliem stuk muziek.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons
Denis Matsuev, piano
Martinu: La Rhapsodie
Lutoslawski: Variaties op een thema van Paganini
Gershwin: Rhapsodie in Blue
Chabrier: España
Ravel: Rapsodie espagnole
Liszt: Tweede hongaarse rapsodie
Een concert met maar liefst 6 verschillende werken van evenzoveel componisten; een rapsodie van rapsodieën. Het gevaar bestaat dat het concert vooral een serie traplopen en changementen wordt, maar dat was gelukkig hier niet het geval. Gewoon een serie heerlijke stukken, grandioos en bevlogen uitgevoerd. Hoogtepunt was het optreden van Denis Matsuev, een enorme vent die ongelooflijk virtuoos kan spelen. Dat was ook wel nodig, want de Variaties van Lutoslawski en de Rhapsody in Blue van Gershwin zijn geen makkelijke stukken om te spelen. Daarna speelde hij een zomogelijk nog onspeelbaarder toegift. De zaal beloonde hem met groot gejuich. Ook fijn om eens die heerlijke Tweede hongaarse rapsodie van Liszt te horen. Ik hen het stuk al sinds mijn zestiende; ik kreeg toen een plaat met een opname van dit stuk door de Berliner Phiulharmoniker o.l.v. Von Karajan. Later kocht ik de cd-versie. Die opname is grandioos: hard, kamerbreed, rauw, soms enorm ongelijk, maar onweerstaanbaar. Jansons kwam tot een slankere uitvoering, ook wat sneller. Gewoon een subliem stuk muziek.
01 december 2014
Concert 27 november 2014
Donderdag 27 november 2014, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
Mahler: Symfonie nr. 6
Dit was het eerste concert onder leiding van Gatti sinds bekend werd dat hij met ingang van het seizoen 2015-2016 de volgende chef-dirigent van het KCO wordt, toevalligerwijs onderdeel van mijn KCO-abonnement. Een volle zaal derhalve en het journaille op scherp. Ik ben slechts een blogger, een amateurverslaggever die roept wat hem voor de geest komt. Maar het is interessant te lezen wat de betaalde, professionele scribenten van de landelijke dagbladpers te berde brachten in hun pogingen dit ene concert van Gatti als zijn ultieme toelatingsexamen te beoordelen. Eerst maar Erik Voermans in Het Parool (zie hier zijn hele recensie); hij begaat de nodige uitglijders. Hij schrijft: 'Wat wel enige zorgen baarde, was dat Gatti niets toevoegde aan de bestaande canon van Zesdes...'. De kop boven het artikel (in de papieren krant): 'Beetje te eigenwijs, die Gatti.' Verder bekritiseert hij Gatti om zijn keuze om het Scherzo als tweede deel te spelen en het Andante als derde deel. 'Haitink en Jansons gaan hierin niet met Gatti mee,' schrijft Voermans, en ook dat je daar 'fundamentele kritiek op kunt hebben om die delen om te draaien.' Nou, Haitink hield bij zijn opname in 1966 dezelfde volgorde aan als Gatti nu. Zoals ook Von Karajan, Inbal, Bernstein, Chailly (met het KCO) en Boulez op hun opnames. Voermans weet het echter beter. Het is pas sinds een jaar of tien dat de volgorde Andante-Scherzo in zwang is. Dus Gatti draaide de volgorde niet om; hij koos voor de traditionele volgorde die pas sinds kort ter discussie staat. Om die keuze dan als fundamenteel verkeerd weg te zetten... Hoe zeker is Voermans trouwens dat de volgorde Andante-Scherzo de juiste is? De scribente van de Volkskrant heeft zich helemaal ingedekt tegen iedere vorm van positiviteit (hier) en spreekt over groepen mensen die de zaal verlaten (terwijl er gewoon één meneer onwel werd en door omstanders werd weggeloodst), en ook zij rept van het Andante als gebruikelijke tweede deel. En je moet maar durven om als stukjesschrijver een aanvoerder van een orkestgroep die verklaart nog nooit zo goed te hebben gerepeteerd te overrulen door te schrijven dat het orkest zichzelf niet meer is. Biëlla Luttmer vindt zichzelf kennelijk de Eduard Hanslick van de 21ste eeuw! Ja, ik kan mij volledig vinden in wat Peter van der Lint in Trouw schrijft (hier). In mijn eigen woorden: het was een prachtige, spannende en enorm bij de lurven grijpende uitvoering. Ik vind die Zesde een enorm ongemakkelijk werk, en daarom is het misschien wel Mahlers beste. Ik verheug me eigenlijk nooit op een uitvoering ervan, het stuk brengt je volledig uit je 'comfort zone'. Maar Gatti wist dat helemaal te bewerkstelligen. En ja, ik ben ook maar een scribent die roept wat-i vindt. Als Voermans en Luttmer met hun stukjes moesten worden beoordeeld zoals zij Gatti bij dit concert beoordelen (als toelatingsexamen), dan zakten zij wat mij betreft met dubbele cijfers. Niet omdat zij een andere mening zijn toegedaan over de kwaliteit (over smaak valt niet te twisten), maar omdat zij feitelijke lulkoek verkopen en die hanteren als dragende argumenten.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
Mahler: Symfonie nr. 6
Dit was het eerste concert onder leiding van Gatti sinds bekend werd dat hij met ingang van het seizoen 2015-2016 de volgende chef-dirigent van het KCO wordt, toevalligerwijs onderdeel van mijn KCO-abonnement. Een volle zaal derhalve en het journaille op scherp. Ik ben slechts een blogger, een amateurverslaggever die roept wat hem voor de geest komt. Maar het is interessant te lezen wat de betaalde, professionele scribenten van de landelijke dagbladpers te berde brachten in hun pogingen dit ene concert van Gatti als zijn ultieme toelatingsexamen te beoordelen. Eerst maar Erik Voermans in Het Parool (zie hier zijn hele recensie); hij begaat de nodige uitglijders. Hij schrijft: 'Wat wel enige zorgen baarde, was dat Gatti niets toevoegde aan de bestaande canon van Zesdes...'. De kop boven het artikel (in de papieren krant): 'Beetje te eigenwijs, die Gatti.' Verder bekritiseert hij Gatti om zijn keuze om het Scherzo als tweede deel te spelen en het Andante als derde deel. 'Haitink en Jansons gaan hierin niet met Gatti mee,' schrijft Voermans, en ook dat je daar 'fundamentele kritiek op kunt hebben om die delen om te draaien.' Nou, Haitink hield bij zijn opname in 1966 dezelfde volgorde aan als Gatti nu. Zoals ook Von Karajan, Inbal, Bernstein, Chailly (met het KCO) en Boulez op hun opnames. Voermans weet het echter beter. Het is pas sinds een jaar of tien dat de volgorde Andante-Scherzo in zwang is. Dus Gatti draaide de volgorde niet om; hij koos voor de traditionele volgorde die pas sinds kort ter discussie staat. Om die keuze dan als fundamenteel verkeerd weg te zetten... Hoe zeker is Voermans trouwens dat de volgorde Andante-Scherzo de juiste is? De scribente van de Volkskrant heeft zich helemaal ingedekt tegen iedere vorm van positiviteit (hier) en spreekt over groepen mensen die de zaal verlaten (terwijl er gewoon één meneer onwel werd en door omstanders werd weggeloodst), en ook zij rept van het Andante als gebruikelijke tweede deel. En je moet maar durven om als stukjesschrijver een aanvoerder van een orkestgroep die verklaart nog nooit zo goed te hebben gerepeteerd te overrulen door te schrijven dat het orkest zichzelf niet meer is. Biëlla Luttmer vindt zichzelf kennelijk de Eduard Hanslick van de 21ste eeuw! Ja, ik kan mij volledig vinden in wat Peter van der Lint in Trouw schrijft (hier). In mijn eigen woorden: het was een prachtige, spannende en enorm bij de lurven grijpende uitvoering. Ik vind die Zesde een enorm ongemakkelijk werk, en daarom is het misschien wel Mahlers beste. Ik verheug me eigenlijk nooit op een uitvoering ervan, het stuk brengt je volledig uit je 'comfort zone'. Maar Gatti wist dat helemaal te bewerkstelligen. En ja, ik ben ook maar een scribent die roept wat-i vindt. Als Voermans en Luttmer met hun stukjes moesten worden beoordeeld zoals zij Gatti bij dit concert beoordelen (als toelatingsexamen), dan zakten zij wat mij betreft met dubbele cijfers. Niet omdat zij een andere mening zijn toegedaan over de kwaliteit (over smaak valt niet te twisten), maar omdat zij feitelijke lulkoek verkopen en die hanteren als dragende argumenten.
29 november 2014
Opera 26 november 2014
Woensdag 26 november 2014, Muziektheater Amsterdam
De Nationale Opera
Wagner: Lohengrin
Lohengrin - Nikolai Schukoff
Elsa - Juliane Banse
Heinrich der Vogler - Günther Groissböck
Friedrich von Telramund - Evgeny Nikitin
Ortrud - Michaela Schuster
Heerrufer - Bastiaan Everink
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Marc Albrecht
Nog een keer naar deze prachtige opera. Ik zat nu op rij 7, en dan is de beleving toch krachtiger dan vanaf rij 16. Er werd naar mijn idee iets beter gezongen; het orkest speelde wederom fantastisch. Marc Albrecht heeft duidelijk gezag bij het orkest. Lohengrin is niet Wagners beste opera, maar voor 75% biedt het wel al alle ingrediënten van zijn latere opera's: symboliek, uitgesponnen confrontaties, een verhaallijn waar alle details uiteindelijk in elkaar grijpen. En alleen in Lohengrin een fenomenale stuwing in de koor- en orkestpartij, in de tweede akte. Heerlijk!
De Nationale Opera
Wagner: Lohengrin
Lohengrin - Nikolai Schukoff
Elsa - Juliane Banse
Heinrich der Vogler - Günther Groissböck
Friedrich von Telramund - Evgeny Nikitin
Ortrud - Michaela Schuster
Heerrufer - Bastiaan Everink
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Marc Albrecht
Nog een keer naar deze prachtige opera. Ik zat nu op rij 7, en dan is de beleving toch krachtiger dan vanaf rij 16. Er werd naar mijn idee iets beter gezongen; het orkest speelde wederom fantastisch. Marc Albrecht heeft duidelijk gezag bij het orkest. Lohengrin is niet Wagners beste opera, maar voor 75% biedt het wel al alle ingrediënten van zijn latere opera's: symboliek, uitgesponnen confrontaties, een verhaallijn waar alle details uiteindelijk in elkaar grijpen. En alleen in Lohengrin een fenomenale stuwing in de koor- en orkestpartij, in de tweede akte. Heerlijk!
Concert 21 november 2014
Vrijdag 21 november 2014, Concertgebouw Amsterdam
Chamber Orchestra of Europe o.l.v. Bernard Haitink
Emanuel Ax, piano
Brahms: Pianoconcert nr. 2
Brahms: Symfonie nr. 4
Evenals de Beethovencyclus verdeelt Haitink zijn Brahmscyclus met het COE over twee jaar. Vorig jaar was ik bij het concert met het Dubbelconcert en de Eerste symfonie (zie hier), en nu die met het Tweede panoconcert en de Vierde symfonie. Twee avonden voor dit concert speelden Ax en Haitink met het COE het Eerste pianoconcert en de Derde symfonie, maar ik liet dat voorbijgaan; drie jaar geleden deden ze hetzelfde programnma ook al bij het KCO (zie hier). Het Tweede pianoconcert hoorde ik in tegenstelling tot het Eerste al heel lang niet meer live, terwijl het zo'n grandioos concert is. Brahms laat de presentatie van de openingsthema's van het eerste en derde deel aan andere solo-instrumenten over (resp. de hoorn en de cello), maar de pianist heeft genoeg voorhanden. Die passage met de akkoordenstapelingen in het derde deel, vlak voor de herneming van het openingsthema, behoort tot de fraaiste momenten uit de concertliteratuur. Over de kwaliteiten van de Vierde symfonie houd ik het kort. Iedere extra letter doet er afbreuk aan. Ax en Haitink musiceerden met verbluffende en nog steeds verbazingwekkende autoriteit. Brahms kun je op vele manieren goed spelen, maar zo subliem als tijdens dit concert klinkt Brahms zelden.
Chamber Orchestra of Europe o.l.v. Bernard Haitink
Emanuel Ax, piano
Brahms: Pianoconcert nr. 2
Brahms: Symfonie nr. 4
Evenals de Beethovencyclus verdeelt Haitink zijn Brahmscyclus met het COE over twee jaar. Vorig jaar was ik bij het concert met het Dubbelconcert en de Eerste symfonie (zie hier), en nu die met het Tweede panoconcert en de Vierde symfonie. Twee avonden voor dit concert speelden Ax en Haitink met het COE het Eerste pianoconcert en de Derde symfonie, maar ik liet dat voorbijgaan; drie jaar geleden deden ze hetzelfde programnma ook al bij het KCO (zie hier). Het Tweede pianoconcert hoorde ik in tegenstelling tot het Eerste al heel lang niet meer live, terwijl het zo'n grandioos concert is. Brahms laat de presentatie van de openingsthema's van het eerste en derde deel aan andere solo-instrumenten over (resp. de hoorn en de cello), maar de pianist heeft genoeg voorhanden. Die passage met de akkoordenstapelingen in het derde deel, vlak voor de herneming van het openingsthema, behoort tot de fraaiste momenten uit de concertliteratuur. Over de kwaliteiten van de Vierde symfonie houd ik het kort. Iedere extra letter doet er afbreuk aan. Ax en Haitink musiceerden met verbluffende en nog steeds verbazingwekkende autoriteit. Brahms kun je op vele manieren goed spelen, maar zo subliem als tijdens dit concert klinkt Brahms zelden.
Opera 20 november 2014
De Nationale Opera
Wagner: Lohengrin
Lohengrin - Nikolai Schukoff
Elsa - Juliane Banse
Heinrich der Vogler - Günther Groissböck
Friedrich von Telramund - Evgeny Nikitin
Ortrud - Michaela Schuster
Heerrufer - Bastiaan Everink
Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Marc Albrecht
Deze productie in de regie van Pierre Audi stamt uit 2002, en eigenlijk herinnerde ik me er alleen de uitbeelding van de eerste akte van. Verder dat het me allemaal wat weinig deed. Nu is er veel verbeterd. Allereerst speelde het orkest onder leiding van Marc Albrecht de sterren van de hemel; veel indringender dan indertijd onder de slappe leiding van Edo de Waart. Het koor wint per productie aan kracht, en de solisten bleken goed tot uitstekend. De stem van Nikolai Schukoff zit aan de grens van zijn mogelijkheden, maar eigenlijk was er weinig op hem aan te merken. Hetzelfde geldt voor Juliane Banse, maar haar stem toonde wel iets meer veerkracht. Günther Groissböck maakte de meeste indruk (hij zong bij DNO twee jaar geleden ook al Hunding) - hij zong werkelijk geweldig krachtig en sonoor. Ook Evgeny Nikitin voldeed uitstekend. Michaela Schuster bracht een pregnante en prima klinkende Ortrud. De regie vond ik een beetje wisselend. De eerste akte is fenomenaal verbeeld, de tweede akte gewoon goed, maar de derde akte is nikserig: een verhoging met een doelloos kamerscherm, een onafgewerkte trap, en naast die verhoging wat stellages met kleden erover, waardoorheen het koor zich een weg moet banen bij het zingen van het beroemde bruiloftskoor. Maar goed, al met al een prima (maar geen superieure) Lohengrin-uitvoering.
24 november 2014
Concert 14 november 2014
Vrijdag 14 november 2014, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Robin Ticciati
Vesselina Kasarova, sopraan
Fauré: Suite Pelléas et Mélisande
Berlioz: La mort de Cléopâtre
Ravel: Valses nobles et sentimentales
Debussy: La mer
Robin Ticciati debuteerde in 2011 bij het KCO en dat werd niet allerwegen positief ontvangen; ook ikzelf was gereserveerd (zie hier de weblog). Het orkest zag meer in hem en vroeg hem terug. En met de uitvoering van La mer van Debussy, toch het hoofdwerk van de avond, bewees het daarmee zijn gelijk. De suite Pelléas et Mélisande van Fauré klonk ok, maar is niet bepaald een karakterstuk, en in La mort de Cléopâtre vond ik het orkest te netjes. Vesselina Kasarova die de aanvankelijk gecaste Elina Garanca verving probeerde er weliswaar een show van te maken, maar aangrijpend werd de uitvoering niet. Misschien was Berlioz daar ook debet aan; het is een apart stuk, vol Berlioz-gekte, maar minder overtuigend dan in andere composities. Tijdens het concert de zaterdag voor dit (zie hieronder) hoorde ik ook al de Valses nobles et sentimentales van Ravel. Het KCO klinkt stukken mooier en glanzender dan het Rotterdamse collegaorkest, maar toch had die uitvoering meer zeggingskracht. Onder Ticciati klonken de walsen te gewoontjes. In La mer bewees hij echter zijn kwaliteit. Dat grandioze drieluik klonk spannend, uiterst transparant en vloeiend. Haitink blijft de grootmeester in dit stuk, maar Ticciati wist het orkest eveneens tot grote hoogten op te stuwen. Het KCO verdient de allerbeste dirigenten, maar ook goed dat ze jonge en veelbelovende dirigenten als Ticciati de kans geven zich te ontwikkelen.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Robin Ticciati
Vesselina Kasarova, sopraan
Fauré: Suite Pelléas et Mélisande
Berlioz: La mort de Cléopâtre
Ravel: Valses nobles et sentimentales
Debussy: La mer
Robin Ticciati debuteerde in 2011 bij het KCO en dat werd niet allerwegen positief ontvangen; ook ikzelf was gereserveerd (zie hier de weblog). Het orkest zag meer in hem en vroeg hem terug. En met de uitvoering van La mer van Debussy, toch het hoofdwerk van de avond, bewees het daarmee zijn gelijk. De suite Pelléas et Mélisande van Fauré klonk ok, maar is niet bepaald een karakterstuk, en in La mort de Cléopâtre vond ik het orkest te netjes. Vesselina Kasarova die de aanvankelijk gecaste Elina Garanca verving probeerde er weliswaar een show van te maken, maar aangrijpend werd de uitvoering niet. Misschien was Berlioz daar ook debet aan; het is een apart stuk, vol Berlioz-gekte, maar minder overtuigend dan in andere composities. Tijdens het concert de zaterdag voor dit (zie hieronder) hoorde ik ook al de Valses nobles et sentimentales van Ravel. Het KCO klinkt stukken mooier en glanzender dan het Rotterdamse collegaorkest, maar toch had die uitvoering meer zeggingskracht. Onder Ticciati klonken de walsen te gewoontjes. In La mer bewees hij echter zijn kwaliteit. Dat grandioze drieluik klonk spannend, uiterst transparant en vloeiend. Haitink blijft de grootmeester in dit stuk, maar Ticciati wist het orkest eveneens tot grote hoogten op te stuwen. Het KCO verdient de allerbeste dirigenten, maar ook goed dat ze jonge en veelbelovende dirigenten als Ticciati de kans geven zich te ontwikkelen.
10 november 2014
Concert 8 november 2014
Zaterdag 8 november 2014, Concertgebouw Amsterdam
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Michel Plasson
Louis Lortie, piano
Ravel: Valses nobles et sentimentales
Saint-Saëns: Pianoconcert nr. 5
Franck: Symfonie
Michel Plasson is een groot dirigent die, zeker buiten Frankrijk, nooit een sterrenstatus bereikte. Hij maakte echter vele prachtige opnames voor EMI, en vooral die van de opera’s van Offenbach, Massenet en Gounod behoren tot de beste die er zijn. In Nederland dirigeerde hij slechts enkele keren. Ik hoorde hem al eens eerder, ook met het Rotterdams Philharmonisch, met o.a. de schromelijk ondergewaardeerde Symfonie van Chausson. In mijn herinnering was het nog niet zo lang geleden, maar hij ontbreekt op deze weblog in de dirigentenlijst; het bleek najaar 2005 geweest te zijn... Nu dus negen jaar later, Plasson is inmiddels 81. Het werd een memorabel concert. De Valse nobles et sentimentales kregen een breekbare en uiterst idiomatische uitvoering, prachtig transparant gespeeld. Zo hoort Ravel te klinken, maar hoe zelden gebeurt dat! Het Vijfde pianoconcert van Saint-Saëns is een werk dat het helemaal van het middendeel moet hebben. De hoekdelen zijn weinig pregnant, modderen thematisch maar wat aan en voldoen zelfs niet aan de klassieke uitspraak over Saint-Saëns muzikale oeuvre: 'slechte muziek maar mooi geschreven'. Maar dat middendeel maakt het hele concert interessant. Het is thematisch een rommeltje, ontbeert een kop en een staart, maar bevat klanken die geen andere componist eerder aan de piano wist te ontlokken. Het deel bevat een (quasi) oriëntaalse sfeer die je op het puntje van je stoel laat zitten. Ik hoorde het concert nooit eerder live, maar ken het door en door van cd. De uitvoering van Louis Lortie was relatief snel, gedreven (soms iets te), maar prima. Plasson begeleidde uitstekend, voortdurend gericht op een goede klankbalans tussen piano en orkest. De grote Symfonie van Franck hoorde ik wel al meerdere keren, maar nog nooit met zoveel grandeur en spanning als deze middag. Plasson schotelde een geweldige, gerijpte interpretatie voor. Een gemiste kans dat Plasson nooit door het KCO is uitgenodigd.
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Michel Plasson
Louis Lortie, piano
Ravel: Valses nobles et sentimentales
Saint-Saëns: Pianoconcert nr. 5
Franck: Symfonie
Michel Plasson is een groot dirigent die, zeker buiten Frankrijk, nooit een sterrenstatus bereikte. Hij maakte echter vele prachtige opnames voor EMI, en vooral die van de opera’s van Offenbach, Massenet en Gounod behoren tot de beste die er zijn. In Nederland dirigeerde hij slechts enkele keren. Ik hoorde hem al eens eerder, ook met het Rotterdams Philharmonisch, met o.a. de schromelijk ondergewaardeerde Symfonie van Chausson. In mijn herinnering was het nog niet zo lang geleden, maar hij ontbreekt op deze weblog in de dirigentenlijst; het bleek najaar 2005 geweest te zijn... Nu dus negen jaar later, Plasson is inmiddels 81. Het werd een memorabel concert. De Valse nobles et sentimentales kregen een breekbare en uiterst idiomatische uitvoering, prachtig transparant gespeeld. Zo hoort Ravel te klinken, maar hoe zelden gebeurt dat! Het Vijfde pianoconcert van Saint-Saëns is een werk dat het helemaal van het middendeel moet hebben. De hoekdelen zijn weinig pregnant, modderen thematisch maar wat aan en voldoen zelfs niet aan de klassieke uitspraak over Saint-Saëns muzikale oeuvre: 'slechte muziek maar mooi geschreven'. Maar dat middendeel maakt het hele concert interessant. Het is thematisch een rommeltje, ontbeert een kop en een staart, maar bevat klanken die geen andere componist eerder aan de piano wist te ontlokken. Het deel bevat een (quasi) oriëntaalse sfeer die je op het puntje van je stoel laat zitten. Ik hoorde het concert nooit eerder live, maar ken het door en door van cd. De uitvoering van Louis Lortie was relatief snel, gedreven (soms iets te), maar prima. Plasson begeleidde uitstekend, voortdurend gericht op een goede klankbalans tussen piano en orkest. De grote Symfonie van Franck hoorde ik wel al meerdere keren, maar nog nooit met zoveel grandeur en spanning als deze middag. Plasson schotelde een geweldige, gerijpte interpretatie voor. Een gemiste kans dat Plasson nooit door het KCO is uitgenodigd.
05 november 2014
Concert 23 oktober 2014
Donderdag 23 oktober 2014, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons
Liviu Prunaru, viool
Gregor Horsch, cello
Brahms: Dubbelconcert
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 4
In 2009 speelde het KCO de expressieve Vierde van Sjostakovitsj voor het laatst, toen onder leiding van Mark Elder (zie hier de weblog). Andris Nelsons is aan een cyclus van Sjostakovitsj-symfonieën begonnen en na een zeer fraaie Vijfde twee weken geleden (hier) nu een even overtuigende Vierde. Het is een stuk dat erin hakt en dat deed de uitvoering ook. Nelsons had het orkest volledig in zijn greep en dat speelde uiterst gedreven. Ik heb de symfonie eigenlijk nog nooit van cd beluisterd; alleen in de concertzaal. Zo eens per vijf jaar een uitvoering is dan te weinig om het echt goed te doorgronden. Snel maar eens een van de uitvoeringen uit mijn kast trekken... Voor de pauze het heerlijke Dubbelconcert van Brahms. Zo hoor je het stuk nooit, en zo twee keer in een jaar (vorig jaar met Haitink, zie hier). De solisten kwamen uit het orkest en speelden prima; wel misten ze de kracht die rondtrekkende solisten wel hebben. Maar het klonk allemaal erg precies en muzikaal; Nelsons overtuigde door een prachtige balans te bewerkstelligen.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons
Liviu Prunaru, viool
Gregor Horsch, cello
Brahms: Dubbelconcert
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 4
In 2009 speelde het KCO de expressieve Vierde van Sjostakovitsj voor het laatst, toen onder leiding van Mark Elder (zie hier de weblog). Andris Nelsons is aan een cyclus van Sjostakovitsj-symfonieën begonnen en na een zeer fraaie Vijfde twee weken geleden (hier) nu een even overtuigende Vierde. Het is een stuk dat erin hakt en dat deed de uitvoering ook. Nelsons had het orkest volledig in zijn greep en dat speelde uiterst gedreven. Ik heb de symfonie eigenlijk nog nooit van cd beluisterd; alleen in de concertzaal. Zo eens per vijf jaar een uitvoering is dan te weinig om het echt goed te doorgronden. Snel maar eens een van de uitvoeringen uit mijn kast trekken... Voor de pauze het heerlijke Dubbelconcert van Brahms. Zo hoor je het stuk nooit, en zo twee keer in een jaar (vorig jaar met Haitink, zie hier). De solisten kwamen uit het orkest en speelden prima; wel misten ze de kracht die rondtrekkende solisten wel hebben. Maar het klonk allemaal erg precies en muzikaal; Nelsons overtuigde door een prachtige balans te bewerkstelligen.
27 oktober 2014
Concert 21 oktober 2014
Dinsdag 21 oktober 2014, Concertgebouw Amsterdam
Orkest van de 18e eeuw o.l.v. Daniel Reuss & Ed Spanjaard & Kenneth Montgomery
Janusz Olejniczak, piano
Ilse Eerens, sopraan
Rosanne van Sandwijk, mezzosopraan
Jan Kobow, tenor
Capella Amsterdam
Mozart: Mis in c, KV427
Chopin: Pianoconcert nr. 2
Mozart: Symfonie nr. 41 'Jupiter'
Wat een jubileumconcert ter gelegenheid van de 80-ste verjaardag van Frans Brüggen had moeten zijn, werd een herdenkingsconcert van de in augustus overleden oprichter en enig en eeuwig dirigent van het Orkest van de 18e eeuw. Goed, ik hoorde het orkest ook eens gedirigeerd door Simon Rattle (met Haydns Jahreszeiten) en ook enkele andere dirigenten stonden eens voor het orkest, maar Frans Brüggen was de vaste leidsman. Zozeer zelfs dat altijd geroepen werd dat als Brüggen ermee zou stoppen, ook het orkest zou ophouden te bestaan. Inmiddels had men al enige goede ervaringen opgedaan met Daniel Reuss, Ed Spanjaard en Kenneth Montgomery, dus met deze drie probeert het (project)orkest verder te gaan. Ik wens het orkest alle goeds, want het is een prima ensemble, en ik heb er vele mooie concerten van meegemaakt; op eentje na alle voordat ik deze weblog begon (zie hier voor die ene uit 2008, zowaar ook met Chopin). Dit herdenkingsconcert met slechts een driekwart gevulde zaal vond ik wisselend. Pas vlak voor het stemmen werd omgeroepen dat de volgorde van het programma werd gewijzigd (eerst de mis, en na de pauze het concert en de symfonie - in plaats van andersom). Eerst dus die fenomenale Mis in c van Mozart, die ik nog nooit eerder live hoorde, maar die ik door de prachige opname van John-Eliot Gardiner regelmatig beluister en zowat van noot tot noot ken. Het is een meesterwerk dat het wel moet hebben van een krachtige uitvoering; anders blijft het een van die vele missen van Mozart. En zo klonk het stuk helaas wel. Daniel Reuss opteerde voor een secure, verzorgde, maar saaie uitvoering. Het Gratias en het Qui tollis horen door merg en been te gaan, maar werden te snel en te wollig gezongen en gespeeld. Ook het Benedictus sloeg me niet uit het veld, terwijl het zulke hemelse muziek is. Het koor en de solisten zongen netjes, maar niet grandioos. Na de pauze het Tweede concert van Chopin met - volgens het boekje - Chopinspecialist Janusz Olejniczak op - ik meen - een Bechsteinpiano. Tja, net als bij dat concert in 2008 klonk het als gepingel, en vanavond bovendien met heel veel missers. Spanjaard dirigeerde uitdagend, maar een dirigent kan weinig opvallen bij Chopin. Daarna mocht de oude rot Kenneth Montgomery de avond afsluiten met Mozarts Jupitersymfonie. Het werd het beste deel van de avond. Vanwege het lange programma werden nagenoeg alle herhalingen genegeerd, toch een van de verworvenheden van de 'authentieke' uitvoerinspraktijk. Maar goed: Montgomery dirigeerde een eigenzinnige en uitdagend scherpe uitvoering die er mocht zijn.
Orkest van de 18e eeuw o.l.v. Daniel Reuss & Ed Spanjaard & Kenneth Montgomery
Janusz Olejniczak, piano
Ilse Eerens, sopraan
Rosanne van Sandwijk, mezzosopraan
Jan Kobow, tenor
Capella Amsterdam
Mozart: Mis in c, KV427
Chopin: Pianoconcert nr. 2
Mozart: Symfonie nr. 41 'Jupiter'
Wat een jubileumconcert ter gelegenheid van de 80-ste verjaardag van Frans Brüggen had moeten zijn, werd een herdenkingsconcert van de in augustus overleden oprichter en enig en eeuwig dirigent van het Orkest van de 18e eeuw. Goed, ik hoorde het orkest ook eens gedirigeerd door Simon Rattle (met Haydns Jahreszeiten) en ook enkele andere dirigenten stonden eens voor het orkest, maar Frans Brüggen was de vaste leidsman. Zozeer zelfs dat altijd geroepen werd dat als Brüggen ermee zou stoppen, ook het orkest zou ophouden te bestaan. Inmiddels had men al enige goede ervaringen opgedaan met Daniel Reuss, Ed Spanjaard en Kenneth Montgomery, dus met deze drie probeert het (project)orkest verder te gaan. Ik wens het orkest alle goeds, want het is een prima ensemble, en ik heb er vele mooie concerten van meegemaakt; op eentje na alle voordat ik deze weblog begon (zie hier voor die ene uit 2008, zowaar ook met Chopin). Dit herdenkingsconcert met slechts een driekwart gevulde zaal vond ik wisselend. Pas vlak voor het stemmen werd omgeroepen dat de volgorde van het programma werd gewijzigd (eerst de mis, en na de pauze het concert en de symfonie - in plaats van andersom). Eerst dus die fenomenale Mis in c van Mozart, die ik nog nooit eerder live hoorde, maar die ik door de prachige opname van John-Eliot Gardiner regelmatig beluister en zowat van noot tot noot ken. Het is een meesterwerk dat het wel moet hebben van een krachtige uitvoering; anders blijft het een van die vele missen van Mozart. En zo klonk het stuk helaas wel. Daniel Reuss opteerde voor een secure, verzorgde, maar saaie uitvoering. Het Gratias en het Qui tollis horen door merg en been te gaan, maar werden te snel en te wollig gezongen en gespeeld. Ook het Benedictus sloeg me niet uit het veld, terwijl het zulke hemelse muziek is. Het koor en de solisten zongen netjes, maar niet grandioos. Na de pauze het Tweede concert van Chopin met - volgens het boekje - Chopinspecialist Janusz Olejniczak op - ik meen - een Bechsteinpiano. Tja, net als bij dat concert in 2008 klonk het als gepingel, en vanavond bovendien met heel veel missers. Spanjaard dirigeerde uitdagend, maar een dirigent kan weinig opvallen bij Chopin. Daarna mocht de oude rot Kenneth Montgomery de avond afsluiten met Mozarts Jupitersymfonie. Het werd het beste deel van de avond. Vanwege het lange programma werden nagenoeg alle herhalingen genegeerd, toch een van de verworvenheden van de 'authentieke' uitvoerinspraktijk. Maar goed: Montgomery dirigeerde een eigenzinnige en uitdagend scherpe uitvoering die er mocht zijn.
20 oktober 2014
Concert 16 oktober 2014
Donderdag 16 oktober 2014, De Doelen Rotterdam
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin
Dorothea Röschmann, sopraan
Wagner: Siegfried-Idyll
R. Strauss: Vier letzte Lieder
Brahms: Symfonie nr. 3
Dit concert kon er ook nog wel bij: een mooi programma en vanuit mijn werk in Den Haag makkelijk te doen. Ik kwam er pas in Rotterdam achter dat de Intercity Direct-treinen na 22 uur niet meer reden die avond, dus de thuisreis duurde langer dan gedacht. Maar goed, kunst is lijden en dit programma was te verleidelijk. Helemaal ideaal was de uitvoering ervan echter niet. Dorotheo Röschmann zong bij vlagen prachtig, maar soms ook iets te schel en te schreeuwerig. Misschien wilde ze teveel interpreteren, of de tekortkomingen van haar stem verdoezelen...? Nézet-Séguin begeleidde daarnaast iets te ingehouden; het orkest mag soms best wel lekker weelderig klinken in deze liederen. In Brahms ging hij daarentegen voluit. In het eerste deel - door die drietelsmaat een uitermate lastig deel - vloog het orkest door zijn overenthousiasme bijna uit de bocht, maar het ging gelukkig net goed. De andere delen klonken uitstekend. De Siegfried-Idyll kreeg de beste uitvoering van het concert: prachtig breekbaar gespeeld, vloeiend en subtiel.
Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin
Dorothea Röschmann, sopraan
Wagner: Siegfried-Idyll
R. Strauss: Vier letzte Lieder
Brahms: Symfonie nr. 3
Dit concert kon er ook nog wel bij: een mooi programma en vanuit mijn werk in Den Haag makkelijk te doen. Ik kwam er pas in Rotterdam achter dat de Intercity Direct-treinen na 22 uur niet meer reden die avond, dus de thuisreis duurde langer dan gedacht. Maar goed, kunst is lijden en dit programma was te verleidelijk. Helemaal ideaal was de uitvoering ervan echter niet. Dorotheo Röschmann zong bij vlagen prachtig, maar soms ook iets te schel en te schreeuwerig. Misschien wilde ze teveel interpreteren, of de tekortkomingen van haar stem verdoezelen...? Nézet-Séguin begeleidde daarnaast iets te ingehouden; het orkest mag soms best wel lekker weelderig klinken in deze liederen. In Brahms ging hij daarentegen voluit. In het eerste deel - door die drietelsmaat een uitermate lastig deel - vloog het orkest door zijn overenthousiasme bijna uit de bocht, maar het ging gelukkig net goed. De andere delen klonken uitstekend. De Siegfried-Idyll kreeg de beste uitvoering van het concert: prachtig breekbaar gespeeld, vloeiend en subtiel.
Recital 15 oktober 2014
Woensdag 15 oktober 2014, Concertgebouw Amsterdam
Leonidas Kavakos, viool
Yuja Wang, piano
Brahms: Vioolsonate nr. 1
Brahms: Vioolsonate nr. 2
Brahms: Vioolsonate nr. 3
Kavakos en Wang maakten een - naar verluidt - erg geslaagde cd-opname van de drie vioolsonates van Brahms, en geven al langere tijd recitals met deze drie prachtige stukken. Nu dan in de grote zaal van het Concertgebouw; ondanks mijn nogal drukke concertprogramma een kans om niet te laten lopen. Tja, Kavakos speelt prachtig viool, en Wang houdt wel van lekker warmbloedig pianospel. Een onbezorgd concert dus, met uitzondering van de telefoon die vlak na het begin van de Tweede sonate door de zaal schalde, en die Kavakos deed besluiten te stoppen; na enkele dodelijke blikken de zaal in geworpen te hebben begon het duo opnieuw bij het begin. Alle drie de sonates zijn prachtig en hebben een uniek karakter. Maar die Derde sonate is duidelijk de meest grootse; zo krachtig als het vierde deel klonk nog geen eerder deel deze avond. Er waren drie toegiften, maar die hadden voor mij niet gehoeven. Kavakos en Wang hadden met Brahms hun visitekaartje allang afgegeven.
Leonidas Kavakos, viool
Yuja Wang, piano
Brahms: Vioolsonate nr. 1
Brahms: Vioolsonate nr. 2
Brahms: Vioolsonate nr. 3
Kavakos en Wang maakten een - naar verluidt - erg geslaagde cd-opname van de drie vioolsonates van Brahms, en geven al langere tijd recitals met deze drie prachtige stukken. Nu dan in de grote zaal van het Concertgebouw; ondanks mijn nogal drukke concertprogramma een kans om niet te laten lopen. Tja, Kavakos speelt prachtig viool, en Wang houdt wel van lekker warmbloedig pianospel. Een onbezorgd concert dus, met uitzondering van de telefoon die vlak na het begin van de Tweede sonate door de zaal schalde, en die Kavakos deed besluiten te stoppen; na enkele dodelijke blikken de zaal in geworpen te hebben begon het duo opnieuw bij het begin. Alle drie de sonates zijn prachtig en hebben een uniek karakter. Maar die Derde sonate is duidelijk de meest grootse; zo krachtig als het vierde deel klonk nog geen eerder deel deze avond. Er waren drie toegiften, maar die hadden voor mij niet gehoeven. Kavakos en Wang hadden met Brahms hun visitekaartje allang afgegeven.
Concert 11 oktober 2014
Zaterdag 11 oktober 2014, Concertgebouw Amsterdam
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons
Conrad Tao, piano
Liszt: Pianoconcert nr. 1
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 5
Het KCO introduceert dit seizoen een nieuw concertconcept: Essentials. Dat is een pauzeloos concert waarbij een belangrijk werk uit de muziekgeschiedenis centraal staat. Daaraan voorafgaand een soloconcert met een rijzende ster. En aan het begin van het concert een korte introductie door de Vlaamse televisiemaker Thomas Vanderveken. Dit eerste Essentials-concert was een groot succes. Een uitverkochte zaal, en opvallend veel jongeren in het publiek. Links en rechts van het podium grote televisieschermen waarop een presentatie te zien was die het verhaal van Vanderveken begeleidde. Het was een korte, interessante en uitermate vloeiend uitgesproken presentatie; hopelijk is deze binnenkort ergens terug te zien en te horen, want het verhaal was alleszins de moeite van het beluisteren waard. Daarna vloog de jonge Amerikaanse pianist Conrad Tao de lange trap af, om een werkelijk grandioze uitvoering van Liszts Eerste pianoconcert te geven. De vonken vlogen van de Steinway. Nelsons en het KCO stonden hun mannetje, maar alle aandacht ging uit naar dit kleine ventje die als een klavierleeuw zijn instrument te lijf ging. Liszt heeft niet zoveel fijnzinnigheid nodig; deze uitvoering was stukken beter dan die door Daniel Barenboim ruim drie jaar geleden (zie hier). Tao speelde als toegift de Precipitato uit de Zevende sonate van Prokofiev. Dat kon scherper gespeeld, maar je moet het maar durven na dat Liszt-concert. Het laten wegzakken van de piano is altijd een kleine pauze op zich, en daarna dan het Essentials-werk: de Vijfde van Sjostakovitsj. Het KCO speelt de komende seizoenen alle Sjostakovitsj-symfonieën en dit was de eerste aflevering van de cyclus. De Vijfde kreeg een puntgave uitvoering. Andris Nelsons staat regelmatig voor het orkest, maar ik hoorde hem pas een keer eerder (zie hier). Deze avond overtuigde hij mij volledig. Hij verlangde en kreeg precisie, en liet het orkest soms fluisterstil spelen. Niet eerder kwam het effect van de celesta in dit werk zo goed over het voetlicht. De zaal luisterde ademloos; een zeer overtuigende uitvoering. Komende week vervolgt Nelsons de Sjostakovitsj-cyclus met de Vierde.
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons
Conrad Tao, piano
Liszt: Pianoconcert nr. 1
Sjostakovitsj: Symfonie nr. 5
Het KCO introduceert dit seizoen een nieuw concertconcept: Essentials. Dat is een pauzeloos concert waarbij een belangrijk werk uit de muziekgeschiedenis centraal staat. Daaraan voorafgaand een soloconcert met een rijzende ster. En aan het begin van het concert een korte introductie door de Vlaamse televisiemaker Thomas Vanderveken. Dit eerste Essentials-concert was een groot succes. Een uitverkochte zaal, en opvallend veel jongeren in het publiek. Links en rechts van het podium grote televisieschermen waarop een presentatie te zien was die het verhaal van Vanderveken begeleidde. Het was een korte, interessante en uitermate vloeiend uitgesproken presentatie; hopelijk is deze binnenkort ergens terug te zien en te horen, want het verhaal was alleszins de moeite van het beluisteren waard. Daarna vloog de jonge Amerikaanse pianist Conrad Tao de lange trap af, om een werkelijk grandioze uitvoering van Liszts Eerste pianoconcert te geven. De vonken vlogen van de Steinway. Nelsons en het KCO stonden hun mannetje, maar alle aandacht ging uit naar dit kleine ventje die als een klavierleeuw zijn instrument te lijf ging. Liszt heeft niet zoveel fijnzinnigheid nodig; deze uitvoering was stukken beter dan die door Daniel Barenboim ruim drie jaar geleden (zie hier). Tao speelde als toegift de Precipitato uit de Zevende sonate van Prokofiev. Dat kon scherper gespeeld, maar je moet het maar durven na dat Liszt-concert. Het laten wegzakken van de piano is altijd een kleine pauze op zich, en daarna dan het Essentials-werk: de Vijfde van Sjostakovitsj. Het KCO speelt de komende seizoenen alle Sjostakovitsj-symfonieën en dit was de eerste aflevering van de cyclus. De Vijfde kreeg een puntgave uitvoering. Andris Nelsons staat regelmatig voor het orkest, maar ik hoorde hem pas een keer eerder (zie hier). Deze avond overtuigde hij mij volledig. Hij verlangde en kreeg precisie, en liet het orkest soms fluisterstil spelen. Niet eerder kwam het effect van de celesta in dit werk zo goed over het voetlicht. De zaal luisterde ademloos; een zeer overtuigende uitvoering. Komende week vervolgt Nelsons de Sjostakovitsj-cyclus met de Vierde.
Abonneren op:
Posts (Atom)















